Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
02/1375 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de eigenaren en gebruikers van ten minste tien van de vijftien woonboten aan een bepaalde straat zijn geen aanslagen opgelegd in de roerenderuimtebelasting. Het gelijkheidsbeginsel brengt dan mee dat aan de eigenaren en gebruikers van de andere woonboten ook geen aanslagen mogen worden opgelegd. Dat een meerderheid van de eigenaren en gebruikers van woonboten in de gehele gemeente wel een aanslag heeft gekregen, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/571
FutD 2003-0620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achttiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen twee uitspraken van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder, gedagtekend 6 februari 2002, betreffende aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (gebruikersbelasting onderscheidenlijk eigenarenbelasting) voor het jaar 2000. Het beroep is behandeld ter zitting van 19 februari 2003. Beslissing Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken;

- vernietigt de aanslagen; en

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de woonboot 'A', gelegen aan de a-straat te Z. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2000, net als voor de jaren 1997, 1998 en 1999, aanslagen opgelegd in de in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Eigenarenbelasting en Gebruikersbelasting. Niet in geschil is dat deze aanslagen zijn opgelegd in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Gemeentewet en de toepasselijke gemeentelijke verordening.

2. Belanghebbende stelt dat hij de eigenaren en gebruikers van veertien andere woonboten aan de A-straat heeft benaderd en dat aan de eigenaren en gebruikers van elf van die woonboten nimmer een aanslag in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten is opgelegd, terwijl zij daarvoor wel belastingplichtig waren en zijn. Verweerder betwist dat aan de eigenaar en gebruiker van de 'B' geen aanslag in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten is opgelegd. Voor het overige heeft verweerder niet gesteld dat aan anderen dan belanghebbende en de door belanghebbende bedoelde drie andere eigenaren en gebruikers van woonboten aan de A-straat aanslagen zijn opgelegd in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten. Verweerder heeft niet weersproken dat de overige door belanghebbende genoemde eigenaren en gebruikers belastingplichtig waren en zijn voor de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten.

3. Verweerder heeft ter zitting verzocht de zaak aan te houden en hem in de gelegenheid te worden gesteld een nader onderzoek in te stellen. Het Hof heeft dat verzoek afgewezen, nu aan verweerder al geruime tijd (in elk geval vanaf november 2001, toen het bezwaarschrift werd ingediend) bekend was dat belanghebbende stelde dat vele eigenaren en gebruikers van woonboten aan de A-straat geen aanslag hadden ontvangen en verweerder naar 's Hofs oordeel voldoende gelegenheid heeft gehad een dergelijk onderzoek in te stellen. Ook heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen. Dat belanghebbende de desbetreffende eigenaren en gebruikers niet eerder met naam en toenaam heeft genoemd, doet daaraan niet af.

4. Het Hof acht aannemelijk dan aan een meerderheid van de eigenaren en gebruikers van woonboten aan de A-straat te Z ten onrechte geen aanslag is opgelegd in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten.

5.1. Belanghebbende stelt dat de vijftien eigenaren en gebruikers van woonboten aan de A-straat vergelijkbare gevallen zijn, dat aan een meerderheid van hen geen aanslag in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten is opgelegd en dat de op het gelijkheidsbeginsel gebaseerde meerderheidsregel meebrengt dat dan ook aan hem geen aanslag mag worden opgelegd.

5.2. Verweerder stelt daartegenover dat niet alleen de eigenaren en gebruikers van woonboten aan de A-straat in de beschouwing moeten worden betrokken, maar dat alle eigenaren en gebruikers van woonboten in Amsterdam een groep van vergelijkbare gevallen vormen en dat een meerderheid van hen wel in de heffing is betrokken, zodat het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel faalt.

5.3. Uit de omstandigheid dat aan een grote meerderheid (tien of elf) van de eigenaren en gebruikers van de vijftien woonboten aan de A-straat ten onrechte geen aanslag in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten is opgelegd, leidt het Hof af dat verweerder ten aanzien van de hier bedoelde tien of elf woonboten een niet-incidentele fout heeft gemaakt, die eruit bestaat dat ten onrechte geen aanslag is opgelegd. Dit is ook een niet-incidentele fout, omdat - naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld - aan de hier bedoelde tien of elf eigenaren en gebruikers van woonboten sinds de invoering van de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten nog nimmer een aanslag in die belastingen is opgelegd. Naar het oordeel van het Hof brengt het gelijkheidsbeginsel mee dat onder deze omstandigheden ook aan belanghebbende geen aanslag mag worden opgelegd. Daaraan doet niet af de door verweerder gestelde omstandigheid dat aan een meerderheid van de eigenaren en gebruikers van woonboten in Amsterdam wel aanslagen in de Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten zijn opgelegd.

Proceskosten Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

De uitspraak is gedaan op 5 maart 2003 door mr. Van de Merwe, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.