Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF4505

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
23-004330-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 348, geldigheid: 2003-02-14
Wetboek van Strafvordering 415, geldigheid: 2003-02-14
Wetboek van Strafvordering 422, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer:

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

UITSPRAAK

op de ter terechtzitting van 7 februari 2003 gevoerde verweren in de zaak van:

L. VERMOGENSBEHEER B.V.,

gevestigd te

De procesgang

Het hof heeft de advocaten-generaal, de vertegenwoordiger van verdachte, de heer L. en mr. J.S. Pen, advocaat te Amsterdam, namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2003 gehoord.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard om redenen zoals in zijn pleitnota, overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2003, verwoord.

Het hof overweegt het volgende.

De rechtbank heeft in de onderhavige zaak bij vonnis van 22 juni 2001 het openbaar ministerie ten aanzien van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde feit niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is onherroepelijk, waardoor thans in hoger beroep slechts het onder 1 tenlastegelegde feit - kortweg de loonbelastingkwestie - aan de orde is. Het verweer komt in essentie erop neer dat de door de rechtbank gegeven niet-ontvankelijkheid voor het onder 2 tenlastegelegde feit zich ook behoorde uit te strekken tot het thans in hoger beroep aan de orde zijnde feit.

De opvatting van de verdediging dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet worden uitgegaan van het zaaksbegrip in de betekenis die daaraan wordt gegeven in de artikelen 89, 258 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, vindt geen steun in het recht. De rechter dient ten aanzien van elk afzonderlijk tenlastegelegd feit het gehele beslissingsschema, zoals neergelegd in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, te doorlopen. Hieraan doet niet af dat in het geval van een omvangrijk en complex dossier, zoals het onderhavige, de feiten die op de dagvaarding afzonderlijk zijn tenlastegelegd, tijdens het opsporingsonderzoek (nog) niet werden onderscheiden dan wel gescheiden. Het hof is van oordeel dat bij de opsporing en vervolging van het thans in hoger beroep aan de orde zijnde tenlastegelegde feit geen gebreken kleven die tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie behoren te leiden.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht aangenomen dat dit feit in een te ver verwijderd verband staat van de door de rechtbank geconstateerde onzorgvuldigheden, aangezien geen van de door de raadsman genoemde klachten dan wel onzorgvuldigheden betrekking hebben op - kort gezegd - de loonbelastingkwestie.

Met betrekking tot het door de raadsman gewraakte persbeleid is het hof van oordeel dat in de destijds uitgebrachte persberichten met name is te lezen dat het betrof het ontduiken van omzet-, vermogens- en inkomstenbelasting als gevolg van het gebruik van rekeningen, van welke de identiteit van de rechthebbenden werd verhuld. Die lezing wordt niet anders, indien jaren na het verschijnen van die persberichten, blijkt dat als enig tenlastegelegd fiscaal delict het opzettelijk ontduiken van loonbelasting resteert.

Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gestelde feiten, zowel tezamen genomen als afzonderlijk, niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met betrekking tot het in hoger beroep aan de orde zijnde feit kunnen leiden.

De redelijke termijn

De raadsman van verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

Het hof overweegt hieromtrent dat het gerechtelijk vooronderzoek tegen L. Vermogensbeheer B.V. in 1997 is geopend en is gesloten in 2001. De rechtbank heeft in laatstgenoemd jaar vonnis gewezen.

Gelet op de complexiteit van het verrichte onderzoek, met inbegrip van het gerechtelijk vooronderzoek, de omstandigheid dat de zaken tegen medeverdachten op begrijpelijke en te billijken proceseconomische gronden gelijktijdig zijn berecht vanwege de onderlinge samenhang tussen de tenlastegelegde feiten en de voortvarendheid die door het openbaar ministerie is betracht bij het aanbrengen van de zaak in hoger beroep, is het hof voorshands van oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden. Dit verweer treft evenmin doel.

De beslissing

Het hof:

Verwerpt de preliminaire verweren van de verdediging.

Deze uitspraak is gegeven door de vierde meervoudige strafkamer, tevens belast met behandeling van economische delicten, van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Wiewel, Verspyck Mijnssen en De Winter, in tegenwoordigheid van mr. Wolters als griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 14 februari 2003.