Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
27-02-2003
Zaaknummer
02/00204
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aan de boerderij van belanghebbende te verrichten werkzaamheden zodanig onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden, dat het aanbrengen van een splitsing in een vergunningplichtig deel en een niet-vergunningplichtig deel niet mogelijk was. Nu verweerder ook overigens geen gegevens over het vergunningplichtig deel van de bouwkosten heeft verstrekt, gaat het Hof voor de bepaling van de grondslag van de bouwleges uit van het in de aanvraag van belanghebbende vermelde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 504
FutD 2003-0446
Belastingblad 2003/644

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak het Hoofd van de afdeling Middelen van de gemeente te P, verweerder.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 19 december 2001, aangevuld bij faxbericht van 18 maart 2002. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 12 november 2001, betreffende de ten name van belanghebbende geheven leges betreffende een bouwvergunning.

1.2. De door middel van een beschikking, gedagtekend 5 februari 2001, geheven leges bedraagt in totaal ¦ 13.446,20, waarvan ƒ 11.524 betrekking heeft op bouwleges. Na bezwaar tegen deze beschikking is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een bedrag van in totaal ¦ 12.798,24, waarvan ƒ 11.090,24 betrekking heeft op bouwleges.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een bedrag aan bouwkosten van ¦ 390.000 (exclusief BTW), verminderd met een vrijstelling voor het monumentale gedeelte van het pand.

1.4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. Ter zitting van 15 augustus 2002 zijn verschenen belanghebbende, alsmede namens verweerder B, tot bijstand vergezeld van C. Verweerder heeft ter zitting de Legesverordening te P 1996, zoals vastgesteld op 7 november 1995, de op dit besluit betrekking hebbende wijzigingsbesluiten (hierna de Verordening) en de bij de Verordening behorende Tarieventabel, overgelegd.

1.6. Bij brief van 28 augustus 2002 heeft het Hof naar aanleiding van de zitting van 15 augustus 2002 verweerder nadere inlichtingen gevraagd. Bij deze brief is verweerder het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2003 toegezonden. Een kopie van de brief aan verweerder, van het proces-verbaal en van de ter zitting door verweerder overgelegde stukken is bij brief van 28 augustus 2002 aan belangheb-bende toegezonden. Verweerder heeft gereageerd bij brief van 16 september 2002.

In een schrijven met twee bijlagen, gedagtekend 14 oktober 2002, heeft mr. D, fiscaal-jurist verzekeringsdeskundige, te Q, als gemachtigde van belanghebbende (hierna: gemachtigde), op de brief van verweerder van 16 september 2002 gereageerd. Van deze brief van gemachtigde met bijlagen heeft de griffier bij brief van 17 oktober 2002 een kopie aan verweerder toegezonden.

1.7. Ter zitting van 26 november 2002 zijn verschenen belanghebbende en diens gemachtigde, alsmede namens verweerder B, tot bijstand vergezeld van C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, een bouwondernemer, is medio september 2000 eigenaar geworden van een monumentale boerderij op het perceel a-straat 1 te Z. Belanghebbende heeft bij Burgemeester en Wethouders van de gemeente P een bouwvergunning aangevraagd voor het verbouwen van deze boerderij tot woonboerderij, welke aanvraag bij verweerder is ingekomen op 23 januari 2001. In de aanvraag is vermeld dat de bouwkosten volgens NEN 2631 zijn begroot op ¦ 390.000 (exclusief BTW).

2.2. Verweerder heeft de bouwvergunning verleend bij besluit van 5 februari 2001, met kennisgeving van de verschuldigde leges. Verweerder is hierbij uitgegaan van een bedrag aan bouwkosten van ¦ 1.057.500 (inclusief BTW). Verweerder heeft voorts bij de berekening van de verschuldigde bouwleges een aftrek toegepast voor het monumentale deel van het pand ter grootte van 22% van de bouwkosten.

