Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6353

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
00/03188
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV3053
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verontreinigingsheffing. Tabel afvalwatercoëfficiënten. Producent van fritessauzen e.d. Toepassing van rubriek 35*B (snackbedrijven) leidt tot onredelijke en willekeurige heffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0602
Milieurecht Totaal 2003/4942
Belastingblad 2003/933

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op de beroepen van X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

drie uitspraken van de ambtenaar belast met de heffing van de "Gemeenschappelijke Regeling Dienst Centrale Omslagheffing Waterschappen" (hierna: D.C.O.) te P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 september 2000, ingediend door A als gemachtigde van belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld bij schrijven van gemachtigde van 7 november 2000.

De beroepen zijn gericht tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van verweerder, gedagtekend 28 juli 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de verontreinigingsheffing voor de jaren 1996, 1997 en 1998 (hierna ook: de aanslagen 1996, 1997 respectievelijk 1998).

Na bezwaar tegen de aanslagen heeft verweerder verenigd in één geschrift uitspraak op bezwaar gedaan. De aanslagen zijn bij de bestreden uitspraken gehandhaafd.

De beroepen strekken tot vernietiging van de uitspraken van verweerder en uiteindelijk tot vaststellen van de aanslagen tot bedragen van ƒ 4.850 voor het jaar 1996, ƒ 5.210 voor het jaar 1997 en ƒ 6.080 voor het jaar 1998, subsidiair tot bedragen van ƒ 8.757 voor het jaar 1996, ƒ 9.450 voor het jaar 1997 en ƒ 11.000 voor het jaar 1998 en meer subsidiair tot het door het Hof in goede justitie vaststellen van de hoogte van de aanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraken.

Ter zitting van 23 augustus 2002 zijn verschenen A en B, beiden als gemachtigde van belanghebbende, C en D van X, alsmede E en F namens verweerder.

De gemachtigden van partijen hebben elk het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Verweerder heeft zijn pleitnota, met bijlagen, circa twee weken vóór de zitting toegezonden, ook aan de gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting producties overgelegd, waarvan verweerder kennis heeft kunnen nemen en waarover hij zich heeft kunnen uitlaten. De pleitaantekeningen en de producties zijn bij de gedingstukken gevoegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In zijn openbare vergadering van 4 oktober 1995 heeft het college van hoofdingelanden van het hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier (hierna: het hoogheemraadschap) vastgesteld de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer 1996 (hierna: de Verordening 1996). Deze Verordening 1996 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1

Ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren worden heffingen, bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, als directe belastingen ingesteld onder de naam verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, hierna ook te noemen: de heffing.

Artikel 2

1 . In deze verordening wordt verstaan onder:

c. afvalstoffen: de stoffen bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

d. vervuilingswaarde: het aantal vervuilingseenheden en/of zouteenheden dat als maatstaf dient voor de berekening van de aanslag in de heffing;

e. vervuilingseenheid:

1 . voor zuurstofbindende stoffen: een inwoner-equivalent, vertegenwoordigende het verbruik van 136 gram zuurstof per etmaal;

Artikel 3

Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:

...

Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten.

Artikel 4

1. Aan de heffing is, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, onderworpen degene die afvalstoffen direct of indirect brengt in een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk.

4. Degene die het gebruik heeft van een bedrijfsruimte is heffingsplichtig voor de daaruit of daarvan afgevoerde afvalstoffen in het heffingsjaar.

Artikel 5

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6

1. Voor de heffing geldt als maatstaf:

a. voor zuurstofbindende stoffen: de gemiddelde belasting per etmaal met die stoffen van een oppervlaktewater of een zuiveringstechnisch werk, uitgedrukt in vervuilingseenheden en bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen;

Artikel 8

1. De vervuilingswaarde van een … bedrijfsruimte, wordt berekend met behulp van door meting en bemonstering verkregen gegevens, zulks met inachtneming van de in bijlage I van deze verordening opgenomen voorschriften.

2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde vervuilingswaarde geschieden meting en bemonstering ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in het derde lid.

3. Op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting en bemonstering in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, beslist het college van dijkgraaf en hoofdingelanden dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in het tweede lid. Het besluit op de aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 9

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 8 kan - voorzover het zuurstofbindende stoffen betreft - de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten worden berekend met toepassing van de in bijlage II van deze verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien:

a. toepassing van die tabel niet leidt tot een vervuilingswaarde van meer dan 1.000 vervuilingseenheden dan wel - voorzover het in de tabel door middel van een voetnoot vermelde bedrijven of onderdelen daarvan betreft - niet leidt tot een vervuilingswaarde van meer dan 100 vervuilingseenheden, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, en

b. berekening op de voet van artikel 8 niet zal leiden tot een vervuilingswaarde die zowel ten minste 25% als ten minste 125 vervuilingseenheden hoger uitkomt dan bij berekening met toepassing van die tabel.

