Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6415

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
02/5147
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam heeft het tarief van de OZB 2001 voor niet-woningen vastgesteld op 169% van het tarief voor woningen (art. 220f, vierde lid, van de Gemeentewet). Daarbij is een ‘tijdvakpercentage’ toegepast op basis van een verfijnde berekening met een ‘gewogen waardebegrip’. De wetgever heeft volgens het Hof een ruwere berekeningswijze voorgeschreven, op grond waarvan een nog groter tariefverschil had mogen worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van B.V. X te Z, belanghebbende,

tegen

het niet tijdig doen van een uitspraak door de Inspecteur der Gemeentebelastingen Amster-dam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 2 september 2002 (..).

Het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak door verweerder op het na-mens belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen drie op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen-eigenarenbelasting voor het jaar 2001.

Het beroep strekt tot vernietiging van de aanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot handhaving van de aansla-gen.

Op verzoek van belanghebbende is de zaak versneld behandeld.

(..)

Ter zitting (..)

2. De Verordening

De Verordening Onroerendezaakbelastingen 2001 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening), gepubliceerd in het Gemeenteblad 2000, afd. 3, volgnr. 133, luidt, voorzover thans van belang als volgt:

(…)

Belastingtarieven

Art.5

1. Voor elke volle ƒ 5000 van de heffingsmaatstaf bedraagt:

a voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen:

1° de gebruikersbelasting: ƒ 3,64;

2° de eigenarenbelasting: ƒ 4,54;

b voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen:

1° de gebruikersbelasting: ƒ 6,15;

2° de eigenarenbelasting: ƒ 7,66.

(…)

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2001 drie op één aanslagbiljet verenig-de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen-eigenarenbelasting 2001 opgelegd ter zake van een drietal woningen (..) te Amsterdam. Belanghebbende heeft op 9 juli 2001 pro forma be-zwaar aangetekend; het bezwaarschrift is op 10 juli 2001 door verweerder ontvangen. Het bezwaarschrift is aangevuld bij schrijven van 28 augustus 2001.

3.2. In haar bezwaarschrift verzocht belanghebbende de uitspraak conform artikel 241 van de Gemeentewet aan te houden tot de datum waarop de WOZ-beschikking inzake voormelde drie woningen, waartegen eveneens bezwaar is gemaakt, onherroepelijk vast zou staan.

Nader zijn belanghebbende en verweerder tot de conclusie gekomen dat artikel 241 van de Gemeentewet niet tot aanhouding behoefde te leiden omdat de in geschil zijnde feiten en om-standigheden niet van belang zijn voor de vaststelling van de waarde op de voet van de Wet waardering onroerende zaken.

Op het bezwaarschrift is geen uitspraak gedaan door verweerder.

3.3. Verweerder heeft de tarieven van de belasting voor niet-woningen op de voet van artikel 220f, vierde lid, van de Gemeentewet vastgesteld op (iets minder dan) 169 % van de tarieven voor woningen.

Bij de vaststelling van deze tarieven heeft verweerder het 'percentage terzake van het kalen-derjaar 2000' (artikel 220f, derde lid, onder f) berekend op 109,92. De juistheid van dit per-centage is niet in geschil.

3.4. Bij berekening van het 'tijdvakpercentage' (artikel 220f, derde lid, onder g, van de Ge-meentewet) heeft verweerder de waarde-index van woningen en niet-woningen vastgesteld aan de hand van een 'gewogen waardebegrip'. Daartoe heeft verweerder de 'totale waarde' en 'totale vastgestelde waarde' van woningen en niet-woningen in de zin van die bepaling geïn-terpreteerd als: 'de waarde waarmee geheven kan worden'. Die waarde is vastgesteld voor vier categorieën: gebruik woningen, gebruik niet-woningen, eigendom woningen en eigendom niet-woningen.

