Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5237

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
01/04362 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende betaalt de huur van een door zijn dochter bewoonde woning. Belanghebbende kon zich gezien de psychische toestand van de net gescheiden dochter (met een jong kind) hiertoe gedrongen voelen. De wettekst verhindert aftrek omdat de uitgaven in natura zijn gedaan; ook al zouden de uitgaven in beginsel wel aftrekbaar zijn geweest indien de dochter de Middenwoning zelf had gehuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

twee uitspraken van het hoofd van de Belastingdienst te P, hierna de inspecteur, beiden gedagtekend 8 oktober 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen voor de jaren 1998 en 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. Belanghebbende, geboren in 1933 en gehuwd met A, is gepen-sioneerd en woont in een driekamerflat te Z. Uit zijn huwelijk is op 8 februari 1962 een dochter geboren (verder de Dochter).

1.2. De Dochter is in april 1993 getrouwd en woonde tot 27 april 1997 samen met haar man te C. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, een zoon op 22 augustus 1993 en een dochter op 3 april 1996.

1.3. Wegens duurzame ontwrichting van haar huwelijk heeft de Dochter op 16 juli 1997 echtscheiding aangevraagd. De rechtbank heeft op 24 september 1997 in het kader van een voorlopige voorziening het zoontje aan de vader en het dochtertje aan de moeder toevertrouwd.

In verband met haar verzoek aan de rechtbank om een omgangsregeling te treffen en om haar te belasten met de uitoefening van het gezag over haar zoontje en haar dochtertje is de Dochter drie maal psychiatrisch onderzocht.

1.4. Op 27 april 1997 heeft de Dochter, tezamen met haar dochtertje, de echtelijke woning verlaten en is bij belanghebbende en zijn echtgenote ingetrokken. Zij kon daar beschikken over een kamer van 5 bij 2½ meter.

1.5. Op 5 januari 1998 heeft belanghebbende ten behoeve van zijn Dochter een gestoffeerde middenwoning, (…) te D (niet ver van C), gehuurd (verder de Midden-woning). De huurprijs bedroeg ¦ 1.650 (inclusief een vergoeding voor roerende goe-deren, ten bedrage van ¦ 300) per maand. Vanaf 6 januari 1998 woonde de Dochter met haar dochtertje aldaar. Zij betaalde belanghebbende voor het woongenot maan-delijks een, in overleg met de sociale dienst vastgestelde, bijdrage van ¦ 500.

1.6. De Dochter genoot in 1998 en 1999 een bijstandsuitkering ten bedrage van res-pectievelijk ¦ 21.305 en ¦ 23.513 per jaar. Haar ex-partner betaalde haar ¦ 275 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun dochtertje. Per kwartaal ontving de Dochter ongeveer ¦ 300 aan kinderbijslag. De Dochter genoot voor het overige geen inkomen.

1.8. De Dochter heeft geen of nagenoeg geen vermogen. Zij heeft geen diploma van een beroepsopleiding en heeft sinds de geboorte van haar zoontje in 1993 geen ar-beidsinkomen.

1.9. Belanghebbende genoot respectievelijk ¦ 126.885 (in 1998) en ¦ 112.833 (in 1999) aan loonbelasting onderworpen inkomsten. Hij heeft ¦ 99.631 (in 1998) en ¦ 85.055 (over 1999) aan belastbaar inkomen aangegeven. Aan buitengewone lasten heeft hij in zijn aangifte respectievelijk ¦ 11.071 en ¦ 9.451 opgevoerd. Deze bedra-gen zijn als volgt berekend:

1998 1999

- 12 x huur van de Middenwoning minus de bijdrage van de Dochter [zijnde 12 x (¦ 1.650 -/- 500)] 13.800 13.800

- Overige bijdrage woonlasten Dochter 374 nihil

- Totaal 14.174 13.800

- Af: drempel 3.103 4.349

11.071 9.451

1.10. Belanghebbende heeft over beide jaren een vermogen van nihil aangegeven.

1.11. In de loop van 2000 heeft de Dochter in de sociale sector een appartement in C gehuurd en is daar met haar dochtertje gaan wonen.