2. Indien aannemelijk wordt gemaakt dat berekening van de vervuilingswaarde met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 8, beslist het college van dijkgraaf en hoofdingelanden op aanvraag van de heffingplichtige dat de vervuilingswaarde wordt berekend met toepassing van de tabel.

Artikel 13

Het tarief per vervuilingseenheid bedraagt f 89,--.

Artikel 15

De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.

Artikel 20

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 1996."

2.2. Bijlage II bij de Verordening 1996 luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Tabel afvalwatercoëfficiënten

1 2 3 4

Nr. Bedrijf Eenheid, waarop de in kolom 4 vermelde afvalwatercoëfficiënt betrekking heeft Afvalwater

coëfficiënt

35.* A. Vleeswarenbedrijven:

B. Snackbedrijven

(produktie van bijv. fricandel, hamburger, kroket, loempia, bami, soepen, sauzen, salades kant-en-klaar maaltijden)

1.000 kg gefabriceerd produkt, inclusief toevoegingen zoals sauzen, opgiet, etc. …

0,45

44. De niet in deze tabel vermelde bedrijven (3) 1 m3 gebruikt water 0,023

45.(4) Afvalwater afkomstig van de persoonlijke verzorging van werknemers van bedrijven of bedrijfsonderdelen die in deze tabel met een * zijn aangeduid.

Indien een aparte watermeter ontbreekt om deze hoeveelheid vast te stellen. 1 m3 gebruikt water

100 mandagen … 0,023

0,11

3) Voor deze bedrijven geldt de in artikel 9, eerste lid onder a. van de verordening voorziene beperking, dat de berekening met toepassing van de tabel slechts kan geschieden indien dit niet leidt tot een vervuilingswaarde van meer dan 100 vervuilingseenheden.

4) Coëfficiënt 45 wordt gebruikt om de vervuilingswaarde vast te stellen die wordt veroorzaakt door de persoonlijke verzorging van personeelsleden, in aanvulling op de procesmatige vervuilingswaarde van de met een * aangeduide bedrijven of bedrijfsonderdelen.

In de coëfficiënten die niet van een * zijn voorzien is het afvalwater dat afkomstig is van de persoonlijke verzorging van de werknemers reeds in de coëfficiënt begrepen."

2.3. In zijn openbare vergadering van 11 december 1996 heeft het college van hoofdingelanden van het hoogheemraadschap vastgesteld de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer 1997 (hierna: de Verordening 1997). Afgezien van enkele vernummeringen en enkele niet wezenlijke tekstverschillen is de Verordening 1997 gelijkluidend aan de hiervóór opgenomen tekst van de Verordening 1996. Op grond van artikel 16 van de Verordening 1997 bedraagt het tarief ƒ 100 per vervuilingseenheid. De bij de Verordening 1997 behorende bijlage II (tabel afvalwatercoëfficiënten) is, voor zover van belang, gelijkluidend aan de bij de Verordening 1996 behorende bijlage II.

2.4. In zijn openbare vergadering van 10 december 1997 heeft het college van hoofdingelanden van het hoogheemraadschap vastgesteld de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer 1998 (hierna: de Verordening 1998). Ook de Verordening 1998 wijkt niet wezenlijk af van de Verordening 1996. Op grond van artikel 16 van de Verordening 1998 bedraagt het tarief ƒ 100 per vervuilingseenheid. De bij de Verordening 1998 behorende bijlage II (tabel afvalwatercoëfficiënten) is, voor zover van belang, gelijkluidend aan de bij de Verordening 1996 behorende bijlage II.

2.5. Met betrekking tot de totstandkoming van de in bijlage II (tabel afvalwatercoëfficiënten) opgenomen post 35*B (hierna: tabelpost 35*B) is in het eindrapport uit januari 1977 van de subgroep "Kleine kokswaren" van de Werkgroep Afvalwatercoefficiënten en de daarbij behorende bijlage D het volgende opgenomen:

" Inleiding

Op 1 augustus 1974 werd door de werkgroep "Afvalwatercoëfficiënten" ... de subgroep "Kleine Kokswaren" gevormd.