Uitgangspunt daarbij is het totaal van de WOZ-waarden, zoals die ten tijde van de vaststelling van het tarief was vastgesteld (voor het jaar 2000) onderscheidenlijk geraamd (voor het jaar 2001), aangeduid als het 'areaal'.

Dit 'areaal' is gecorrigeerd met een geschatte WOZ-waarde van objecten, waarvoor nog geen waarde was vastgesteld, en voorts met geschatte waarden van nieuwbouw, sloop, gedeeltelijke bebouwde objecten en onbebouwde objecten. Het 'areaal' is voorts gecorrigeerd voor be-standscorrecties (fouten in het bestand) en verwachte verminderingen van WOZ-waarden na bezwaar en/of beroep, een en ander naar op ervaringsgegevens gebaseerde schattingen. Deze berekeningen resulteren in een 'bruto areaal'.

Op dit 'bruto areaal' zijn vervolgens in mindering gebracht de WOZ-waarden van objecten die van heffing zijn vrijgesteld, bijvoorbeeld omdat hun waarde beneden de vrijstellingsgrens van ƒ 25.000 ligt of omdat zij ingevolge andere bepalingen dan die in artikel 220d van de Gemeentewet, ingevolge bepalingen in de Verordening of ingevolge gemeentelijk beleid van heffing zijn vrijgesteld (bijvoorbeeld kerken en basisscholen).

In de categorieën gebruik woningen en gebruik niet-woningen zijn voorts bedragen in minde-ring gebracht wegens leegstand.

De uitkomst van deze berekening wordt aangeduid als 'hefbaar areaal'.

Op het 'hefbaar areaal' zijn vervolgens verminderingen toegepast wegens 'heffingsverlies buffer' en wegens oninbaarheid: voor de categorieën gebruik woningen en niet-woningen ge-schat op 2% en voor de categorieën eigendom woningen en niet-woningen op 1%.

Ter berekening van het tijdvakpercentage zijn de aldus berekende uitkomsten voor de catego-rieën gebruik en eigendom vervolgens telkens samengeteld.

3.5. De onder 3.4. gehanteerde uitgangspunten leiden tot de navolgende berekening van het tijdvakpercentage:

waarde 2000 (x 1000) waarde 2001 (x 1000)

Woningen

gebruikers

eigenaren

totaal 40.520.885

42.612.021

83.132.906 93.953.405

98.621.768

192.575.173

Niet-woningen

gebruikers

eigenaren

totaal 27.414.487

29.670.000 (afgerond)

57.084.487 41.467.784

44.425.110

85.892.894

De waarde-index woningen (letter C in artikel 220f, derde lid, onder g, van de Gemeentewet; waarde 2001 : waarde 2000) is aldus berekend op 2,3165; de waarde-index niet-woningen (letter D) op 1,5047.

Het tijdvakpercentage bedraagt aldus:

109,92 (percentage 2000) x 2,3165/1,5047 = 169,22, naar beneden afgerond: 169.

Een verhoging met 10 procentpunten, waartoe artikel 220f, vierde lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid biedt, is niet toegepast.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of verweerder bij de vaststelling van de tarieven voor het jaar 2001 een onjuist tijdvakpercentage heeft gehanteerd en die tarieven daarom onverbindend zijn.

Voorts is in geschil of verweerder bij de vaststelling van het tarief voor eigenaren in strijd met artikel 219 van de Gemeentewet heeft gehandeld.

Tenslotte stelt belanghebbende dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door geen uitspraak te doen op het bezwaarschrift.

5. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

Kort en zakelijk samengevat hebben partijen daarin het volgende gesteld:

5.1. belanghebbende:

a. Verweerder heeft niet tijdig uitspraak gedaan op het bezwaar. Met die vertragingstactiek heeft verweerder getracht de schade van de onjuiste tariefvaststelling te beperken. Daarmee overtreedt verweerder artikel 3:3 Awb.

b. De door verweerder gehanteerde methode ter vaststelling van het tijdvakpercentage is in strijd met artikel 220f van de Gemeentewet. De gemanipuleerde totale waarden van woningen en niet-woningen voor gebruikers en eigenaren voor de jaren 2000 en 2001 zijn niet conform de wettelijke voorschriften berekend.