2. In geschil is of belanghebbende met betrekking tot de bedragen die hij per saldo ten behoeve van de Dochter aan huisvesting in 1998 en 1999 heeft uitgeven, zijnde ¦ 14.174, respectievelijk ¦ 13.800, recht heeft op buitengewone lasten aftrek.

3.1. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende aangevoerd.

Ik heb slechts een klein deel van de uitgaven die ik ten behoeve van mijn dochter heb gedaan als buitengewone last afgetrokken. In totaal heb ik circa ¦ 80.000 uitgegeven, met name aan advocaatkosten. Omdat een eerste psychiatrisch onderzoek vernie-tigend voor mijn dochter was, heb ik op mijn kosten een second opinion laten uitvoe-ren; dit kostte mij circa ¦ 8.000. Dit onderzoek was positief voor mijn dochter.

Mijn dochter kon in 1998 in C niet zelf aan een woning komen. Vanwege de grootte van mijn woning was de situatie thuis niet houdbaar. Daarom heb ik voor haar de Middenwoning gehuurd. Dit was een tijdelijke oplossing. Het was geen luxe woning. De eigen bijdrage die zij aan mij betaalde heb ik in overleg met de sociale dienst vastgesteld. Zodra mijn dochter zelfstandig een woning kon huren, is zij ver-huisd. Het was een wonder dat dit reeds in 2000 is gelukt.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft erop aangedrongen dat mijn dochter zo spoedig mogelijk zelfstandig zou gaan wonen.

Inmiddels betaalt de ex voor het dochtertje geen alimentatie meer.

Ik begrijp dat het fout was dat ik zelf de Middenwoning heb gehuurd. Als ik de in-specteur goed begrijp, was er niets aan de hand geweest indien ik mijn dochter de Middenwoning had laten huren en haar maandelijks ¦ 1.150 aan huisvestingskosten had vergoed. Dat wist ik niet en kon ik toch ook niet weten? Overigens had - gelet op de inkomens- en vermogenspositie van mijn dochter en gelet op haar maatschap-pelijke positie [alleenstaande ouder van circa 36 jaar met een dochtertje van ruim een jaar, zonder (uitzicht op) werk] niemand mijn dochter een woning verhuurd.

3.2. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende aangevoerd.

Op basis van het ter zitting door belanghebbende naar voren gebrachte neem ik niet langer het standpunt in dat de Dochter niet behoeftig was.

Ik kan niet anders dan de wet uitvoeren. Nu de uitgaven op zich zelf staan en goed te controleren zijn, leidt dat mogelijk - gelet op de ratio van de bepaling dat slechts voor de fiscus redelijkerwijs te controleren uitgaven als buitengewone last aftrekbaar zijn - in dit geval tot een onbedoeld effect.

Mocht belanghebbende - bij verlies van deze procedure - een beroep op de hard-heidsclausule willen doen, dan wil ik hem daarbij wel op enigerlei wijze helpen.

4.1. Artikel 46, lid 1, letter a, sub 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt, samengevat en voorzover hier van belang, dat uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen van 27 jaar en ouder alleen in aftrek kunnen worden gebracht indien zij met schrif-telijke bescheiden worden aangetoond en in geld of in geldeenheden andere dan de gulden worden gedaan.

4.2. Vaststaat dat belanghebbende ¦ 14.174 in 1998 en ¦ 13.800 in 1999 aan huis-vestingskosten ten behoeve van de Dochter heeft uitgegeven. Gelet op de aard van de uitgaven, te weten huur van een woning ten behoeve van de Dochter, is aannemelijk dat het om levensonderhoudsuitgaven gaat. Gelet op de volgende feiten en omstan-digheden kon belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen voelen de Dochter het genot van de woning te verschaffen:

- De woning van belanghebbende was te klein voor het duurzaam huisvesten van de Dochter met haar dochtertje.

