Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5966

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
02/2306
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende koopt de door hem gepachte boerderij. Het woongedeelte rekent hij vervolgens tot zijn privé-vermogen.

Het pachtrecht behoort tot belanghebbendes ondernemingsvermogen. Tot belanghebbendes winst moet een pachtersvoordeel worden gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1467
FutD 2003-0546
V-N 2003/29.13
V-N 2004/4.1.5
V-N 2003/17.4.5

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspec-teur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 april 2002, inge-diend door mr. A (B Belastingadviseurs te Q) als zijn gemachtigde, en aangevuld bij diens schrijven van 16 mei 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 19 maart 2002 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelas-ting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1997.

De aanslag, gedagtekend 24 oktober 2001, werd berekend naar een belastbaar inko-men van f 268.422.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 123.701.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot verminde-ring van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 38.614.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 10 januari 2003 zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van zijn kantoorgenoot C en, namens de inspecteur, mr. D.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is fruitteler en akkerbouwer. Hij is geboren in 1933 en is en was ook in het onderhavige jaar ongehuwd. Hij oefende en oefent zijn landbouwbedrijf uit op een boerderij die hij pachtte van de Stichting E te R. Het gepachte omvat 19.49.55 ha land met de daarop gelegen woning (inclusief achterhuis) en bedrijfsge-bouwen. Tot aan haar overlijden in 1995 woonde belanghebbende samen met zijn moeder. Sindsdien woont belanghebbende alleen op de boerderij.

2.2. Voor het onderhavige jaar gold de tussen belanghebbende en verpachtster geslo-ten pachtovereenkomst van december 1992, aangegaan voor de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 2004. De in de overeenkomst bedongen pachtprijs be-droeg ƒ 21.320 per jaar, als volgt gespecificeerd:

land (19.49.55 ha) ƒ 12.320

bedrijfsgebouwen ƒ 6.116

woning ƒ 2.884

ƒ 21.320.

Bij haar beschikking van 11 mei 1993 heeft de Grondkamer voor Utrecht de pacht-overeenkomst goedgekeurd onder wijziging van de overeengekomen pachtprijs in ƒ 20.121.

2.3. Belanghebbende heeft de pachtprijs steeds volledig ten laste van de winst uit onderneming gebracht. Ter zake van het gebruik van het woongedeelte werd jaarlijks het bedrag van de economische huurwaarde bij de winst geteld. Tot en met 1995 be-droeg deze bijtelling ƒ 2.500 en in 1996 ƒ 3.600. In de jaarrekening over 1997 is een bedrag aan "huurwaarde woning" bij de winst geteld ad ƒ 4.354.

2.4. In 1997 heeft belanghebbende de tot dan toe door hem gepachte boerderij ge-kocht. De akte van levering is gepasseerd op 24 november 1997.

2.5. Na de aankoop heeft belanghebbende in zijn jaarstukken de gekochte zaken aan-gemerkt als ondernemingsvermogen. Een uitzondering heeft hij gemaakt voor het woonhuis met de ondergrond, een perceel van 1.100 m².

2.6. Voor het onderhavige jaar deed belanghebbende aangifte van een belastbaar in-komen van ƒ 38.614. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het aangegeven in-komen gecorrigeerd met een bedrag van ƒ 250.000. Dit bedrag was het door de in-specteur geschatte pachtersvoordeel dat belanghebbende behaalde bij de aankoop van het vervolgens tot het privé-vermogen gerekende woonhuis met ondergrond. Na do-tatie aan de fiscale oudedagsreserve werd het vastgestelde inkomen daardoor ƒ 268.422.

2.7. In het kader van de behandeling van het tegen de aanslag ingediende bezwaar-schrift hebben belanghebbende en de inspecteur overeenstemming bereikt over de splitsing van de door belanghebbende betaalde koopsom en over de waarde in het economische verkeer van de verschillende onderdelen van het gekochte. De uitkomst daarvan was dat de omvang van een eventueel te belasten pachtersvoordeel ter zake van woning met achterhuis en ondergrond ƒ 94.500 bedraagt. Naar aanleiding van het bezwaarschrift werd het belastbare inkomen van belanghebbende als volgt berekend:

aangegeven belastbaar inkomen ƒ 38.614

pachtersvoordeel ƒ 94.500

minder zelfstandigenaftrek ƒ 1.030

stipinkomen ƒ 134.144

dotatie FOR ƒ 10.443

belastbaar inkomen ƒ 123.701.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of tot de winst van belangheb-bende over 1997 een pachtersvoordeel moet worden gerekend ter zake van het door belanghebbende tot 24 november 1997 gepachte en na de aankoop tot zijn privé-vermogen behorende woonhuis.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de door hen gebezigde argumenten wordt ver-wezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting hebben zij daaraan -kort en zakelijk weergegeven- het volgende toege-voegd.

De gemachtigde van belanghebbende:

Er is overeenstemming over de bedragen en wat nu resteert is een zuiver theoretische, principiële vraag. Er is zeker sprake van een voordeel, maar wij stellen ons op het standpunt dat dat in de privésfeer is genoten.

Ook het achterhuis met ondergrond wordt en werd als onderdeel van de woning en dus in privé gebruikt.