Het doel was zo snel mogelijk geadviseerd te worden over een aantal nieuw in te voeren afvalwatercoëfficiënten voor een groep van bedrijven in de sfeer van de voedingsmiddelenindustrie.

Dit rapport geeft een overzicht van de verzamelde gegevens en de voorstellen van afvalwatercoëfficiënten die daaruit zijn gekozen.

Omdat een groot aantal industrietakken in de sfeer van de voedingsmiddelenindustrie bekeken zijn, is de volgende groepenindeling gemaakt:

groep 4 Snacks-bedrijven (bijlage D)

Samengevat kunnen de voorstellen tot nieuwe afvalwatercoëfficiënten als volgt worden weergegeven:

- Snacks-bedrijven en maaltijd-producenten:

a. vleeswarensnacks (o.a. fricandel, gehakt, saté, hamburger etc.):

zie vleeswarenindustrie

b. vleesbevattende snacks en aanverwante artikelen (o.a. vleeskroket, aardappelkroket, bami, ragoût, loempia etc.):

0,5 ie/ton eindproduct/jaar

c. salades en maaltijden (o.a. salades, kant en klaar maaltijden, soepen, rijst etc.):

0,5 ie/ton eindproduct/jaar

Bijlage D

Groep 4: Snacks bedrijven

De snacks bedrijven zijn opgesplitst in bedrijven die of vleeswaren snacks (a) of vleesbevattende snacks (b) produceren. Enkele, meest grotere bedrijven produceren beide soorten snacks (a/b). Van totaal 8 bedrijven zijn de onderzoekresultaten in de tabel samengevat. Uit deze onderzoekresultaten kan slechts een globaal inzicht worden verkregen in het verband tussen productie en vervuilingswaarde.

a. Vleeswaren snacks

Onder vleeswaren snacks wordt verstaan fricandel, gehakt, saté, hamburger, etc. De bedrijven welke producten uit deze reeks fabriceren zijn ook genoemd onder de groep "slachterijen en vleeswarenbedrijven". …

b. Vleesbevattende snacks

Onder de vleesbevattende snacks wordt begrepen kroket, bami, nasi, ragoût, loempia, bitterballen en producten welke tot deze groep gerekend kunnen worden maar geen vleeswaar behoeven te bevatten.

a/b. Gemengde productie

Voor bedrijven met een gemengde productie werd gemiddeld een wat hogere coëfficiënt gevonden, hetgeen verklaard kan worden door de ervaring dat hogere coëfficiënten worden berekend bij bedrijven met een groter productie-assortiment. Voor de eenduidigheid acht de subgroep het echter wenselijk geen afzonderlijke coëfficiënt voor te stellen. Daarboven betreffen dit, zoals al eerder opgemerkt grotere bedrijven welke mede in verband met getroffen saneringsmaatregelen voor meting in aanmerking zullen komen.

De Subgroep "Kleine Kokswaren""

2.6. Belanghebbende is producent van sauzen. Belanghebbende produceert voornamelijk fritessaus. Dit product wordt voor 25 tot 35% aangemaakt met olie. Daarnaast produceert belanghebbende mayonaise (op basis van 70 tot 80% olie), basissauzen (op basis van 50% olie) en zogenoemde bruin/rode sauzen zoals tomatenketchup en curry. Belanghebbende betrekt tevens eetbare oliën van andere bedrijven, pakt deze oliën om en verhandelt deze. De sauzen worden met behulp van verhitting en afkoeling geproduceerd. In de kokerij worden de basisingrediënten van de saus verhit. Daarna volgt, na afkoeling en toevoeging van enkele andere ingrediënten, het in elkaar draaien van de saus. Na verdere afkoeling wordt de saus verpakt. Tijdens het productieproces wordt geen spoelwater gebruikt en wordt geen afvalwater geloosd. Er wordt tijdens het productieproces water aan het product toegevoegd. De koelketels worden elke vrijdag uitgeschraapt en gereinigd met koud water en reinigingsmiddel. Op zaterdag wordt ter desinfectie kokend water in de ketels en het leidingwerk gebracht. Na afkoeling wordt dit water geloosd op het hemelwaterriool.

