Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF3994

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2003
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-001784-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; medeplegen van doodslag; medeplegen van: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is. Alles in relationele sfeer (slachtoffer was echtgenoot van mededader).

12 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001784-02

datum uitspraak 27 januari 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank

te Utrecht van 2 mei 2002

in de strafzaak onder parketnummer 16-120240-01

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Midden Holland, huis van bewaring Haarlem te Haarlem.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 april 2002 en in hoger beroep van 13 januari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 in de eerste plaats is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 in de tweede plaats en 3 is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

in de periode van 18 juni 2001 tot en met 19 juni 2001 te Amersfoort en elders in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

-één of meermalen die [slachtoffer] vastgepakt en/of vastgegrepen en -tegen zijn wil- in een meterkast geduwd en/of laten stappen en/of die kast op slot gedaan en

-die [slachtoffer] -tegen zijn wil- vastgehouden in zijn woning aan de [adres slachtoffer] en

-die [slachtoffer] meegetrokken of meegenomen naar de slaapkamer in die woning aan de [adres slachtoffer] en/of de deur van die slaapkamer gesloten en die [slachtoffer] -tegen zijn wil- vastgehouden in de slaapkamer van die woning en

-tegen de wil van die [slachtoffer]- het slot van de voordeur van die woning op slot gedraaid en klemmen/schuiven op die voordeur gedaan en/of dichtgeschoven en aldus die [slachtoffer] belet die woning te verlaten en

-die [slachtoffer] -tegen zijn wil- meegenomen naar een auto en die [slachtoffer] plaats laten nemen in die auto en die [slachtoffer] -tegen zijn wil- in de kofferbak van die auto laten stappen en de kofferbak van die auto dichtgedaan en gesloten en met die personenauto weggereden en blijven rijden en die [slachtoffer] belet die auto te verlaten;

ten aanzien van het onder 2 in de tweede plaats bewezenverklaarde:

in de periode van 18 juni 2001 tot en met 19 juni 2001 in het arrondissement Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft en is hij, verdachte, en/of zijn mededader toen en aldaar opzettelijk

bovenop die op de grond liggende [slachtoffer] gaan zitten en een hand op de mond van die [slachtoffer] gedrukt en gehouden en beide handen om de keel/hals van die [slachtoffer] gedaan en/of gebracht en/of met beide handen geduwd op de keel/hals van die [slachtoffer] en

één of meermalen die [slachtoffer] met kracht tegen het gezicht en/of het hoofd en het lichaam geslagen en getrapt en/of geschopt en

meermalen die [slachtoffer] met kracht met een koevoet op/tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

op 19 juni 2001 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [adres slachtoffer],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

op plaatsen/plekken in de woonkamer van die woning en elders in die woning opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid papier of één of meer andere brandbare stof(fen),

tengevolge waarvan de inboedel van die woning en goederen in die woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de belendende woningen en de zich in die woning en de belendende woningen bevindende goederen en levensgevaar voor de zich in die belendende woningen bevindende personen te duchten was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van een verweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden, nu de onder 1 vermelde gedragingen, naar de raadsman stelt, niet vallen onder de delictsomschrijving van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht (wederrechtelijke vrijheidsbeneming) maar onder die van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht (dwang).

Het hof verwerpt dit verweer. De aan verdachte en zijn mededader onder 1 verweten gedragingen komen er -kort gezegd- op neer dat zij het slachtoffer gedurende een bepaalde periode tegen zijn wil in zijn vrijheid van beweging hebben belemmerd, hetgeen aangemerkt moet worden als wederrechtelijke vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht. Ook hetgeen het hof daarvan bewezen heeft verklaard moet als zodanig gekwalificeerd worden en stoelt op de inhoud van de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van het onder 2 ten tweede bewezenverklaarde:

Medeplegen van doodslag.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor

een ander te duchten is.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft de raadsman onder meer bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte ten tijde van het gebeurde verkeerde in een situatie van psychische overmacht. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman verwezen naar de inhoud van het omtrent verdachte uitgebrachte rapport van het Pieter Baan Centrum van 28 maart 2002.

Uit voormeld rapport valt af te leiden dat de medeverdachte druk op verdachte heeft uitgeoefend, maar anders dan de raadsman betoogt blijkt uit het rapport niet dat die druk zodanig is geweest dat van verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij daaraan weerstand zou bieden. Nu ook overigens niet aannemelijk is geworden dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan, wordt het beroep op psychische overmacht gepasseerd.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

In de periode van 18 juni 2001 tot en met 19 juni 2001 heeft verdachte samen met zijn mededader het slachtoffer [slachtoffer] in zijn eigen woning van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Doel van deze vrijheidsberoving zou zijn geweest om het slachtoffer te dwingen een verklaring op papier te laten zetten en te laten ondertekenen dan wel een verklaring te laten afleggen die middels een dictafoon op band zou worden opgenomen. Tijdens deze vrijheidsberoving is het slachtoffer systematisch ernstig mishandeld.

Verdachte en/of zijn mededader hebben [slachtoffer] in een meterkast laten plaatsnemen waarna de deur werd (af)gesloten. Voorts is het slachtoffer in de slaapkamer vastgehouden en is hem belet de woning te verlaten door de voordeur van die woning te vergrendelen. Vervolgens hebben verdachte en zijn mededader het slachtoffer in een auto laten plaatsnemen. Enige tijd later werd het slachtoffer gedwongen in de kofferbak van de auto te stappen waarna die kofferbak is gesloten. Verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer gebracht naar de rijksweg A28 ter hoogte van hectometerpaal 6.2 waar hij moest uitstappen. Toen het slachtoffer was gevallen is de mededader van verdachte op hem gaan zitten en heeft hem met beide handen op de keel/hals geduwd terwijl verdachte [slachtoffer] wederom tegen zijn gezicht/hoofd en het lichaam heeft getrapt/geschopt en hem met een koevoet vele malen tegen zijn gezicht, hoofd en lichaam heeft geslagen. Als gevolg van deze buitensporige mishandelingen is het slachtoffer overleden. Verdachte en zijn mededader hebben, om sporen uit te wissen, het slachtoffer ontkleed en het ontzielde lichaam langs de snelweg achtergelaten. Aansluitend zijn verdachte en zijn mededader naar de woning van het slachtoffer teruggekeerd om ook daar sporen van het misdrijf uit te wissen. Hiertoe heeft verdachte op diverse plaatsen in de woonkamer en in de slaapkamer van die woning brand gesticht. De woning en de zich daarin bevindende goederen zijn hierdoor gedeeltelijk verbrand. Door deze brand bestond tevens gevaar voor goederen in belendende woningen alsook levensgevaar voor de in die belendende percelen aanwezige personen.

De rechtsorde is door de bewezenverklaarde feiten zeer ernstig geschokt.

Het hof heeft tevens gelet op de inhoud van:

-een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 5 december 2002, betreffende verdachte;

-een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van het Leger des Heils, afdeling reclassering, van 10 augustus 2001, opgemaakt door mevrouw A. Veltman, reclasseringswerkster;

-een rapport betreffende verdachte van het Pieter Baan Centrum, van 28 maart 2002, ondertekend door H.E.W. Koornstra, psycholoog en H.D. Sierink, psychiater.

Laatstgenoemd rapport houdt onder meer in als conclusie -zakelijk weergegeven-:

Onderzochte heeft ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid

-overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Onderzochte was ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusie over.

Al het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 157, 282 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 in de tweede plaats en 3 tenlastegelegde feiten zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 12 (TWAALF) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs.Mijnsberge, IJland-van Veen en Van Atteveld, in tegenwoordigheid van Bekker als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2003.