Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6642

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
01/03137 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

K. Uit de feiten leidt het Hof af dat tussen het zich voordoen van de belastbare feiten (het parkeren op plaatsen waar parkeerbelasting is verschuldigd) en het daarvan in kennis stellen van belanghebbende meer dan 3 jaren zijn verstreken. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende reeds eerder met die aanslagen bekend moet zijn geweest. Hieruit vloeit voort dat verweerder terecht ervan is uitgegaan dat belanghebbende ontvankelijk was in zijn bezwaar. Een redelijke toepassing van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen brengt voorts mee, dat verweerder na het verstrijken van die termijn niet meer bevoegd was belanghebbende als belastingplichtige voor de nageheven parkeerbelasting aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/1047
FutD 2003-0767
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Y, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de stadsdeelsecretaris van het stadsdeel Bos en Lommer van de gemeente Amsterdam, verweerder, gedagtekend 17 augustus 2001, betreffende twee naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen met aanslagnummers 11-111111 en 22-222222.

Het beroep is behandeld ter zittingen van 29 augustus 2002 en 17 januari 2003.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van verweerder;

- vernietigt de naheffingsaanslagen; en

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad ƒ 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. De onderhavige naheffingsaanslagen zijn opgelegd ter zake van het zonder voldoening van parkeerbelasting parkeren van het voertuig met kenteken AA-AA-00 op 18 juli 1997 en op 24 juli 1997 op plaatsen waar parkeerbelasting is verschuldigd. Verweerder stelt dat de niet voldane belasting is nageheven door het aanbrengen van aanslagbiljetten onder de ruitenwisser van genoemd voertuig. Betaling van de nageheven belasting heeft niet plaatsgevonden. Verweerder stelt voorts dat ten tijde van het parkeren het kenteken van het voertuig in het kentekenregister was ingeschreven op naam van belanghebbende.

2. Aan belanghebbende zijn binnen een tijdvak van 6 weken voor 10 maart 2001 dwangbevelen betekend ter zake van de onderwerpelijke naheffingsaanslagen. Belanghebbende heeft bij een op 10 maart 2001 bij de gemeente Amsterdam ingekomen bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen het verschuldigd zijn van deze bij hem ingevorderde parkeerbelasting. In de uitspraak op dit bezwaar heeft verweerder onder meer opgemerkt: "U bent ontvankelijk in uw bezwaar. Ik ga er van uit dat u pas door de dwangbevelen van deze naheffingsaanslagen kennis nam.". Verweerder heeft bij zijn uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de in 1997 in de gemeente Amsterdam geldende Verordening Parkeerbelastingen 1997 (hierna: de Verordening) wordt de belasting ter zake van het parkeren van een voertuig geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Niet gesteld of gebleken is dat het onder 1 vermelde parkeren door belanghebbende is uitgevoerd. In het tweede lid, aanhef en onder b, van voormeld artikel 3 is, voorzover hier van belang, bepaald dat zolang geen voldoening van de belasting heeft plaatsgevonden, als degene die het voertuig heeft geparkeerd mede wordt aangemerkt de houder van het voertuig. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening wordt voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens, als houder aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven. Het Hof acht aannemelijk dat ten tijde van het onder 1 vermelde parkeren het betreffende voertuig op naam van belanghebbende in voormeld register was ingeschreven.

4. Uit de weergegeven gedeelten van artikel 2 en artikel 3, tweede lid, van de Verordening vloeit voort dat belanghebbende belastingplichtig is ter zake van het onder 1 bedoelde parkeren, aangezien de ter zake van dit parkeren nageheven belasting nog niet is voldaan. Belanghebbende voert als gronden van het beroep onder meer aan dat hij de gegevens die ten grondslag liggen aan de naheffingsaanslagen thans niet meer kan controleren. Voorts voert hij aan dat de belasting wordt geheven in strijd met de AWR en dat de belasting hierdoor door onbevoegden wordt geheven. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

5. Het Hof acht aannemelijk dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd door het aanbrengen van aanslagbiljetten onder de ruitenwisser van het onder 1 bedoelde voertuig. De identiteit van de belastingplichtige(n) was op dat tijdstip bij de parkeercontroleur niet bekend en is dan ook niet op de aanslagbiljetten vermeld. Kennelijk door raadpleging van het onder 3 bedoelde kentekenregister is verweerder ermee bekend geworden dat belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt. Verweerder diende hem vervolgens van het opgelegd zijn van de naheffingsaanslagen in kennis te stellen. Uit de onder 2 vermelde feiten leidt het Hof af dat belanghebbende pas in het tijdvak van 6 weken voor 10 maart 2001 van de naheffingsaanslagen kennis heeft kunnen nemen. In zijn brief aan het Hof van 8 oktober 2002 heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende reeds eerder met die aanslagen bekend moet zijn geweest.

6. Uit het onder 5 overwogene vloeit voort dat verweerder terecht ervan is uitgegaan dat belanghebbende ontvankelijk was in zijn bezwaar (Hoge Raad 14 juli 2000, nr. 34 578, BNB 2000/284). Tevens vloeit hieruit voort dat tussen het zich voordoen van de belastbare feiten en het daarvan in kennis stellen van belanghebbende meer dan 3 jaren zijn verstreken. Een redelijke toepassing van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen brengt mee, dat verweerder na het verstrijken van die termijn niet meer bevoegd was belanghebbende als belastingplichtige voor de nageheven parkeerbelasting aan te merken. Deze wetsbepaling berust immers mede op de gedachte dat belastingplichtigen binnen een redelijke termijn kennis moeten kunnen nemen van de door hen verschuldigde belasting. Met deze gedachte is niet verenigbaar dat, gelijk in het onderhavige geval, de kentekenhouder van een voertuig meer dan 3 jaren nadat zich ten aanzien van dat voertuig een belastbaar feit voor de parkeerbelastingen heeft voorgedaan, ervan in kennis wordt gesteld dat hij ter zake van dit feit belastingplichtig is.

7. Aan het hiervoor overwogene doet niet af dat belanghebbende de materiële juistheid van de naheffingsaanslagen niet heeft bestreden. Het beroep is derhalve gegrond. De uitspraak van verweerder en de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd.

Proceskosten

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het Hof geen termen aanwezig, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 31 januari 2003 door mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier is ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.