Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5956

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
23-002988-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof Amsterdam heeft vandaag in hoger beroep uitspraak gedaan in de strafzaken tegen twee broers ,die ervan verdacht werden op 13 september 2001 hun jongere zusje te hebben gedood. De broers waren ten tijde van het delict respectievelijk 17 en 19 jaar oud

In eerste aanleg heeft de rechtbank beide broers schuldig bevonden aan het medeplegen van doodslag. Zij heeft de jongste de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd. De oudste werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaren.

Beide verdachten als ook de officier van justitie zijn tegen deze vonnissen in hoger beroep gekomen.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal , die met de officier van justitie van oordeel was dat beiden zich schuldig hadden gemaakt aan moord (doodslag met voorbedachten rade), geëist dat de minderjarige gestraft diende te worden met een jeugddetentie van 18 maanden en dat hem daarnaast de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zou moeten worden opgelegd. Ten aanzien van de oudere broer heeft de advocaat-generaal het hof verzocht een gevangenisstraf van 10 jaren op te leggen.

Het hof heeft bewezen verklaard dat beide broers zich tezamen hebben schuldig gemaakt aan moord op hun zusje

:

Het hof heeft de jongste veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden. Tevens heeft het hof hem de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd.

De oudste broer kreeg van het hof een gevangenisstraf voor de tijd van 8 jaren opgelegd .

In de strafmotivering van het hof wordt onder meer aangegeven dat deze jongens die opgegroeid zijn in het Midden- Oosten en sedert enkele jaren in Nederland waren, tot hun onherroepelijke daad zijn gekomen doordat zij zich niet konden verenigen met het gedrag van hun zusje met name waar het ging om haar in hun ogen te vrije omgang met jongens, hetgeen binnen het gezin al geruime tijd tot conflicten had geleid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002988-02

datum uitspraak 21 januari 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 11 juli 2002 in de strafzaak onder parketnummer 14/011070-01 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Koeweit) op 11 juni 1984

wonende te [adres]

thans preventief gedetineerd in de Rijksinrichting voor Jeugdigen "de Doggershoek" te 1784 NV Den Helder, Burgemeester Ritmeesterweg 20.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 maart 2002, 4 juni 2002 en 27 juni 2002 en in hoger beroep van 7 januari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaar-ding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgeno-men.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

hij op 13 september 2001 te [plaats delict] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade zijn zus [zus] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een mes in de hals en in de borst van die [zus] gestoken en de mond van die [zus] dichtgehouden, tengevolge van welke steken voornoemde [zus] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blij-kens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezenver-klaarde uitsluit, zodat dit straf-baar is.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Medeplegen van moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregelen

De rechtbank heeft verdachte terzake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van het beslag, een en ander als in het vonnis vermeld.

De verdachte heeft hoger beroep doen instellen en ook de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot een jeugddetentie van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en tevens dat aan hem de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal worden opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van het beslag gevorderd te beslissen conform de rechtbank.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandig-heden waar-onder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing geno-men.

Verdachte heeft samen met zijn broer [mededader] zijn jongere zusje [zus] op gruwelijke wijze vermoord. Verdachte heeft na een vechtpartij met zijn zusje [zus] -waarvan de oorzaak was gelegen in de door verdachte en zijn broer [broer] niet wenselijk geachte gedragingen en omgang van haar met één of meer jongens, hetgeen binnen het gezin [familienaam] sinds geruime tijd tot conflicten leidde- handschoenen en een mes uit de keuken gepakt. Hiermee is verdachte naar de kamer van zijn broer gegaan. Na overleg aldaar zijn zij tezamen -beiden met handschoenen aan- naar de kamer van hun zusje gegaan. Verdachte is vervolgens, zodra hij en zijn broer [broer] de kamer waren binnengekomen, boven op zijn zusje [zus], die op een matras lag, gaan zitten en heeft, terwijl zijn broer [broer] haar handen vasthield om haar in bedwang te houden en haar mond dicht hield om haar het schreeuwen te beletten, met het mes in haar hals en borst gestoken, waardoor zij is komen te overlijden.

Door deze gruwelijke en onherroepelijke daad, is de rechtsorde ernstig geschokt. Een dergelijk feit veroorzaakt gevoelens van afschuw en onrust in de samenleving.

Het hof heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 20 november 2002, waaruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het voorgaande overwegende is het hof van oordeel dat oplegging van na te noemen straf recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde in samenhang met hetgeen omtrent de persoon van de verdachte is gebleken.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- rapportage van de RIJ "'t Nieuwe Lloyd"te Amsterdam door drs. F.A.L. Buffing, GZ psycholoog/orthopedagoog NVO, opgemaakt d.d. 20 december 2001;

- "Verblijfsplan d.d. 29-10-2002" van de RIJ "De Doggershoek", opgemaakt d.d. 30 oktober 2002

- rapportage Pro Justitia door H.A. van Kempen, psycholoog, A. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater, en zenuwarts A.W.M. Mooij, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, opgemaakt d.d. 28 maart 2002 onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Conclusie

Rapporteurs zijn op grond van hun in het rapport weergegeven bevindingen van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

De rapporteurs concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestesvermogens, dat dit feit -indien bewezen- hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Advies

Betrokkene is uit het onderzoek naar voren gekomen als een jongen bij wie sprake is van een impulscontrolestoornis in combinatie met een pedagogische en affectieve verwaarlozing.

Betrokkenes gedrag ten tijde van het hem tenlastegelegde werd bepaald door zijn stoornis in de impulscontrole, waardoor zijn opgekropte gevoelens van narcistische woede en frustratie zich ontlaadden. Derhalve kan het tenlastegelegde hem in verminderde mate worden toegerekend.