2.3. De Tarieventabel behorende bij de Legesverordening P 1996, zoals gewijzigd op 14 november 2000 (hierna: de Tarieventabel), luidt voor zover van belang als volgt:

"Hoofdstuk 5 Bouwvergunningen c.a.

5.1 Onder bouwkosten in dit hoofdstuk wordt verstaan de aannemingssom (inclusief omzetbelasting) (…), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (inclusief omzetbelasting) als bedoeld in het Normblad NEN 2631 (…).

Bouwvergunningen

5.2. Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van:

(…)

Huidig Tarief na

tarief wijziging

(…)

5.2.2 een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergun-

ning, indien de bouwkosten, inclusief omzetbelasting:

(…)

- f. 150.000,- bedragen of meer f 2.523,00 f. 2.586,00

vermeerderd met 1,35% van het bedrag waarmee de

bouwkosten f. 150.000 te boven gaan.

(…)

5.2.5 Indien een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning betrekking heeft op een bouwplan voor een pand dat is opgenomen op de gemeentelijke lijst van monumenten, wordt voor het monumentale gedeelte van dit pand geen leges geheven als bedoeld in artikel 5.2.2."

2.4. Na bezwaar door belanghebbende tegen de hoogte van de leges, heeft verweerder een zogenoemde 'Adviseur voor bouwkosten' ingeschakeld, die de totale bouwkosten heeft begroot op ¦ 1.011.637. Van deze begroting is een rapport opgesteld dat tot de stukken behoort. Aan de hand van deze begroting heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de verschuldigde leges daarop afgestemd en verminderd tot in totaal ¦ 12.798,24, waarvan ƒ 11.090,24 betrekking heeft op bouwleges.

3. Geschil

In geschil is of de hoogte van het bedrag van de door belanghebbende verschuldigde bouwleges door verweerder terecht is vastgesteld op ƒ 11.090,24.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. Voor hetgeen ter zitting van 15 augustus 2002 door partijen is verklaard verwijst het Hof naar het proces-verbaal als vermeld onder 1.6.

4.3. Ter zitting van 26 november 2002 is door en namens belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht.

In de Verordening wordt omschreven wat onder bouwkosten moet worden verstaan. Artikel 5.1 van de Verordening verstaat daaronder de aannemingssom en bij gebreke daarvan een raming van de bouwkosten. Nu belanghebbende in de aanvraag de aannemingssom heeft vermeld, dient daarvan te worden uitgegaan. Verweerder is aan die opgaaf ten onrechte voorbij gegaan en heeft alsnog een raming gemaakt.

Belanghebbende had geen reden om een te lage aannemingssom op te geven. Ik ben het met verweerder eens dat alleen de buitenkant van de boerderij monumentaal is, maar in tegenstelling tot verweerder ben ik van mening dat die buitenzijde veel meer dan 22% uitmaakt van het gehele object. Mijns inziens ligt dit percentage tussen de 40-50%. Ik heb daarvan geen berekening. In mijn begroting ad ¦ 390.000 (exclusief BTW) heb ik nog geen rekening gehouden met de aftrek voor het monumentale gedeelte. Het uitgangspunt voor het bouwvergunningplichtig deel is mitsdien voornoemd bedrag minus 40%. Het door verweerder overgelegde rapport gaat uit van de bouw van een nieuwe boerderij. Daarvan is echter geen sprake, er zijn namelijk oude bouwmaterialen gebruikt. Het karkas is bijvoorbeeld blijven staan. Het vervangen van bijvoorbeeld buitenwanden en daken is niet-vergunningplichtig, terwijl verweerder deze kosten wel meeneemt in zijn begroting. Als alle werkzaamheden vergunningplichtig zouden zijn, dan ben ik bovendien van mening dat de kosten die ervoor berekend zijn door verweerder te hoog zijn.