Uit elders in het kader van een lezingencyclus door verweerder gehanteerde cijfers volgen andere waarden voor het jaar 2000 dan verweerder bij de berekening van het tijdvakpercenta-ge heeft gehanteerd.

c. Bij de berekening van het tijdvakpercentage heeft verweerder voor de eigenaren hogere waarden gehanteerd dan voor gebruikers. Daardoor worden eigenaren zwaarder belast dan gebruikers, hetgeen in strijd is met artikel 219 van de Gemeentewet.

De conclusie luidt dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, welke de wetgever niet op het oog kan hebben gehad; de Verordening is derhalve onverbindend en de aanslagen moeten worden vernietigd.

5.2. verweerder:

Bij de vaststelling van de tarieven gaat de gemeente uit van de door haar gewenste opbrengst van de onroerendezaakbelastingen; daarom wordt het meest zuivere areaal berekend, namelijk dat waaruit reële belastingopbrengsten te verwachten zijn. Die zelfde techniek is ook gehan-teerd voor de berekening van het tijdvakpercentage. Daarbij is uitgegaan van cijfermateriaal uit het najaar van 2000.

Door de consequente toepassing van het door de gemeente gehanteerde waardebegrip in alle elementen van de berekening wordt een tijdvakpercentage verkregen dat geheel en precies in de lijn ligt met hetgeen met de wettelijke rekenregels is beoogd.

Als een grovere berekening aan de hand van het totale WOZ-areaal zou zijn toegepast, komt het tijdvakpercentage hoger uit. Het tijdvakpercentage blijft in ieder geval binnen de extra marge van tien extra procentpunten die de Gemeentewet biedt.

5.3. Ter zitting is daaraan toegevoegd:

5.3.1. namens belanghebbende:

Ik heb mijn berekeningen gebaseerd op de cijfers die ik had. Ik erken dat die cijfers voor de niet-woningen leiden tot een stijging van de WOZ-waarden tussen 1992 en 1999 van meer dan 300%, wat niet zonder meer voor de hand ligt. De bewijslast ligt echter op de gemeente.

Ik bestrijd niet dat het 'areaal', de bovenste regel in de gemeentelijke becijferingen, juist is.

De door de gemeente toegepaste berekeningsmethode is echter in strijd met de Gemeentewet en ik handhaaf mijn conclusie.

Ik ga ermee akkoord dat verweerder nadere gegevens inzake de 'objectvrijstellingen' verstrekt en zal daarop binnen twee weken reageren. Van een nieuwe mondelinge behandeling nadien zie ik af.

5.3.2. door verweerder:

Dat de uitspraak niet tijdig is gedaan, wordt betreurd en is te wijten aan de grote tijdsdruk die door de behandeling van vele WOZ-procedures is ontstaan. Van gesjoemel of gemanipuleer is geen sprake.

Bij de berekening van het tijdvakpercentage is het WOZ-areaal het vertrekpunt. Daarop zijn in mindering gebracht de 'objecten zonder waarde', dat zijn objecten waarvoor nog een WOZ-waarde moet worden vastgesteld. Hun waarde is geschat naar de gemiddelde waarde van alle WOZ-objecten. Vervolgens zijn geschatte bedragen wegens te verwachten mutaties als gevolg van nieuwbouw, sloop, gedeeltelijk bebouwde objecten en onbebouwde objecten aangebracht, alsmede bestandscorrecties als gevolg van fouten in de gemeentelijke administratie en ver-wachte verminderingen van WOZ-waarden na bezwaar en/of beroep. De schattingen zijn ge-baseerd op ervaringsgegevens.

Er is nog een 'heffingsverlies buffer' in mindering gebracht omdat het aantal bezwaarschriften nog onzeker was.