De sausproductie had in de onderhavige jaren de volgende omvang:

Jaar Sausproductie (x 1.000 kg)

1996 2.100

1997 2.100

1998 3.200

1999 4.000

2.7. Het waterverbruik had in de onderhavige jaren de volgende omvang:

Jaar Waterverbruik in m3

1996 2.370

1997 2.266

1998 2.645

1999 2.700

2.8. Met dagtekening 30 april 1997 is een aangiftebiljet verontreinigingsheffing 1996 aan belanghebbende gezonden. Het aangiftebiljet 1996 is op 3 juli 1997 ingevuld binnengekomen bij verweerder.

Met dagtekening 30 april 1998 is een aangiftebiljet verontreinigingsheffing 1997 aan belanghebbende gezonden. Het aangiftebiljet 1997 is op 12 mei 1998 ingevuld binnengekomen bij verweerder.

Met dagtekening 30 april 1999 is een aangiftebiljet verontreinigingsheffing 1998 aan belanghebbende gezonden. Na verleend uitstel tot 1 november 1999 en het versturen van een aanmaning op 5 november 1999 is het aangiftebiljet 1998 op 24 november 1999 ingevuld binnengekomen bij verweerder.

2.9. Aan belanghebbende zijn door D.C.O. de volgende aanslagen in de verontreinigingsheffing opgelegd (de afkorting v.e. staat voor vervuilingseenheden):

Dagtekening Nummer Jaar Aantal v.e. Tarief/v.e. Bedrag aanslag

31-12-1999 04.6.01.5850532.6 1996 726 ƒ 89 ƒ 64.614

29-02-2000 04.7.01.5850532.6 1997 502 ƒ 100 ƒ 50.200

29-02-2000 04.8.01.5850532.6 1998 410 ƒ 100 ƒ 42.000

In de aanslag 1998 is een verzuimboete van ƒ 1.000 begrepen wegens het te laat doen van aangifte.

2.10. Met dagtekening 16 september 1999 is door de ambtenaar belast met de heffing van het hoogheemraadschap een beschikking afgegeven op basis van artikel 9 van de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer 1999 (hierna: de meetbeschikking). Deze meetbeschikking luidt, voor zover van belang, als volgt:

"De ambtenaar … beschikt hierbij op het … gedane verzoek, de vervuilingswaarde van het afvalwater, afkomstig van X B.V. … te berekenen met gegevens, die met behulp van meting en bemonstering in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen.

Deze meetbeschikking geldt voor het heffingsjaren 1996, 1997, 1998 en 1999. Voor het heffingsjaar 2000 dient een nieuwe meetbeschikking te worden aangevraagd.

a. Vaststellen vervuilingswaarde 1999

b. Vaststellen van de vervuilingswaarde voor de jaren 1996, 1997 en 1998

De verontreinigingsheffing voor de jaren 1996 tot en met 1998 wordt gebaseerd op de meet- en bemonsteringsperiode van het jaar 1999. De over 1999 verkregen gegevens worden op de volgende wijze gebruikt voor de vaststelling van de vervuilingswaarden voor de jaren 1996, 1997 en 1998:

· Voor het jaar 1998 wordt de aanslag berekend met 75% op basis van de meet- en bemonsteringsresultaten van de eerste meetperiode van 1999 en 25% van de aanslag volgens de tabel (rubriek 35BA),

· Voor het jaar 1997 wordt de aanslag berekend met 50% op basis van de meet- en bemonsteringsresultaten van de eerste meetperiode van 1999 en 50% van de aanslag volgens de tabel (rubriek 35BA),

· Voor het jaar 1996 wordt de aanslag berekend met 25% op basis van de meet- en bemonsteringsresultaten van de eerste meetperiode van 1999 en 75% van de aanslag volgens de tabel (rubriek 35BA).

Deze voor bezwaar vatbare beschikking geldt voor het heffingsjaar 1996, 1997, 1998 en 1999.

…"

2.11. Belanghebbende heeft medio 1999 aan de westkant van het bedrijf een extra reinigingsfase van het afvalwater ingelast tussen de sinds 1992 gebruikte vetafscheider (merk Segregol) en de uitstroom naar het gemeentelijke riool. In deze nieuwe reinigingsfase wordt het effluent van de Segregol-vetafscheider eerst door een gravitatietank vetafscheider geloodst en daarna door een Daf-installatie, die het water zuivert voordat het op het gemeentelijke riool wordt geloosd.

2.12. In de periode 8 tot en met 15 november 1999 is er door de firma CONEX een meetweek gehouden bij belanghebbende. Aan de hand van de in deze week gegenereerde meet- en bemonsteringsgegevens zijn voorlopige aanslagen voor de jaren 1999 en 2000 opgelegd naar een grondslag van 60 vervuilingseenheden.

