Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF3403

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
27-01-2003
Zaaknummer
01/02825
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU6887
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat de parkeercontroleurs zich door belanghebbende zo bedreigd hebben gevoeld dat zij ervan hebben afgezien het aanslagbiljet ofwel uit te reiken aan belanghebbende, ofwel aan te brengen aan of op zijn auto. De nadien uitgereikte betalingsherinnering kan worden aangemerkt als een “duplicaat” van het aanslagbiljet. Met de ontvangst daarvan door belanghebbende is de aanslag bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/799
FutD 2003-0240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de directeur van Stadstoezicht te Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 augustus 2001.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 24 augustus 2001, betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer 123456.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en de naheffingsaanslag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Bij brief van 1 juli 2002 heeft belanghebbende nadere stukken aan het Hof gezonden. Kopieën hiervan zijn bij brief van de griffier van 4 juli 2002 aan verweerder gezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Tiende Enkelvoudige Belastingkamer van 16 juli 2002. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van A, alsmede namens verweerder B. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

Het lid van de Tiende Enkelvoudige Belastingkamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige belastingkamer. Hiervan is aan partijen mededeling gedaan.

Ter zitting van de Vierde Meervoudige Belastingkamer van 20 december 2002 zijn verschenen belanghebbende, alsmede namens verweerder B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 3 mei 2001, rond 16.59 uur, parkeerde belanghebbende zijn auto, met kenteken AA-BB-00, aan de a-straat te Amsterdam. Belanghebbende was ter zake van het parkeren parkeerbelasting verschuldigd. Belanghebbende ging een winkel aan de a-straat 36 binnen om pasmunt te halen voor de voldoening van de parkeerbelasting. Hij zag vanuit de winkel twee parkeercontroleurs (hierna de controleurs) bij zijn auto staan en liep op hen af, waarna een woordenwisseling ontstond.

2.2. Belanghebbende heeft van Gemeentebelastingen Amsterdam een op zijn naam gestelde "Herinnering Parkeerbelasting" met dagtekening 15 juni 2001 (hierna de Herinnering) ontvangen, waarin onder andere het volgende staat vermeld:

"Tijdens een controle heeft de dienst Parkeerbeheer/Stadstoezicht, op 03-05-2001 om 16.59 uur ter plaatse van TH A-STRAAT 28 te Amsterdam, geconstateerd dat voor uw auto met het kenteken AA-BB-00 geen (of niet voldoende) parkeergeld was betaald. Vervolgens bent u in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag binnen twee dagen te voldoen ten kantore van de dienst Stadstoezicht. U hebt van dit aanbod geen gebruik gemaakt.

De dienst Parkeerbeheer/Stadstoezicht heeft de invordering van deze naheffingsaanslag overgedragen aan Gemeentebelastingen Amsterdam. Ik verzoek u per omgaande het verschuldigde bedrag op mijn rekening te storten. Voor de betaling kunt u de aangehechte acceptgiro gebruiken.

De directeur Gemeentebelastingen

THANS VERSCHULDIGD 73,50

Betaal binnen twee dagen! (…)."

2.3. Belanghebbende heeft, naar aanleiding van de ontvangst van de Herinnering, met dagtekening 7 juni 2001 bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij onder andere het volgende geschreven:

"Enig ander bericht m.b.t. deze aanslag heb ik nimmer ontvangen. De herinnering is dus een eerste kennisgeving.

(…)

Ik heb mijn auto op een daarvoor bestemde plaats geparkeerd en ben vervolgens, omdat ik geen muntgeld bezat, naar een winkel gegaan om daar geld te wisselen.

Ik was binnen 3 minuten terug bij mijn voertuig en toen stonden de "Heren" al te schrijven.

Ondanks het feit dat ik hen het arrest van de Hoge Raad in herinnering bracht, waarbij een marge van 10 minuten is bepaald, waren deze, in mijn ogen zeer incompetente, lieden niet bereid de bekeuring te vernietigen en verklaarden van zo'n arrest niet op de hoogte te zijn.

Men weigerde mij hun naam of enige identificatie te tonen.

Ik heb hen toen, onder vermelding van mijn motieven, verteld een boete nimmer te zullen betalen en ben, na parkeergeld te hebben betaald en het bonnetje achter mijn ruit te hebben geplaatst, gaan winkelen, waarbij ik de "Heren" in het oog hield.