De bedragen die in mindering zijn gebracht wegens 'objectvrijstellingen' betreffen niet de vrijstellingen van artikel 220d van de Gemeentewet: die zijn al verwerkt in de waarden vol-gens het WOZ-areaal; deze objectvrijstellingen betreffen onroerende zaken die elders in de Gemeentewet en in de Verordening zijn opgenomen. Een nadere toelichting dienaangaande zal binnen twee weken worden verstrekt. Van een nieuwe mondelinge behandeling daarna wordt afgezien.

6. Beoordeling van het geschil

6.1.1. Nu tussen partijen vaststaat dat het bezwaar van belanghebbende geen betrekking heeft op feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de vaststelling van de WOZ-waarde, blijft artikel 241 van de Gemeentewet buiten toepassing en was verweerder gehouden om bin-nen de in artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijn van één jaar uitspraak te doen op het bezwaarschrift. Nu zulks niet is geschied is belanghebbende gelet op artikel 6:12 Awb ontvankelijk in haar beroep.

6.1.2. De klacht van belanghebbende dat verweerder door geen uitspraak te doen op ongeoor-loofde wijze een vertragingstactiek heeft toegepast kan, wat daar ook van zij, niet leiden tot vernietiging van de onderwerpelijke aanslagen.

Het vérstrekkende belang van de grieven van belanghebbende heeft het Hof wel aanleiding gegeven tegemoet te komen aan haar wens tot versnelde behandeling van deze zaak.

6.2.1. Voor de berekening van het tijdvakpercentage moet ingevolge artikel 220f, derde lid, onder g, van de Gemeentewet worden uitgegaan van enerzijds de totale vastgestelde waarde van woningen onderscheidenlijk niet-woningen ter zake van het kalenderjaar 2000, zoals die bekend is ten tijde van het vaststellen van de belastingverordening ter zake van het kalender-jaar 2001, en anderzijds van de totale waarde van woningen onderscheidenlijk niet-woningen ter zake van het jaar 2001, zoals geraamd ten tijde van het vaststellen van de belastingveror-dening ter zake van het kalenderjaar 2001.

6.2.2. Onder de 'vastgestelde waarde' (ter zake van het kalenderjaar 2000) dient daarbij inge-volge artikel 220f, derde lid, onder d, van de Gemeentewet te worden verstaan: de heffings-maatstaf, bedoeld in de artikelen 220c en 220d, eerste tot en met derde lid.

Onder de 'waarde' (ter zake van het kalenderjaar 2001) dient ingevolge letter e van voormelde bepaling te worden verstaan: de heffingsmaatstaf, bedoeld in artikel 220d, vierde lid.

In de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 27 246, nr. 3, blz. 7) is dienaangaande opgemerkt: 'In verband met de praktische uitvoerbaarheid van de rekenregel is ervoor gekozen om bij het bepalen van de totale waarde voor 2000 en 2001 voor de catego-rie woningen en niet-woningen, geen onderscheid te maken naar een prijscomponent (prijs-stijging tussen twee waardepeildata) en een volumecomponent (bijvoorbeeld nieuwe objecten die in 2000 worden opgeleverd of objecten die worden verbouwd of gesloopt). Gemeenten kunnen op grond van hun belastingadministratie een dergelijk nauwkeurig onderscheid niet altijd maken ten tijde van het vaststellen van de belastingverordening. In het algemeen zal de hiermee geïntroduceerde onnauwkeurigheid beperkt zijn.' en (blz. 8) 'Bij het bepalen van de totale vastgestelde waarde ter zake van het kalenderjaar 2000 dient uitgegaan te worden van de voor de OZB bij WOZ-beschikking vastgestelde waarden ten tijde van het vaststellen van de belastingverordening voor het jaar 2001.'