3. Geschil

Tussen partijen is uiteindelijk in geschil welke rubriek uit de bij de Verordening behorende tabel afvalwatercoëfficiënten van toepassing is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat rubriek 35*B dient te worden toegepast. Belanghebbende stelt zich op het primaire standpunt dat rubriek 44 van toepassing is. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de aanslagen dienen te worden berekend naar een door het Hof in goede justitie vastgesteld aantal vervuilingseenheden.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de desbetreffende gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht als volgt.

Namens belanghebbende is verklaard:

Op de vraag van de voorzitter of het mogelijk is om tot een compromis te komen antwoord ik dat in het verleden ook al geprobeerd is om tot overeenstemming te komen met verweerder. Wij hebben toen echter geen overeenstemming kunnen bereiken.

Verweerder stelt dat margarineproducenten niet in tabelpost 44 zitten maar dat zij meten; dit is mijns inziens niet relevant. Belanghebbende behoort te worden ingedeeld in tabelpost 44.

G heeft nog geen nota gezonden. Hij zal zijn nota opstellen aan de hand van het aantal gewerkte uren. Ik zal deze nota binnen twee weken naar de griffier zenden.

Ik ga er mee akkoord dat het Hof zonder nadere vooraankondiging schriftelijk uitspraak doet zodra de uitspraak gereed is.

Namens verweerder is verklaard:

Ik heb de reactie van G op mijn pleitnota deze week reeds per fax ontvangen en ik ben in de gelegenheid geweest om dit stuk te lezen.

De definitieve aanslagen voor de jaren 1999 en 2000 zijn inmiddels opgelegd, op basis van 67 respectievelijk 72 vervuilingseenheden. Deze vervuilingseenheden zijn verkregen op basis van de meting en er heeft nog een kleine bijtelling plaatsgevonden in verband met de oostelijke vetafscheider.

Bijlage 3 bij de pleitnota van belanghebbende gaat over de bedrijfsruimte a-straat 1 te Z. Dit betreft een andere bedrijfsruimte waar geen saus wordt geproduceerd. De nieuwe tabel is verdeeld in klassen met bandbreedten. Deze tabel werkt heel anders dan de oude tabel, welke afhankelijk is van het type bedrijf. Ik bestrijd dat DCO aan de hand van 1 steekmonster de vervuilingswaarde heeft bepaald. De steekmonsters en de hoeveelheid afvalvet en de lozingssituatie van het bedrijf leidden tot de conclusie dat de meetgegevens van 1999 niet zonder meer van toepassing waren op de jaren 1996 tot en met 1998. Ik bestrijd dat de bestreden aanslagen 11 tot 33 keer zo hoog zijn als de aanslagen voor latere jaren. Ten opzichte van 1999 waren de aanslagen 10, 7 respectievelijk 6 keer zo hoog. De margarineprocudenten hadden hun eigen coëfficiënt in de tabel. Er waren echter maar vijf producenten. Het beleid is dan om deze post uit de tabel te halen, om de tabel zo klein mogelijk te houden. Op de vraag van de voorzitter of het mogelijk is om tot een compromis te komen zeg ik dat we belanghebbende al ver tegemoet zijn gekomen. Ik zie geen reden om belanghebbende nog verder tegemoet te komen, ik blijf bij mijn standpunten. Met betrekking tot artikel 10 van de Verordening (tekst 1997) merk ik op dat als er niet gemeten is, men automatisch in de tabel valt. Hier is geen extra verzoek voor nodig. Belanghebbende kan wel verzoeken de tabel toe te passen, dit op grond van het tweede lid van het artikel. Ik ga er mee akkoord dat de proceskostenvergoeding voor de deskundige wordt vastgesteld aan de hand van de nog door G in te dienen nota, welke nota binnen twee weken na de mondelinge behandeling van de zaak door belanghebbendes gemachtigde aan de griffier zal worden gezonden. Ik ga er mee akkoord dat het Hof zonder nadere vooraankondiging schriftelijk uitspraak doet zodra de uitspraak gereed is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft ter zitting zijn stellingen dat de ambtenaar belast met de heffing niet bevoegd zou zijn, alsmede dat de aanwijzingsbesluiten van de heffingsambtenaren en de Verordeningen niet behoorlijk bekend zouden zijn gemaakt, ingetrokken. Tussen partijen is derhalve uiteindelijk slechts in geschil welke rubriek van de tabel afvalwatercoëfficiënten van toepassing is.