Als belanghebbende in het verleden al zijn pachtrecht had gesplitst, had in 1996 de waarde van de woning ook niet getaxeerd hoeven te worden.

Naar aanleiding van het arrest dat mij door het Hof wordt voorgehouden (HR 18 juni 1997, nr. 32 268, BNB 1997/306*) merk ik het volgende op. Belanghebbende heeft nooit verbouwingskosten geactiveerd. Het arrest van de Hoge Raad is helder. Wij hebben in het verleden de zaak administratief niet goed verwerkt. Voor het onderha-vige jaar stellen wij overigens niet dat dit moet leiden tot een lagere winstvaststel-ling.

De inspecteur:

De mogelijkheid van belanghebbende om de woning voordelig te verkrijgen vloeide voort uit het pachtrecht. Dat pachtrecht behoort tot het ondernemingsvermogen en daarom is het voordeel verkregen uit onderneming en als winst belast.

Het arrest dat mij door het Hof wordt voorgehouden (HR 18 juni 1997, nr. 32 268, BNB 1997/306*) is mijns inziens hier niet doorslaggevend. In die procedure ging het niet om de pachter zelf, maar om diens zoon, zodat de kwalificatie van het pachtrecht als zodanig geen rol speelde. Bovendien had in die procedure de belastingplichtige zelf altijd al "geknipt". De Hoge Raad sloot zich in zijn arrest aan bij die feitelijke omstandigheid. In de onderhavige zaak heeft belanghebbende nooit zijn pachtrecht in twee delen geknipt. Daarom behoort in casu het hele pachtrecht tot het onderne-mingsvermogen.

Uit de beschrijving van de onroerende zaken zoals die in de stukken is opgenomen, blijkt dat de staat van onderhoud van de woning ten tijde van de koop zeker niet op-timaal was. Er is geen reden om aan te nemen dat er uberhaupt verbouwingen en der-gelijke zijn geweest. Dat belanghebbende nooit iets heeft geactiveerd is dan logisch.

Ik vind het nogal gemakkelijk van de gemachtigde om nu, na kennisneming van het arrest BNB 1997/306, te zeggen dat het in het verleden fout is verwerkt. Splitsen in een ondernemings- en een privé-deel zou heel simpel geweest zijn. Mijns inziens is er gewoon uitdrukkelijk gekozen voor aanmerken van het hele pachtrecht als onder-nemingsvermogen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende door de aankoop en het aanmerken als privé-vermogen van het voorheen gepachte woonhuis, inclusief achterhuis en ondergrond, een pachtersvoordeel heeft genoten, aangezien het voor-deel is voortgekomen uit het tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behorende pachtrecht.

De inspecteur stelt daartoe primair dat het pachtrecht in zijn geheel moet worden aangemerkt als ondernemingsvermogen, aangezien op grond van artikel 1, lid 1, on-derdeel d, van de Pachtwet geen afzonderlijke, zelfstandige pachtovereenkomst kan worden gesloten ter zake van een woonhuis.

De subsidiaire stelling van de inspecteur houdt in dat, indien ervan moet worden uit-gegaan dat het pachtrecht in fiscaal opzicht splitsbaar is, ook het gedeelte dat betrek-king heeft op het woonhuis door belanghebbende is gerekend en mocht worden gere-kend tot zijn ondernemingsvermogen, zodat ook in dat geval het voordeel ter zake van de verkrijging van het woonhuis tegen de als pachter betaalde prijs is verkregen uit onderneming.

5.2. Het Hof overweegt als volgt. In een geval als het onderhavige, waarin een land-bouwer zijn onderneming uitoefent op een bij één overeenkomst gepachte boerderij, behoort het pachtrecht, ook het gedeelte daarvan dat betrekking heeft op dat gedeelte van de opstallen met ondergrond dat wordt gebruikt voor bewoning, tot het onderne-mingsvermogen van de belastingplichtige.

5.3. Naar het oordeel van het Hof houdt het arrest HR 18 juni 1997, nr. 32 268, BNB 1997/306*, niet in dat het pachtrecht in gevallen als het onderhavige tot het privé-vermogen hoort voor zover het betrekking heeft op het woongedeelte van een boerde-rij. Het arrest houdt slechts in dat uitgaven die voor privé-doeleinden zijn gedaan niet ten laste van de winst komen. Zulks is ook het geval als het daarbij gaat om uitgaven die worden gedaan voor het privé-gebruik van een tot het ondernemingsvermogen behorend bedrijfsmiddel.

5.4. Belanghebbende heeft het woongedeelte van de boerderij na aankoop gerekend tot zijn privé-vermogen. Hij had hiertoe de vrijheid. De omstandigheid dat voordien het op het woongedeelte betrekking hebbende gedeelte van het pachtrecht tot zijn ondernemingsvermogen behoorde houdt niet in dat hem die vrijheid niet toekomt

5.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de inspecteur in het onderhavige jaar terecht een pachtersvoordeel tot belanghebbendes winst uit onderneming heeft gere-kend. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de aanslag tot een juist be-drag is opgelegd.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk is gesteld en zich overigens geen bijzondere om-standigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 28 februari 2003 door mrs. Onnes, Steenbergen en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Rentenaar-Groot als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uit-spraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassa-tie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.