6.3.1. Bij de vaststelling van het tijdvakpercentage is de gemeente voor het jaar 2000 uitge-gaan van een 'Actualisatie 2000'. Volgens dit overzicht bedroeg het 'areaal', dat is het totaal van de voor de WOZ-beschikkingen vastgestelde waarde (telkens: x 1.000), voor de categorie 'eigendom woningen' ƒ 42.826.291 en voor de categorie 'eigendom niet-woningen' ƒ 30.847.887. Deze waarden waren vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 1992 (wetsfictiegemeente).

Voor de categorieën 'gebruik woningen' en 'gebruik niet-woningen' was het totaal van de vastgestelde WOZ-waarden telkens iets lager, namelijk ƒ 42.817.914 onderscheidenlijk ƒ 30.846.604, zulks als gevolg van de omstandigheid dat in een aantal gevallen wel het WOZ-object en de daarvoor vastgestelde WOZ-waarde bekend was, maar (nog) geen gebruiker was getraceerd.

Het Hof heeft geen reden aan de juistheid van voormelde cijfers te twijfelen.

Volgens bovenvermelde passage uit de memorie van toelichting heeft de wetgever er uit een oogpunt van praktische uitvoerbaarheid kennelijk voor gekozen dat deze cijfers van het totale 'areaal' als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van het tijdvakpercentage en worden aangemerkt als 'totale waarde' in de zin van artikel 220f, derde lid, onderdeel g, van de Gemeentewet. Daarbij ligt het voor de hand om uit te gaan van de (iets hogere) waarde die voor de eigendommen zijn vastgesteld en geen rekening te houden met de omstandigheid dat voor een (klein) deel van die eigendommen nog geen gebruiker is getraceerd.

6.3.2. De gemeente heeft voor de berekening van het tijdvakpercentage correcties toegepast op het totale areaal, zoals weergegeven onder 3.4., teneinde een 'hefbaar areaal' te berekenen. Kennelijk was de gemeente Amsterdam wel in staat om rekening te houden met een volume-component. Een dergelijke verfijning heeft de wetgever blijkens zijn toelichting echter niet voor ogen gestaan. Op de onderlinge verhouding tussen de totale in aanmerking te nemen waarden van woningen en niet-woningen heeft die verfijning ook slechts een beperkte in-vloed, zoals de wetgever terecht heeft verondersteld.

6.3.3. De eigen berekening van belanghebbende van de waarde van woningen en niet-woningen voor het jaar 2000, ontleend aan tijdens een lezingencyclus gepresenteerde aantal-len objecten en gemiddelde waarden per object, vermag aan de juistheid van de onder 6.2.3. vermelde cijfers geen afbreuk te doen, zulks temeer nu belanghebbende ter zitting heeft ver-klaard de juistheid van het 'areaal' niet te bestrijden.

6.4.1. Voor de vaststelling van het 'areaal' voor het jaar 2001 is de gemeente uitgegaan van de cijfers volgens de begroting 2001, zoals die ten tijde van de vaststelling van het tarief voor dat jaar bekend waren. Het totale 'areaal' voor de categorieën woningen onderscheidenlijk niet-woningen (zowel voor gebruikers als voor eigenaren) is daarbij begroot op ƒ 102.919.731 (x 1.000) onderscheidenlijk ƒ 47.008.080 (x 1.000), een en ander volgens een areaalopgave van de afdeling Vastgoed en vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 1999.

Het Hof heeft geen reden aan de juistheid van deze begrote cijfers te twijfelen. Ook belang-hebbende is er in haar berekeningen van uitgegaan en heeft ter zitting verklaard deze cijfers niet te betwisten.

6.4.2. De vraag komt op of voor de totale waarde van woningen en niet-woningen ter zake van het kalenderjaar 2001, zoals deze moeten worden geraamd ten tijde van het vaststellen van de verordening voor het jaar 2001, wel met verfijningen als door de gemeente toegepast rekening zou moeten worden gehouden. Het gaat hier immers niet om de vastgestelde totale waarde, maar om een raming van de nog bij WOZ-beschikkingen vast te stellen waarde.