Na enig overleg hadden de vernoemde incompetente beambten kennelijk besloten de bon alsnog te vernietigen, want ik heb, hoewel men wist maar ik mij bevond, geen bon gekregen, noch is deze op mijn auto achter gelaten."

Verweerder heeft het bezwaarschrift op 15 juni 2001 ontvangen.

2.4. Belanghebbende heeft bij de brief van 1 juli 2002 schriftelijke verklaringen van C, D en A, de eerste twee met datum 29 juni 2002 en de derde met datum 1 juli 2002, ingebracht. D verklaart daarin onder andere het volgende:

"X, die zeer geëmotioneerd was door het onbehoorlijke gedrag van de betreffende ambtenaren, constateerde vervolgens opgelucht dat de heren vertrokken zonder een bon op zijn auto achter te laten."

C verklaart in zijn verklaring onder andere het volgende:

"Na onderling overleg zijn de heren ambtenaren vertrokken zonder een bon op de auto van X achter te laten."

2.5. Verweerder heeft bij zijn verweerschrift als bijlage een "naheffingsaanslag parkeerbelasting" meegezonden. Het naheffingsaanslagbiljet vermeldt onder andere het kenteken van belanghebbendes auto, de datum en de plaats van het parkeren, alsmede:

"verschuldigde parkeerbelasting : fl.3,50

kosten opleggen naheffingsaanslag : fl.70,-"

3. De Verordening

3.1. De Verordening Parkeerbelastingen 1999 van de gemeente Amsterdam (hierna de Verordening) luidt als volgt:

" Art. 1

Onder de naam parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij deze belastingverordening (inclusief de bijlagen) te bepalen plaats en tijdstip

(…)

Art. 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

a parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig (…)

Art. 3

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

(…)

Art. 4

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

(…)

Art. 6

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren."

3.2. De Verordening is door de gemeenteraad vastgesteld bij besluit van 17 december 1998. Zij is gepubliceerd in het Gemeenteblad afd.3 van 1998, volgnr. 152. De bepalingen van de Verordening zijn in de onder 3.1 opgenomen versie komen te luiden na enkele wijzigingen, waarvan de laatste is vastgesteld door de Gemeenteraad bij besluit van 14 december 2000 (Gemeenteblad afd. 3 van 2000, volgnr. 137)

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de aanslag op voorgeschreven wijze is vastgesteld en bekendgemaakt, en, zo ja, of de aanslag terecht is opgelegd.

5. Standpunten van partijen en behandeling ter zittingen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting van 16 juli 2002 is daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd:

Belanghebbende: Ik was ongeveer een minuut weg bij mijn auto om in de winkel van C en D, waar ik vaker kom, een gulden te halen, toen ik de controleurs bij mijn auto zag staan. Ik ontplofte bijna. Ik ben niet gewelddadig ingesteld, maar ben wel erg kwaad geworden omdat ik vond dat de controleurs mij zeer onheus en onzorgvuldig bejegenden. Toen bleek dat het gesprek niet tot resultaat leidde, heb ik met een geleende gulden een parkeerkaartje gekocht, heb het kaartje op het dashboard neergelegd en ben de winkel weer binnengegaan. Ik heb de controleurs door de winkelruit nog een tijdje in de buurt van mijn auto zien staan. Ik was opgelucht toen ik bij terugkomst bij mijn auto geen naheffingsaanslag op mijn auto aantrof.

Verweerder: De aanslag is op voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De Herinnering moet worden aangemerkt als het bekendgemaakte aanslagbiljet. De kans is groot dat de aanslag niet op de auto is bevestigd omdat de originele aanslag in mijn dossier zat en de controleurs wellicht van de uitreiking hebben afgezien omdat zij zich bedreigd voelden door belanghebbende. De naheffingsaanslag is ook niet per post naar belanghebbende verstuurd.