Er bestaat een gerede kans op recidive van een geweldsdelict, met name in de relationele sfeer. Betrokkene voelt zich vanuit zijn narcistische problematiek snel in zijn persoon aangetast en negatief bejegend binnen relaties. Dit maakt dat hij, ook in een eventuele toekomstige partnerrelatie, opnieuw tegen dezelfde hindernissen zal oplopen als welke hij in de relatie met zijn zus heeft ervaren, zeker wanneer hij in de rigiditeit blijft hangen van de zich star toegeëigende normen en waarden van de eigen culturele achtergrond en traditie. Met name wanneer hij in zijn rol als man zich arrogant bejegend zal voelen door een vrouw, is het denkbaar dat hij opnieuw tot een ernstig geweldsdelict komt.

Teneinde het recidivegevaar te beperken is een behandeling noodzakelijk. Derhalve adviseren de rapporteurs de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen. Gedacht wordt aan een inrichting als Harreveld te Harreveld, daar deze de meest geëigende behandelingsmogelijkheden zou kunnen bieden aan betrokkene. Vanuit strakke geslotenheid wordt uiteindelijk gewerkt naar openheid (resocialisatie). Betrokkene zal met zijn gedragsproblematiek in eerste instantie het best kunnen profiteren van een strak gestructureerde setting met duidelijke regels, waarbij tegelijkertijd het accent ligt op zijn positieve kanten.

Binnen een groep met andere jongeren zal betrokkene kunnen werken aan zijn impulscontrole en aan zijn narcistische krenkbaarheid. Belangrijk aandachtspunt dient tevens te zijn de rouwverwerking met betrekking tot de dood van zijn zus en de psychologische gevolgen voor hemzelf.

Tevens is belangrijk dat in een dergelijke setting betrokkene een scholingsaanbod krijgt, waarmee aangesloten gaat worden op zijn gezonde kanten en hij daaraan positieve ervaringen kan ontlenen, teneinde zelf een toekomstperspectief mee vorm te geven.

Indien betrokkene niet in Harreveld geplaatst kan worden, kan aan een inrichting als de Hartelborgt te Spijkenisse worden gedacht.

- aanvullende rapportage Pro Justitia door H.A. van Kempen, psycholoog en A. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater, opgemaakt d.d. 20 juni 2002 onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Betrokkenes persoonlijkheidsproblematiek is van dermate ernstige aard dat er een gerede kans is op recidive. Gelet op de conclusie 'verminderd toerekeningsvatbaar' en het bestaande recidiverisico wordt een behandeling noodzakelijk geacht. Bij voorkeur wordt gedacht aan een behandeling in het kader van het jeugdstrafrecht (plaatsing in een inrichting voor jeugdigen) vanwege het feit dat betrokkene achterloopt in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Een behandeling dient derhalve gericht te zijn op en rekening te houden met een goede regulering van de verdere ontwikkeling van betrokkene. Het is belangrijk dat hij temidden van leeftijdsgenoten gedragsregels en gewetensfuncties aanleert en internaliseert. Hij is op een leeftijd waarop hij nog flexibel is in het aanleren hiervan. Een behandeling in een dergelijke setting zal naar de mening van ondergetekenden met het oog op het verminderen van de recidiverisico's het meest effectief kunnen zijn.

- de verklaring van getuige-deskundige H.A. van Kempen afgelegd ter zitting van 7 januari 2003, inhoudende onder meer -zakelijk weergegeven- dat hij bij de conclusie en adviezen zoals neergelegd in de mede door hem opgemaakte (aanvullende) rapportage(s) blijft en dat het daarin gesignaleerde gevaar voor herhaling zich ook uitstrekt tot geweldsdelicten in de niet relationele sfeer.

Het hof neemt de conclusie en adviezen van vorengenoemde deskundigen over en maakt deze tot de zijne.

Nu uit de rapporten voortvloeit dat zonder behandeling gevaar dreigt voor de veiligheid van anderen, dan wel voor de algemene veiligheid van personen of goederen en behandeling in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, terwijl ook aan de overige voorwaarden van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, zal het hof naast een straf van 18 maanden jeugddetentie -waarbij het hof de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in aanmerking heeft genomen- bovendien de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen voorwerpen, aangeduid met nr. 14 op de aan dit arrest gehechte "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen", die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezenver-klaarde is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen voorwerp, aangeduid met nr. 15 op de aan dit arrest gehechte "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen", dat aan verdachte toebehoort, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het feit is en dit voorwerp van zoda-nige aard is dat het ongecontro-leerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v, 77gg en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven om-schreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spr-eekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de tijd van 18 (achttien) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht.

En voorts:

Legt op de maatregel tot PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN;

Adviseert dat voornoemde maatregel zal worden ondergaan in een inrichting die zoveel mogelijk is toegerust voor de behandeling van deze verdachte.

En voorts

Verklaart verbeurd: de inbeslaggenomen voorwerpen aangeduid met nummer 14 op de aan dit arrest gehechte "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen;

Verklaart onttrokken aan het verkeer: het inbeslaggenomen voorwerp aangeduid met nummer 15 op de aan dit arrest gehechte "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen";

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen aangeduid met de nummers 6 t/m 13 en 21 t/m 24 op de aan dit arrest gehechte "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen";

Gelast de bewaring ten behoeve van de recht-hebbende van de in beslaggenomen voorwerpen aangeduid met de nummers 16 t/m 20 op de aan dit arrest gehechte "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen".

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Breukelen-Van Aarnhem, Den Ottolander en Van Asperen, in tegenwoordigheid van mr. Oosterhof als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 januari 2003.