5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van de Verordening is heffingsplichtig de gebruiker van een bedrijfsruimte voor de daaruit of daarvan afgevoerde afvalstoffen. Ingevolge artikel 6 van de Verordening geldt voor de heffing als maatstaf de hoeveelheid van die stoffen, uitgedrukt in vervuilingseenheden die in het heffingsjaar in een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk worden gebracht.

5.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de Verordening wordt de vervuilingswaarde berekend met behulp van door meting en bemonstering verkregen gegevens aangaande de onder 5.2 bedoelde eenheden. Nu tussen partijen vaststaat dat in de onderhavige jaren niet is gemeten en bemonsterd, kan de vervuilingswaarde in afwijking van artikel 8 van de Verordening worden berekend met toepassing van het bepaalde in artikel 9 van de Verordening en de daarbij behorende tabel afvalwatercoëfficiënten. Artikel 9 van de Verordening bepaalt voor zover van belang -kort gezegd- dat de tabel afvalwatercoëfficiënten slechts kan worden toegepast indien toepassing niet zou leiden tot een vervuilingswaarde van meer dan 1.000 vervuilingseenheden en berekening op de voet van artikel 8 van de Verordening niet zal leiden tot een vervuilingswaarde die zowel ten minste 25% als ten minste 125 vervuilingseenheden hoger uitkomt dan bij berekening met toepassing van de tabel afvalwatercoëfficiënten.

5.4. Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan met toepassing van rubriek 35*B van de tabel afvalwatercoëfficiënten (snackbedrijven). Voor zover verweerder met hetgeen omtrent de wijze van aangifte doen door belanghebbende in het verweerschrift is vermeld, heeft beoogd te stellen dat belanghebbende is gebonden aan de keuze voor rubriek 35*B die bij de aangifte is uitgebracht, overweegt het Hof dat het belanghebbende vrij staat op zijn bij de aangiften gemaakte keuze terug te komen, nu de onderhavige aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan. De aangifte is immers niets anders dan een hulpmiddel tot het opleggen van de aanslag en de aangifte is geenszins voor de aangever bindend in die zin dat hij geen bezwaren zou mogen indienen die met de inhoud van de aangifte in strijd zijn.

5.5. Voor zover verweerder met de opmerking dat belanghebbende geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de meetbeschikking heeft beoogd te stellen dat belanghebbende voor de onderhavige jaren is gebonden aan de onder 2.10 omschreven procentuele manier van vaststellen van de vervuilingseenheden, met inbegrip van toepassing van rubriek 35*B van de tabel afvalwatercoëfficiënten, overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft in de loop van het jaar 1999 een verzoek ingediend ex artikel 9, derde lid, van de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer 1999. Gelet op de tekst van (naar het Hof aanneemt aan de tekst voor het jaar 1999 gelijkluidende) artikel 9, derde lid, van de Verordening 1998, kan met de op het verzoek gebaseerde meetbeschikking niets anders worden vastgesteld dan de wijze waarop voor het heffingsjaar 1999 zal worden gemeten en bemonsterd. In ieder geval voor de onderhavige jaren is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet gebonden aan de voor het jaar 1999 afgegeven meetbeschikking, noch voor wat betreft de wijze van bepaling van het aantal vervuilingseenheden, noch voor wat betreft de toepassing van de rubrieken van de tabel afvalwatercoëfficiënten en heeft belanghebbende door het niet-instellen van een rechtsmiddel tegen de meetbeschikking geenszins zijn desbetreffende, thans gevoerde, verweren tegen de onderhavige aanslagen prijsgegeven.

5.6 Belanghebbende heeft gesteld dat rubriek 35*B van de tabel afvalwatercoëfficiënten in het onderhavige geval niet van toepassing is. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Tabelpost 35*B ziet op snackbedrijven. Belanghebbende is een sauzenfabrikant en produceert geen snacks. Belanghebbende hoort, gelet op de historie en systematiek van tabelpost 35*B, niet thuis in deze rubriek. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van tabelpost 35*B kan worden afgeleid dat deze rubriek niet ziet op sausproducenten als zodanig. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat rubriek 35 van de tabel in het jaar 1977 is gewijzigd in drie groepen, te weten hammen en schouders, voorverpakt vlees en overige vleeswaren. Metingen dateren uit 1976 en zijn verricht aan vleesverwerkende bedrijven. In de betreffende rapportages worden sauzen als zodanig niet genoemd, noch bemeten of bemonsterd. In Stb. 681 van 1978 wordt bij 35*B vermeld "per 1000 kg gefabriceerd product, inclusief toevoegingen als sauzen, opgiet etc." Belanghebbende komt op grond van deze stellingen tot de conclusie dat toepassing van rubriek 35*B leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing.