Ter zitting van 21 december 2002 is daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Belanghebbende: Ik ben onbehoorlijk behandeld omdat direct nadat ik bij mijn auto was weggelopen, de controleurs de aanslag wilden opleggen. Ze waren al aan het schrijven toen ik bij de auto terugkwam. Ik heb geen fysiek geweld gebruikt tegen de controleurs maar was wel nijdig en heb mogelijk stevige taal gebezigd. Het waren twee grote, ervaren controleurs en ik ben maar een klein mannetje dus ik kan me moeilijk voorstellen dat ze zich bedreigd voelden door mij. De winkelier was meegelopen naar buiten en gaf mij pasmunt waarna ik de parkeerbelasting heb voldaan. De controleurs stonden toen nog in de buurt van de auto en overlegden volgens mij of ze de aanslag zouden opleggen. Toen ze uiteindelijk weggingen hadden ze geen aanslag op de auto achtergelaten.

De auto stond aan de a-straat niet geparkeerd ter hoogte van nummer 28 maar verderop aan de oneven kant van de straat tegenover nummer 36.

Verweerder: Ik heb een kopie in mijn dossier waarvan, in tegenstelling tot hetgeen tijdens de vorige zitting is gezegd, niet duidelijk is of het een kopie is van het aanslagbiljet, van de doorslag van het aanslagbiljet of van het aanslagbiljet samen met de daarachter bevestigde doorslag. Het komt in de praktijk vaker voor dat controleurs zich bedreigd voelen en daarom het aanslagbiljet niet op een auto aanbrengen, zodat het goed mogelijk is dat het een kopie is van het aanslagbiljet dan wel het aanslagbiljet plus de doorslag. Het beleid van de gemeente is om geen duplicaat van het aanslagbiljet bij een betalingsherinnering voor de parkeerbelasting te voegen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Vaststelling van de aanslag

6.1.1. De vaststelling van een naheffingsaanslag voor de parkeerbelasting geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van de parkeerbelasting (artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna Awr), juncto artikel 231, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet).

6.1.2. Het Hof acht, gelet op de onder 2.1, 2.2 en 2.5 weergegeven feiten en de kopie van het aanslagbiljet in het dossier van verweerder, aannemelijk dat de aanslag is vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat hij geen biljet op of aan zijn auto heeft aangetroffen of van de controleurs overhandigd heeft gekregen, doet daaraan niet af.

6.2. Bekendmaking van de aanslag

6.2.1. Op grond van artikel 3:40 van Algemene wet bestuursrecht (verder de Wet), treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. De bekendmaking van een belastingaanslag geschiedt door toezending of uitreiking van het opgemaakte aanslagbiljet aan de belastingschuldige (artikel 3:41, eerste lid, van de Wet, juncto artikel 8, eerste lid, Invorderingswet 1990). In afwijking daarvan kan voor een naheffingsaanslag parkeerbelasting worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig onder vermelding van het kenteken van het voertuig in plaats van de naam van de belastingschuldige, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken (artikel 234, achtste lid, Gemeentewet)

6.2.2. Het Hof hecht, gezien hetgeen is weergegeven onder 2.3 en 2.4 en hetgeen belanghebbende en verweerder op de zittingen hebben verklaard, geloof aan de stelling van belanghebbende dat hij geen aanslagbiljet op of aan zijn auto heeft aangetroffen of van de controleurs overhandigd heeft gekregen. Het Hof acht aannemelijk dat de parkeercontroleurs zich door belanghebbende zo bedreigd hebben gevoeld dat zij ervan hebben afgezien het aanslagbiljet ofwel uit te reiken aan belanghebbende, ofwel aan te brengen aan of op zijn auto.

6.2.3. Verweerder heeft gesteld dat de Herinnering moet worden aangemerkt als het duplicaataanslagbiljet waarmee de aanslag bekend is gemaakt. Naar aanleiding daarvan overweegt het Hof het volgende. Op de Herinnering staat vermeld aan wie, wanneer en terzake waarvan de aanslag is opgelegd en welk bedrag binnen welke termijn en aan wie betaald dient te worden (zie 2.2). Dit zijn de belangrijkste gegevens die op de door de controleurs opgestelde maar niet aan de auto aangebrachte aanslagbiljet zijn vermeld, aangevuld met de naam en het adres van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof voldoet de Herinnering daarmee aan de eisen waaraan een aanslagbiljet moet voldoen.