4.4. Ter zitting van 26 november 2002 heeft verweerder nog het volgende naar voren gebracht.

De gemeente blijft op het standpunt staan dat sprake is van bouwactiviteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zodat niet kan worden gesproken van een vergunningsvrij en vergunningplichtig gedeelte. De totale kosten zijn bouwvergun-ningplichtig. Alsdan kom je aan een splitsing van kosten niet toe. Als het onderscheid voor de gemeente duidelijk is, wordt er wel gesplitst. Ik neem geen afstand van hetgeen ik heb verklaard op de zitting van 26 november 2002. Het monumentale deel van het pand omvat volgens ons niet meer dan 22%. Dat percentage is berekend aan de hand van de gegevens uit de rapportage, waarvan ik thans geen berekening kan overleggen. De monumentale werkzaamheden hebben, gelijk belanghebbende stelt, uitsluitend betrekking op de buitenzijde van de boerderij. Het door ons overgelegde rapport geeft een juiste voorstelling van de bouwwerkzaamheden.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat belanghebbende, een bouwondernemer, een aanvraag heeft ingediend voor het in eigen beheer verbouwen van een boerderij die door verweerder als monument wordt aangemerkt. De aanvraag is op 23 januari 2001 bij verweerder ingekomen. De begrote bouwkosten bedragen volgens de aanvraag ƒ 390.000, excl. BTW.

5.2. Onder bouwkosten als bedoeld in de Verordening zijn naar het oordeel van het Hof te verstaan bouwkosten waarvoor een bouwvergunning vereist is. Zoals blijkt uit het onder 1.6 vermelde proces-verbaal heeft verweerder ter zitting van 15 augustus 2002 verklaard dat als 'de totale verbouwing betrekking heeft op een deel waarvoor wel een bouwvergunning verplicht is en op een deel waarvoor dat niet geldt', dat dan 'slechts leges verschuldigd' is 'over de kosten die verband houden met het deel van de totale kosten waarvoor een bouwvergunning verplicht is'.

Voorts heeft verweerder verklaard dat de door verweerder ingeschakelde 'Adviseur voor bouwkosten' zich in zijn rapport niet heeft uitgelaten over de vraag welk gedeelte van de totale bouwkosten als bouwvergunningplichtig is aan te merken. Belanghebbende heeft gesteld dat in het onderhavige geval de bouwkosten van het gedeelte van de verbouwing van zijn boerderij waarvoor een bouwvergunning verplicht is ¦ 390.000 (exclusief BTW) bedraagt.

5.3. In de brief van het Hof van 28 augustus 2002 is aan verweerder gevraagd uiteen te zetten voor welke kosten belanghebbende bouwvergunningplichtig is.

5.4. In zijn brief van 16 september 2002 schrijft verweerder onder meer het volgende:

"Nog afgezien van de vraag of onderdelen van het bouwproject vergunningsvrij zijn, moet worden bezien of afzonderlijke werkzaamheden los kunnen worden gezien van het totale project. Gelet op jurisprudentie (…) moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Hoewel bepaalde werkzaamheden (…) niet onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden en op zichzelf beschouwd vergunningsvrij kunnen zijn, mogen Burgemeester en Wethouders een aanvraag niet splitsen in een vergunningplichtig en een vergunningsvrij deel. De bouwaanvraag moet als een geheel worden gezien.

Overigens kan een groot deel van de door X (…) genoemde werkzaamheden ook op zichzelf beschouwd niet als vergunningsvrij worden aangemerkt omdat ofwel de werkzaamheden betrekking hebben op de constructie van het bouwwerk, ofwel het uiterlijk van het pand wordt gewijzigd. (…)

Vrijwel ieder (ver)bouwplan heeft vergunningsvrije onderdelen in zich, maar hierin onderscheid maken ten behoeve van de legesberekening is ondoenlijk en onwerkbaar."

