Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5491

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
23-003392-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2003-02-14
Wetboek van Strafvordering 511b, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003392-02

datum uitspraak 14 februari 2003

tegenspraak (gemachtigde raadsman)

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 21 augustus 2002 op de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak met nummer 13/035026-97, behorende bij de strafzaak onder parketnummers 13/035026-97 en 13/006005-00 tegen de veroordeelde

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden op-gelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het geschatte wederrech-telijk verkregen voordeel tot een maximumbedrag van fl. 5.654.500,--, zijnde € 2.565.900,20, welk bedrag ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2002 is gewijzigd in € 2.600.000,--.

Van de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 5 december 2000 ter zake van - kort gezegd - heling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van de tijd die zij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met een proeftijd van twee jaren en voorts tot een geldboete van ƒ 100.000,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 12 maanden.

Voorts heeft de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 21 augustus 2002 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.634.618,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 jaren, behoudens en voor zover die vordering niet reeds door of namens [F.S.] is betaald.

De veroordeelde heeft hoger beroep doen instellen tegen laatstgenoemd vonnis.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2002 en in hoger beroep van 22 november 2002 en 20 december 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering jegens [veroordeelde]. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [veroordeelde] is geopend op 10 april 1997 en gesloten op 26 juni 2001. Nu in die periode van meer dan vier jaren nauwelijks onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden, is sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

In de eerste plaats heeft de raadsman zijn bewering dat in de bedoelde periode nauwelijks onderzoeksactiviteiten hebben plaatsgevonden niet nader toegelicht. Nu ook overigens niet aannemelijk is geworden dat deze bewering als juist moet worden aangemerkt, moet het er voor worden gehouden dat het betoog van de raadsman feitelijke grondslag ontbeert.

In de tweede plaats kan de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36 e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht slechts worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. In het onderhavige geval kon dit dus niet eerder dan op 5 december 2000, de dag waarop de rechtbank te Amsterdam vonnis wees ter zake van het feitencomplex waarop de thans aan de orde zijnde ontnemingsvordering betrekking heeft. Op grond van artikel 511 b, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wordt een ontnemingsvordering zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt.

Dat de in artikel 511 b, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn niet is overschreden, wordt in deze zaak niet betwist. Waar bovendien gesteld noch gebleken is dat de procedure in de hoofdzaak tot 5 december 2000 mank ging aan overschrijding van de in artikel 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn, kan niet staande worden gehouden dat die termijn tussen 5 december 2000 en 26 juni 2001, de datum waarop het strafrechtelijk financieel onderzoek werd afgesloten, is overschreden; de wettelijk toegestane termijn van maximaal twee jaar voor het aanhangig maken van een dergelijke vordering is naar het oordeel van het hof - bijzondere omstandigheden, die in deze zaak niet aannemelijk zijn geworden, daargelaten - niet strijdig met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tot ontneming van het door veroordeelde wederrechtelijk genoten voordeel dient te worden afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [veroordeelde], ondanks haar huwelijk met medeveroordeelde [S.], nooit enig aandeel heeft gehad in het wederrechtelijk verkregen voordeel nu zij slechts één dag aandeelhoudster is geweest van [I.H.] N.V. en geen enkele bemoeienis had met de transacties van dit bedrijf. Hij voegt daaraan toe dat blijkens de door de verdediging ter terechtzitting van 20 december 2002 overgelegde fotokopie van een "openbaar geschrift" afkomstig uit [P.] en gedateerd op 25 maart 1994, betreffende voornoemde N.V. (waarbij het hof in plaats van "[i]" telkens "[i]" en in plaats van "N.V." telkens "S.A." begrijpt) het door de N.V. genoten voordeel is terugbetaald.

Hof verwerpt dit verweer in al zijn onderdelen daar hetgeen de verdediging stelt in geen enkel opzicht aannemelijk is geworden.

Beslissing

Voor het overige bevestigt het hof het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Verspyck Mijnssen, Scholten en De Winter, in tegenwoordigheid van mr. Smeenk als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2002.

Mr. Smeenk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.