6.2.4. Op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet, maken de kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting in rekening worden gebracht, deel uit van de naheffingsaanslag en worden deze afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Op de Herinnering staan de kosten niet afzonderlijk vermeld maar vormen ze wel een onderdeel van het op de Herinnering vermelde te betalen bedrag van de aanslag ad ƒ 73,50. Nu tevens belanghebbende op een later moment heeft kunnen kennisnemen van de onderverdeling van dat bedrag aangezien belanghebbende een kopie van het aanslagbiljet heeft ontvangen door middel van het verweerschrift met bijlagen (2.5), acht het Hof het enkele feit dat de kosten niet afzonderlijk staan vermeld op de Herinnering niet voldoende om het karakter van aanslagbiljet daaraan te ontnemen.

6.2.5. Voor zover belanghebbende stelt dat de Herinnering blijkens de tekst ten doel heeft hem ertoe te bewegen het verschuldigde bedrag van de aanslag alsnog te betalen en hem te informeren over een opgelegde aanslag, kan het Hof hem niet volgen. De op de Herinnering vermelde gegevens zijn uitgebreider dan voor het enkele bewegen tot het betalen van de belasting noodzakelijk zou zijn. Deze gegevens leiden ertoe dat de Herinnering voldoet aan de eisen die aan een aanslagbiljet worden gesteld. Dat in de Herinnering er blijkens de tekst van wordt uitgegaan dat belanghebbende de aanslag reeds heeft ontvangen, doet hier niet aan af. Ook het feit dat de Herinnering niet dezelfde tekst of uiterlijke vorm heeft als het originele aanslagbiljet, leidt er niet toe dat het niet als aanslagbiljet waarmee de aanslag wordt bekendgemaakt, kan worden aangemerkt.

6.2.6. Op grond van het voorgaande kan de Herinnering worden aangemerkt als een "duplicaat" van het aanslagbiljet. Met de ontvangst daarvan door belanghebbende is de aanslag bekendgemaakt.

6.2.7. Voor zover het ontbreken van de specificatie in belasting en kosten eraan in de weg staat de Herinnering aan te merken als (bekendmaking van) het aanslagbiljet, geldt het volgende. Het aanslagbiljet is belanghebbende in ieder geval bekend gemaakt bij gelegenheid van de toezending van een afschrift van het verweerschrift. Alsdan is het bezwaarschrift voortijdig ingediend, doch dat leidt in verband met het bepaalde in artikel 6:10 van de Wet niet tot gevolgen voor de onderhavige procedure.

6.3. De aanslag

6.3.1. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd aan de a-straat te Amsterdam op het aldaar genoemde tijdstip en dat hij terzake van het parkeren op die plaats en op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd was.

6.3.2. Belanghebbende stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd omdat hij slechts enkele minuten van zijn auto weg was om pasmunt te halen toen de controleurs de aanslag wilden opleggen. Belanghebbende klaagt er tevens over dat op de Herinnering huisnummer 28 en op de door verweerder overgelegde kopie (2.5) huisnummer 38 staat vermeld, terwijl de auto geparkeerd stond aan de oneven kant van de straat tegenover huisnummer 36.

6.3.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening dient de verschuldigde parkeerbelasting te worden voldaan bij de aanvang van het parkeren. In artikel 6, eerste lid, van de Verordening - voor zover hier van belang - is bepaald dat de parkeerbelasting moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur. Een redelijke toepassing van deze bepalingen brengt met zich mee dat een parkeerder een zekere - korte - tijd moet worden gelaten om de afstand tussen de parkeerplaats en de parkeerautomaat en vice versa te overbruggen. De tijd die nodig is om geld te wisselen of te lenen in een winkel moet daarbij echter buiten beschouwing worden gelaten, omdat van parkeerders mag worden verwacht dat zij over pasmunt beschikken.

6.3.4. Ten aanzien van de onduidelijkheid over de juiste plaats in de a-straat waar de auto van belanghebbende zou zijn geparkeerd, overweegt het Hof dat, nu vaststaat dat belanghebbende geparkeerd heeft op een plek en op een tijdstip waar hij parkeerbelasting verschuldigd was, de exacte plek waar hij geparkeerd stond niet van belang is.

6.3.5. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende de door hem verschuldigde parkeerbelasting te laat heeft voldaan en dat hij op het moment dat de aanslag werd vastgesteld, te weten 16:59 uur, in gebreke was. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 16 januari 2003 door mrs. Schaap, voorzitter, Van Loon en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van Rijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.