In voormeld citaat uit de memorie van toelichting spreekt de wetgever evenwel uit dat een volumecomponent zowel voor 2000 als voor 2001 buiten aanmerking blijft.

Ook strookt het met het uitgangspunt van artikel 220f van de Gemeentewet, te weten het kop-pelen van de tariefdifferentiatie aan de feitelijke waardeontwikkeling van woningen en niet-woningen in een gemeente, om voor het jaar 2000 onderscheidenlijk 2001 zoveel mogelijk van dezelfde uitgangspunten uit te gaan.

6.5. De gemeente heeft haar berekening van het tijdvakpercentage verder verfijnd door niet alleen het totale WOZ-areaal te verfijnen tot een 'hefbaar areaal', maar daarop vervolgens ook nog verwachte heffingsverliezen in mindering te brengen. Een dergelijke verfijning is echter niet opgenomen in de in artikel 220f van de Gemeentewet voorgeschreven berekeningswijze.

De wijze waarop de gemeente daarbij rekening heeft gehouden met 'objectvrijstellingen', door belanghebbende bestreden in haar brief van 31 december 2002, behoeft dan ook geen behandeling.

6.6. Het vorenstaande leidt ertoe dat de gemeente het tijdvakpercentage ingevolge de in artikel 220f van de Gemeentewet voorgeschreven berekeningswijze als volgt had dienen te bereke-nen:

- C = geraamde waarde woningen 2001 : totale waarde woningen 2000 = 102.919.731 : 42.826.291 = 2,403190;

- D = geraamde waarde niet-woningen 2001 : totale waarde niet-woningen 2000 = 47.008.080 : 30.847.887 = 1,523867;

- C : D = (2,403190 : 1,523867 =) 1, 5770339, welke uitkomst moet worden vermenigvuldigd met het percentage terzake van het kalenderjaar 2000 = 109,92, hetwelk als uitkomst geeft: 173,34756.

6.7. Het tarief voor de belasting voor niet-woningen mocht ingevolge artikel 220f, vierde lid, van de Gemeentewet derhalve (173,34756 % + 10 % = ) 183,34756 % hoger worden vastge-steld dan het tarief voor woningen.

Nu de tarieven voor niet-woningen volgens de Verordening minder dan 169 % hoger zijn dan die voor woningen, is de gemeente bij het vaststellen van de tarieven gebleven binnen de door de Gemeentewet toegestane marge.

6.8. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de gemeente de eigenaren zwaarder belast dan gebruikers en dientengevolge in strijd met artikel 219 van de Gemeentewet handelt.

Die stelling wordt door het Hof verworpen. Het tarief voor eigenaren (ƒ 4,54 voor woningen en ƒ 7,66 voor niet-woningen) is minder dan 125 % hoger dan dat voor gebruikers (ƒ 3,64 voor woningen en ƒ 6,15 voor niet-woningen) en blijft daarmee binnen de in artikel 220g van de Gemeentewet voorgeschreven grens van 125 %.

Nu deze tarieven worden toegepast op elke volle ƒ 5.000 van de heffingsmaatstaf, die voor eigenaren en gebruikers gelijk is, valt niet in te zien dat hier sprake is van een door de Ge-meentewetgever verboden belastingheffing van eigenaren omdat deze afhankelijk is gesteld van het vermogen.

6.9. De slotsom luidt dat de tarieven voor de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2001 niet onverbindend zijn. De in geding zijnde aanslagen blijven daarom in stand.

7. Proceskosten en griffierecht

Nu belanghebbende in het ongelijk is gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

In de omstandigheid dat verweerder niet tijdig uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift en pas in het verweerschrift zijn standpunt gemotiveerd heeft uiteengezet, vindt het Hof aanlei-ding teruggaaf van het griffierecht te gelasten.

8. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep ongegrond;

- gelast de gemeente Amsterdam het betaalde griffierecht ad € 218 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 24 januari 2003 door mrs. Schaap, Steenbergen en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum in het open-baar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechts-hof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.