Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF4806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2003
Datum publicatie
20-02-2003
Zaaknummer
02/1806
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een hypothecaire lening. Op de verschuldigde rente krijgt hij personeelskorting. Over de jaren 1996 en 1999 brengt hij niettemin het bedrag zonder korting in aftrek. Bij zijn aangifte over 1996 was een jaaropgave van de hypotheek gevoegd. Met betrekking tot dat jaar ontbreekt een nieuw feit. Bij de (electronische) aangifte over 1999 was niet een dergelijke jaaropgave gevoegd, daar is wel een nieuw feit. Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen. Grove schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 497
FutD 2003-0372
V-N 2003/33.6
V-N 2003/12.3.2

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

twee uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 11 maart 2002, ingediend door … als gemachtigde en aangevuld bij brief van 23 april 2002.

Het beroep is gericht tegen twee uitspraken van de inspecteur, gedagtekend 7 maart 2002 en 20 februari 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomsten-belasting/pre-mie volksverzekeringen voor het jaar 1996 onderscheidenlijk 1999.

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 113.009. Vervolgens is aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 118.879. Deze navorderingsaanslag is verhoogd met 100% van de nagevorderde belasting, ofwel ƒ 3.522, welke verhoging is kwijtgescholden tot op 25%, ofwel ƒ 880. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd, in die zin dat de verhoging geheel is kwijtgescholden en de nagevorderde belasting in stand is gelaten.

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 128.233. Vervolgens is aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 133.964. Tegelijkertijd is bij beschikking aan belanghebbende een boete opgelegd van 25% van de nagevorderde belasting, ofwel ƒ 859. Na bezwaar tegen de aanslag en de boetebeschikking zijn deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de boete.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 5 november 2002 zijn verschenen bovengenoemde gemachtigde en, namens de inspecteur, …. Belanghebbende heeft een pleitnota ingezonden die wordt geacht te zijn voorgedragen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is in loondienst werkzaam bij A te B (de werkgever). Belanghebbende heeft een hypothecaire geld-le-ning af-ge-slo-ten bij C (de geldverstrekker), naar het Hof begrijpt een met de werkgever verbonden rechtspersoon. De geldverstrekker heeft belanghebbende een zo-genoemde personeelskorting verstrekt op de ter zake van de vermelde geldlening verschul-digde rente. Over het jaar 1996 was belanghebbende ƒ 14.556,67 aan rente ver-schul-digd, waarop hem een personeelskorting van ƒ 5.870,04 was verleend, zodat hij (ƒ 14.556,67 - ƒ 5.870,04 =) ƒ 8.686,63 rente heeft betaald. Over het jaar 1999 was belang-hebbende ƒ 11.191,80 aan rente verschuldigd, waarop hem een personeelskorting van ƒ 5.730,72 was verleend, zodat hij (ƒ 11.191,80 - ƒ 5.730,72 =) ƒ 5.461,08 rente heeft betaald.

2.2. De geldverstrekker heeft belanghebbende jaarlijks een opgave verstrekt, waarop onder meer de in rekening gebrachte rente staat vermeld. Het bedoelde overzicht voor het jaar 1996 luidt onder meer als volgt:

" Fiscale gegevens voor het belastingjaar 1996

Restant lening per 31-12-1996 194.402,46

Hypotheekrente 14.556,67

Personeelskorting 5.870,04 "

Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 een bedrag van ƒ 14.556 als hypotheekrente in aftrek gebracht. Hij heeft het hiervoor vermelde overzicht als bijlage meegezonden bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1996. De inspecteur heeft de aanslag overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

2.3. Het bedoelde overzicht voor het jaar 1997 luidt onder meer als volgt:

" Fiscale gegevens voor het belastingjaar 1997

Restant lening per 31-12-1997 191.903,20

Rentekorting personeel 5.798,20

Berekende (verschuldigde) rente 13.897,66 "

2.4. Het bedoelde overzicht voor het jaar 1998 luidt onder meer als volgt:

" Fiscale gegevens voor het belastingjaar 1998

Restant lening per 31-12-1998 191.024,83

Rentekorting personeel 5.736,24

Vergoeding omzetting lening 6.568,98

Berekende (verschuldigde) rente 11.976,56 "

2.5. Het bedoelde overzicht voor het jaar 1999 luidt onder meer als volgt:

" Fiscale gegevens voor het belastingjaar 1999

Restant lening per 31-12-1999 191.024,83

Rentekorting personeel 5.730,72

Berekende (verschuldigde) rente 11.191,80 "

Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 elektronisch aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, zonder daarbij bijlagen aan de Belastingdienst te doen toekomen. In zijn aangifte heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 11.192 als hypotheekrente in aftrek gebracht. De inspecteur heeft de aanslag overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

2.6. Bij brief van 8 mei 2001, door de inspecteur ontvangen op 9 mei 2001, heeft de Belastingdienst D bericht dat gebleken was dat werknemers van de werkgever bij het doen van hun aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen soms ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de ontvangen personeelskorting. Daarbij zijn de gegevens van, onder meer, belanghebbende vermeld. Naar aanleiding van deze brief heeft de inspecteur een nader onderzoek ingesteld en de in geding zijnde navorderingsaanslagen opgelegd.

3. Geschil

In geschil is primair of de inspecteur beschikte over het voor het opleggen van de in geding zijnde navorderingsaanslagen vereiste nieuwe feit. Subsidiair is in geschil of de inspecteur met het opleggen van die navorderingsaanslagen in strijd is gekomen met het gelijkheids-beginsel. Nog meer subsidiair is in geschil of belanghebbende voor wat betreft het jaar 1999 grove schuld te verwijten valt.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Namens belanghebbende: Ik erken dat bij E terecht niet is nagevorderd. Mijns inziens is bij F gehandeld met een oogmerk van begunstiging. De inspecteur had bij de aangifte over 1999 een onderzoek moeten instellen, omdat de afgetrokken hypotheekrente aanmerkelijk verschilde van die in vorige jaren. Belanghebbende heeft steeds zelf aangifte gedaan. In 1997 en 1998 heeft hij het juist gedaan, kennelijk wist hij hoe het moet. Mij is niet bekend dat bij de jaaropgave over 1999 extra informatie is verstrekt. Belanghebbende kan niet worden verplicht een navorderingsaanslag te vragen.

Namens de inspecteur: Ik heb een kopie ontvangen van de door belanghebbende ingezonden pleitnota. Bij het vaststellen van de aanslag over 1996 is de inspecteur afgegaan op de hypotheekrente die was vermeld op de jaaropgave van de geldverstrekker. Bij F is een fout gemaakt, waardoor navordering achterwege is gebleven. De aftrek over 1999 was ongeveer gelijk aan die over 1998, daarom is geen onderzoek ingesteld. Uit de omstandigheid dat belanghebbende in zijn aangiften voor 1997 en voor 1998 de rente juist heeft vermeld, blijkt dat hij wist hoe het moet. Dat hij desondanks in 1999 een onjuist bedrag vermeldde, is dan aan zijn grove schuld te wijten.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Nieuw feit

5.1.1. Belanghebbende stelt primair dat de inspecteur de in geding zijnde na-vor-de-rings-aan-sla-gen niet mocht opleggen, omdat zij zijn opgelegd ter zake van een feit dat de inspecteur be-kend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Ten aanzien van de na-vor-de-rings-aan-slag voor het jaar 1996 is het Hof van oordeel dat een normale zorgvuldigheid meebrengt dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kennis neemt van de bij de aangifte gevoegde bij-lagen, waaronder het hiervoor onder 2.2 gevoegde jaaroverzicht. De op het overzicht vermel-de bedragen aan hypotheekrente en personeelskorting staan in zodanige verhouding tot het eveneens vermelde bedrag van de lening dat redelijkerwijs moet worden betwijfeld dat de vermelde hypotheekrente de rente na aftrek van de vermelde personeelskorting is. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur in redelijkheid behoorde te twijfelen aan de juist-heid van het in de aangifte vermelde bedrag aan betaalde hypotheekrente. Deze twijfel had hem ertoe behoren brengen vóór het vaststellen van de aanslag aan belanghebbende daar-over nadere vragen te stellen. Door dit na te laten heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof een ambtelijk verzuim gepleegd dat aan navordering in de weg staat. Dat brengt mee dat de navorderingsaanslag voor het jaar 1996 moet worden vernietigd.

5.1.2. Bij de aangifte voor het jaar 1999 was niet het door de geldverstrekker verstrekte jaarover-zicht gevoegd, zodat dit overzicht voor de inspecteur geen aanleiding behoefde te zijn na-dere vragen te stellen. Ook vergelijking met de voor het jaar 1998 in aftrek gebrachte rente be-hoefde naar 's Hofs oordeel daarvoor geen aanleiding te zijn, nu dit bedrag, naar de inspec-teur onweersproken heeft gesteld, niet in belangrijke mate verschilde van het bedrag dat be-lang-hebbende in zijn aangifte voor het jaar 1999 in aftrek bracht. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat in het jaar 1998 een bedrag aan boeterente was betaald in verband met het oversluiten van de hypotheek.