- De Dochter bevond zich - als net-gescheiden ouder met een jong dochtertje, voornamelijk aangewezen op een bijstandsuitkering - maatschappelijk in een moeilijke situatie. Ook in psychisch opzicht was haar situatie uitermate moeilijk daar zij in verband met een positieve rechterlijke beslissing over een omgangs-regeling en over haar verzoek om haar te belasten met de uitoefening van het gezag over haar zoontje en dochtertje, diverse psychiatrische onderzoeken moest ondergaan.

- De Raad voor de Kinderbescherming drong erop aan dat de Dochter op korte termijn over eigen huisvesting zou beschikken.

- De Dochter beschikte over onvoldoende inkomen om zonder ondersteuning zelf-standig in de vrije sector een woning te huren en voor een woning in de sociale sector kwam ze op korte termijn niet in aanmerking.

- De Dochter beschikte niet over vermogen en had geen uitzicht op arbeids-inkomen.

- De Middenwoning was als tijdelijke oplossing bedoeld.

Het Hof acht - mede gelet op hetgeen de inspecteur daaromtrent ter zitting heeft ver-klaard en op de hierboven vermelde feiten en omstandigheden - aannemelijk dat de Dochter behoeftig was.

4.3. De inspecteur heeft gesteld dat het huren van een woning in de vrije sector met een maandelijkse huur van ¦ 1.650 niet gebruikelijk en niet in overeenstemming was met de maatschappelijke en financiële positie van de Dochter. Het huren van deze woning is naar het oordeel van de inspecteur meer ingegeven door zijn betalingscapaciteit dan door de behoeftigheid van de Dochter. Zijns inziens wordt er een behoeftigheid gecreëerd. Uit hetgeen het Hof onder 4.2 heeft overwogen, volgt dat belanghebbende door omstandigheden gedwongen was een woning in de vrije sector te huren. Het huren van een vrije sectorwoning betekent in dat geval niet dat de Dochter niet behoeftig was.

4.4. De onder 4.1 aangehaalde wetsbepaling schrijft voor dat de uitgaven in geld worden gedaan. Nu vaststaat dat de overeenkomst, waarbij belanghebbende de Mid-denwoning ten behoeve van de huisvesting van de Dochter huurde, tot stand is gekomen tussen belanghebbende en de verhuurder en belanghebbende die woning voorts ter beschikking stelde aan de Dochter, is het Hof van oordeel dat belangheb-bende heeft gefungeerd als verstrekker van de dienst en niet als verstrekker van het voor de huisvesting benodigde geld. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 7 maart 2001(nr. 36 039, gepubliceerd in BNB 2001/184 *) en van 6 december 2002, (nr. 37557, onder andere te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AF1589) is in casu sprake van uitgaven in natura. Het gelijk is op dit punt aan de inspecteur.

De wetgever heeft met de eis dat de uitgaven met schriftelijke bescheiden worden aangetoond en in geld worden gedaan blijkens de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 13 december 1996, Stb. 655, beoogd dat betalingen die belastingplichtigen doen ter ondersteuning van hun verwanten, slechts dan in aanmerking worden genomen wanneer deze zijn gedaan op wijze. (Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 32/33). Weliswaar zijn de litigieuze uitgaven voor de belasting-dienst redelijkerwijs te controleren, maar dat neemt niet weg dat de op dit punt duidelijke wettekst, mede gelet op de eerder ver-melde arresten van de Hoge Raad, aftrek verhindert omdat ze in natura zijn gedaan. Daaraan doet niet af dat de uitgaven in beginsel wel aftrekbaar zouden zijn geweest indien de Dochter - onder borgstelling van belanghebbende - de Middenwoning had gehuurd en belanghebbende haar maandelijks ¦ 1.050 in verband met de huur had vergoed.

5. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzon-dere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 28 januari 2003 door mr. Goes, in tegenwoordigheid van mr. Thijssen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uit-gesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.