5.5. De onder 5.4 aangehaalde brief acht het Hof strijdig met de verklaring van verweerder ter zitting van 15 augustus 2002, in zoverre in die brief wordt gesteld dat een aanvraag voor een bouwvergunning niet mag worden gesplitst in een vergun-ningplichtig en een vergunningvrij deel. Deze tegenstrijdigheid is verweerder ter zitting van 26 november 2002 voorgehouden, waarop verweerder heeft verklaard dat in het onderhavige geval de onsplitsbaarheid van de kosten in casu meebrengt dat geen splitsing is gemaakt. Door zodanig de nadruk te leggen op de onsplitsbaarheid van de kosten, heeft verweerder naar het oordeel van het Hof te kennen gegeven dat het splitsen van bouwkosten in beginsel tot de mogelijkheden behoort. Voorzover op dit punt de brief van verweerder van 16 september 2002 strijdig is met de verklaring van verweerder ter zitting van 15 augustus 2002, gaat het Hof aan die brief voorbij. Dit houdt in dat het Hof ervan uitgaat dat verweerder bij de uitleg van het begrip bouwkosten als bedoeld in de Verordening daartoe uitsluitend de kosten rekent waarvoor de aanvrager van een bouwvergunning vergunningplichtig is en dat volgens verweerder in voorkomende gevallen een splitsing tussen een vergunningplichtig deel van de bouwkosten en een niet-vergunningplichtig deel van de bouwkosten dient te worden gemaakt. Het Hof acht deze uitleg van het begrip bouwkosten juist, waar belanghebbende aan de uitleg die verweerder van het begrip bouwkosten heeft gegeven ook het vertrouwen mag ontlenen dat door verweerder dienovereenkomstig pleegt te worden gehandeld.

5.6. Verweerder heeft gesteld dat het niet mogelijk was om de kosten van de verbouwing van de boerderij van belanghebbende te splitsen in een vergunningplichtig deel en een niet-vergunningplichtig deel. Naar het oordeel van het Hof heeft het op de weg van verweerder gelegen, gezien ook de op dit punt aan haar gevraagde inlichtingen, aannemelijk te maken dat de aan de boerderij van belanghebbende te verrichten werkzaamheden zodanig onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden, dat het aanbrengen van een splitsing als bedoeld onder 5.5 niet mogelijk was. Aangezien verweerder voor deze stelling geen, althans niet voldoende, bewijs heeft bijgebracht, gaat het Hof aan deze stelling voorbij.

5.7. Ter zitting van 26 november 2002 is namens belanghebbende desgevraagd en niet weersproken door verweerder verklaard dat het in de aanvraag vermelde bedrag is gebaseerd op de totale aanneemsom. Het verschil met het door verweerder berekende normbedrag is door belanghebbende verklaard uit onder meer de omstandigheid dat veel materialen van de verbouwde boerderij zijn hergebruikt. Voorts heeft belanghebbende ter zitting van 26 november 2002 verklaard dat in de aanvraag uitsluitend dat gedeelte van de totale kosten is vermeld - naar het Hof belanghebbende begrijpt: een gedeelte van de totale aanneemsom - dat bouwvergunningplichtig is. Een specificatie van deze bouwkosten is als bijlage bij het beroepschrift gevoegd, zij het dat deze specificatie uitmondt in een totaalsaldo van ƒ 289.286,94, excl. BTW, en derhalve niet aansluit op het in de aanvraag van de bouwvergunning vermelde bedrag van ƒ 390.000, excl. BTW. Gelet ook op de verklaring van belanghebbende ter zitting, gaat het Hof hierna uit van het in de aanvraag vermelde bedrag.

5.8. Nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bouwkosten niet konden worden gesplitst en hij ook overigens geen gegevens over het vergunningplichtig deel van de bouwkosten heeft verstrekt, brengt het vooroverwogene het Hof ertoe om voor de bepaling van de grondslag van de bouwleges uit te gaan van het in de aanvraag vermelde bedrag. Inclusief BTW bedragen de totale bouwkosten 119/100 x ¦ 390.000 = ¦ 464.100.