5.2. Gelijkheidsbeginsel

5.2.1. Belanghebbende stelt subsidiair dat de inspecteur met het opleggen van de in geding zijn-de navorderingsaanslagen in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en dat de na-vor-de-rings-aanslagen deswege moeten worden vernietigd. In dit verband stelt belanghebben-de dat F te G in dezelfde omstandigheden verkeert als belanghebbende, dat aan F niettemin geen navorderingsaanslag is opgelegd, dat de inspecteur F derhalve gunstiger heeft behandeld en dat deze behandeling voortkomt uit een oogmerk van begunstiging. De inspecteur stelt dat de situatie van F aanvankelijk onjuist is beoor-deeld, dat ten onrechte de conclusie is getrokken dat aan F geen na-vor-de-rings-aanslag diende te worden opgelegd, dat deze conclusie aan F is meegedeeld en dat daarom niet alsnog een navorderingsaanslag kon of kan worden opgelegd. Voorts heeft de inspec-teur weersproken dat deze behandeling van F voortkomt uit een oogmerk van begun-stiging. Het Hof acht de verklaring van de inspecteur aannemelijk. Het Hof acht niet aanne-melijk dat de gunstige behandeling van F voortkomt uit een oogmerk van begunstiging.

5.2.2. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat niet alleen F, maar ook E te H in dezelfde situatie verkeert als belanghebbende en dat de inspecteur aan E geen navorderingsaanslag heeft opgelegd. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat E vanaf 1996 steeds het juiste bedrag aan hypotheekrente in aftrek heeft gebracht en dat voor het jaar 1995 geen navorderingsaanslag kon worden opgelegd, omdat de daarvoor geldende termijn inmiddels was verstreken. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat aan E geen navorderingsaanslag is opgelegd, niet voortvloeit uit een handelen van de inspecteur, maar uit de wet. De situatie van E is daarom niet vergelijkbaar met die van belanghebbende. In het kader van belanghebbendes beroep op de meerderheidsregel resteert dan slechts F. Derhalve is van een meerderheid van de met de situatie van belanghebbende vergelijkbare gevallen waarin een juiste wetstoepassing is achterwege gebleven, geen sprake.

5.2.3. Op grond van het vorenoverwogene verwerpt het Hof het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel.

5.3. Boete

Belanghebbende stelt meer subsidiair dat hem geen boete mocht worden opgelegd, omdat ter zake van het beboete feit bij hem alle schuld afwezig is, althans dat geen sprake is van grove schuld. Uit de omstandigheid dat belanghebbende voor de jaren 1997 en 1998 het juiste be-drag aan hypotheekrente in zijn aangifte heeft vermeld, leidt het Hof af dat belanghebbende ervan op de hoogte was dat slechts de daadwerkelijk door hem betaalde hypotheekrente, dus nadat daarop de personeelskorting in mindering was gebracht, mocht worden afgetrokken. Voorts leidt het Hof daaruit af dat belanghebbende begreep dat bij de op het jaaroverzicht vermelde "Berekende (verschuldigde) rente" de personeelskorting nog niet in mindering was gebracht. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende redelijkerwijs moeten begrijpen dat zulks ook voor het jaar 1999 het geval was. Door niettemin uit te gaan van het vermelde bedrag "Berekende (verschuldigde) rente" zonder daarop de personeelskorting in mindering te brengen is het naar het oordeel van het Hof aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslag naar een te laag bedrag werd opgelegd. Naar 's Hofs oordeel is hem terecht een boete opgelegd. De boete ter grootte van 25% van de nagevorderde belasting, ofwel ƒ 859, is in overeenstemming met § 25 van het Be-sluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Het Hof acht deze boete passend en geboden.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 2 (proceshandelingen: beroepschrift en verschijnen ter zitting) ´ 1 (wegingsfactor gewicht van de zaak) ´ € 322, ofwel € 644.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslag over het jaar 1996;

- vernietigt de navorderingsaanslag over het jaar 1996;

- bevestigt de uitspraak van de inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslag over het jaar 1999 en de boetebeschikking;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 10 februari 2003 door mr. Beukers-Van Dooren, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.