5.7 Verweerder heeft tegenover de onder 5.6 omschreven stellingen van belanghebbende gesteld dat de tekst van rubriek 35*B bij de omschrijving "snackbedrijven" als voorbeeld uitdrukkelijk de productie van sauzen noemt: "rubriek 35*B. Snackbedrijven (productie van bijv. fricandel, hamburger, kroket, loempia, bami, soepen, sauzen, salades kant-en-klaar maaltijden)" en dat de forfaitaire aard van de tabel het onmogelijk maakt te veronderstellen dat de vervuilingswaarde van elk bedrijf in eenzelfde rubriek dezelfde werkelijke vervuilingswaarde heeft.

5.8 Met verweerder is het Hof van oordeel dat de algemene strekking van de tabel afvalwatercoëfficiënten, als uitzondering op de in artikel 8 van de Verordening geformuleerde hoofdregel, het bij wijze van forfait onderwerpen van een zo groot mogelijk aantal gevallen aan een praktisch uit te voeren regeling is. Dit geldt evenwel voor alle rubrieken van genoemde tabel afvalwatercoëfficiënten en laat belanghebbendes onder 5.6 omschreven stellingen dat toepassing van rubriek 35*B voor belanghebbende tot een onredelijke en willekeurige heffing leidt onverlet. Het Hof overweegt met betrekking tot deze stellingen van belanghebbende als volgt.

5.9 De tabel afvalwatercoëfficiënten is afgeleid van de tabel behorende bij de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verbinding met het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren van 5 november 1970, Stb. 536, die bedoeld is voor rijkswateren. Bij Besluit van 28 december 1978, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren, werd aan rubriek 35*, rubriek B toegevoegd. Omtrent deze rubriek vermeldt de nota van toelichting bij het besluit:

"voorts is gebleken, dat de voorgestelde coëfficiënt voor snackbedrijven (voor wat betreft de vleeswarensnacks, vleesbevattende snacks en aan deze categorie snacks verwante producten zonder vlees) goed overeenkomt met de bestaande coëfficiënt voor "overige vleeswaren". Op grond van enkele meetgegevens en de overeenkomst in bereidingswijze tussen snacks enerzijds en kant-en-klaarmaaltijden, soepen, sauzen, en salades anderzijds, zijn ook de fabrikanten van deze laatste producten onder de snackbedrijven gerangschikt."

5.10 De tabelpost 35*B "snackbedrijven" en de daarbij behorende afvalwatercoëfficiënt is opgesteld aan de hand van de resultaten van het onderzoek dat is verricht door de onder 2.5 genoemde subgroep "Kleine Kokswaren". Uit het bij het onder 2.5 genoemde rapport als bijlage behorende meetrapport blijkt dat dertien metingen zijn verricht bij snackbedrijven. Uit het meetrapport blijkt evenwel dat alle metingen zijn verricht aan vleesverwerkende bedrijven, waarvan één productieproces wordt omschreven als "saté + saus". In de betreffende rapportage en het meetrapport wordt sausproductie als zodanig niet genoemd. Ook komt daaruit niet naar voren dat sausproductie als zodanig is bemeten of bemonsterd. Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat er wat betreft de productie van sauzen als zodanig geen meetgegevens voorhanden zijn. Met betrekking tot de in de nota van toelichting genoemde overeenkomst in bereidingswijze is het Hof van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hieromtrent in de stukken is gesteld voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen overeenkomst in bereidingswijze is tussen snackbedrijven en de productie van sauzen. Daarbij is met name van belang dat bij de sausproductie sprake is van een zgn. gesloten productieproces waarbij het ingenomen water voor een groot deel aan het product wordt toegevoegd en er, doordat er tijdens dit proces geen spoelwater nodig is en niets wordt geloosd, geen afvalwater is tijdens de productiecyclus.