5.9. Ingevolge artikel 5.2.5 van de Verordening wordt de bouwleges verminderd voorzover de bouwkosten betrekking hebben op het monumentale gedeelte van het pand. Dat in verband hiermee een vermindering van de bouwleges in aanmerking moet worden genomen is tussen partijen niet in geschil. In geschil is de mate waarin de vermindering voor monumenten moet worden toegepast. Belanghebbende stelt deze vermindering op 40 à 50% van de totale bouwkosten en verweerder stelt deze vermindering op 22%.

5.10. Naar het oordeel van het Hof heeft het primair op de weg van belanghebbende gelegen om de gestelde vermindering van de bouwleges nader te onderbouwen. Op dit punt is belanghebbende naar het oordeel van het Hof in gebreke gebleven. Van zijn kant is althans onvoldoende informatie verstrekt om een nader oordeel over de omvang van het monumentale karakter van het onderhavige pand mogelijk te maken. Dit brengt het Hof ertoe om, voor wat betreft het percentage dat betrekking heeft op het pand als monument, uit te gaan van de 22% die verweerder heeft gesteld.

5.11. Verweerder heeft de bij de primaire beschikking in rekening gebrachte bouwleges naar het Hof deze beschikking begrijpt als volgt berekend: {(ƒ 1.057.500 -/- ƒ 150.000) x 1,35/100 + 2.586} x 78/100 = ƒ 11.573,06. Het verschil met het onder 1.2 vermelde bedrag is vermoedelijk terug te voeren op een afrondingsverschil.

5.12. Verweerder heeft de bij de uitspraak op het bezwaarschrift verlaagde bouwleges naar het Hof deze beschikking begrijpt als volgt berekend: {(ƒ 1.011.637 -/- ƒ 150.000) x 1.35/100 + 2.586} x 78/100 = ƒ 11.090,12. Het verschil met het onder 1.2 vermelde bedrag is vermoedelijk terug te voeren op een afrondingsverschil.

5.13. Naar het oordeel van het Hof is de wijze waarop verweerder de verschuldigde bouwleges berekent niet juist. Volgens een juiste wijze van berekenen zou de bouwleges bij de uitspraak op het bezwaarschrift als volgt nader moeten zijn vastgesteld: {(ƒ 1.011.637 x 78/100) - ƒ 150.000} x 1,35/100 + ƒ 2.586 = ƒ 11.214.

5.14. Nu verweerder, zoals het Hof uit onderdeel 5.11 en 5.12 afleidt, kennelijk in begunstigende zin afwijkt van de wijze van berekenen als vermeld onder 5.13, dient naar het oordeel van het Hof ook in het onderhavige geval de wijze van berekenen van de bouwleges als vermeld onder 5.11 en 5.12 te worden gevolgd. Dit leidt ertoe dat de bouwleges als volgt nader dient te worden vastgesteld: {(ƒ 464.100 -/-

ƒ 150.000) x 1,35/100 + 2.586} x 78/100 = ƒ 5.325.

5.15. Gezien het hiervoor overwogene is het gelijk deels aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag vastgesteld op € 352, te weten € 322 x 1 (0,5 voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en 0,5 voor het verschijnen ter nadere zitting) x 1 (vanwege het gewicht van het geschil) = € 322, alsmede de reiskosten van belanghebbende om de zittingen van 15 augustus 2002 en 26 november 2002 bij te kunnen wonen, welke het Hof heeft begroot op € 30. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de legesbeschikking tot een waarin als bouwleges een bedrag in aanmerking wordt genomen van ¦ 5.325,

- gelast de Gemeente te P het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 352 en wijst de Gemeente te P aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Aldus vastgesteld op 11 februari 2003 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

a) Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

b) Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

c) Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.