5.11 Gelet op het onder 5.10 overwogene zijn er enerzijds geen meetgegevens voor de productie van sauzen als zodanig voorhanden en is er anderzijds geen overeenkomst in bereidingswijze tussen snackbedrijven en de productie van sauzen. Het Hof komt dan ook tot het oordeel dat, voor zover onder de opsomming van 35*B is bedoeld tevens te begrijpen de producenten van enkel sauzen, de definitie van snackbedrijf en de vaststelling van afvalwatercoëfficiënten voor producenten van sauzen als zodanig niet op een zorgvuldige wijze, want op een te smalle basis, tot stand zijn gekomen en voor belanghebbende leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing. Dat in de onder 5.9 genoemde nota van toelichting in de tekst is opgenomen dat de vervuilingswaarde van sauzen gelijk wordt gesteld aan de vervuilingswaarde van snackbedrijven doet daar niet aan af nu het woord "sauzen" hier, gelet op het vorenoverwogene, kennelijk op lichtvaardige wijze in de nota van toelichting is opgenomen. Het Hof gaat er veeleer van uit dat de opstellers van die opsomming producenten van snacks voor ogen stonden die tevens sauzen produceren.

5.12 Het Hof overweegt overigens nog dat toepassing van rubriek 35*B voor de jaren 1999 en 2000 zou leiden tot aanslagen berekend naar 1800 vervuilingseenheden in 1999 en 2257 vervuilingseenheden in 2000, terwijl voor deze jaren op basis van meting en bemonstering aanslagen zijn opgelegd berekend naar 67 respectievelijk 72 vervuilingseenheden. Het Hof ziet hierin een bevestiging dat toepassing van rubriek 35*B voor belanghebbende leidt tot onredelijke en willekeurige heffing. Dat de lozingssituatie van belanghebbende medio 1999 is verbeterd doet hieraan naar het oordeel van het Hof onvoldoende af; het verschil is eenvoudig te groot.

5.13 Nu rubriek 35*B van de tabel afvalwatercoëfficiënten niet op belanghebbende van toepassing is, valt zij onder rubriek 44 van de tabel afvalwatercoëfficiënten: "de niet in deze tabel vermelde bedrijven". Dat rubriek 44 gebaseerd is op het waterverbruik en dat dit voor belanghebbendes productieproces geen goede maatstaf zou zijn doet niet aan de toepasselijkheid van rubriek 44 af, nu dit een restcategorie betreft.

5.14 Ingevolge de met ingang van 1998 geldende wettelijke regeling dient, zoals hier bij te late indiening van het aangiftebiljet, bij voor bezwaar vatbare beschikking een boete te worden opgelegd. Verweerder heeft evenwel de in de aanslag begrepen belasting met ƒ 1.000 verhoogd. Deze sanctie is evenwel niet meer mogelijk. Ook in zoverre is het geheven belastingbedrag te hoog vastgesteld.

5.15 Op grond van het vorenoverwogene is het beroep gegrond. De aanslagen voor de onderhavige jaren dienen te worden berekend met toepassing van rubriek 44 van de tabel afvalwatercoëfficiënten. De aanslag 1996 dient te worden verminderd tot een, berekend naar een vervuilingswaarde van 2370 x 0,023 = 54,51 vervuilingseenheden, hetgeen uitkomt op een aanslag van ƒ 4.851,39. De aanslag 1997 dient te worden verminderd tot een, berekend naar een vervuilingswaarde van 2266 x 0,023 = 52,118 vervuilingseenheden, hetgeen uitkomt op een aanslag van ƒ 5.211,80. De aanslag 1998 dient te worden verminderd tot een, berekend naar een vervuilingswaarde van 60,835 vervuilingseenheden, hetgeen uitkomt op een aanslag van ƒ 6.083,50.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak niet in stand blijft acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op in totaal e 5.590: € 966 voor door derden verleende beroepsmatige rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt; totaal 2 punten, maal factor 1,5 voor het gewicht van de zaak, ad € 322 per punt), alsmede e 4.304 voor het verslag van een deskundige op basis van de nota van deze deskundige en verletkosten van C en D, in goede justitie bepaald op e 320.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag 1996 tot een bedrag van ƒ 4.851,39, vermindert de aanslag 1997 tot een bedrag van ƒ 5.211,80 en vermindert de aanslag 1998 tot een bedrag van ƒ 6.083,50;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan belanghebbende van € 5.590 aan proceskosten en wijst de Gemeenschappelijke Regeling Dienst Centrale Omslagheffing Waterschappen aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

- gelast de Gemeenschappelijke Regeling Dienst Centrale Omslagheffing Waterschappen het betaalde griffierecht ad € 204,20 (ƒ 450) aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 7 maart 2003 door mrs. Schaap, Steenbergen en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Rentenaar-Groot als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.