Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF3225

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
02/01809
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes stelling dat hij niet naar een derde verzuim mag worden beboet omdat hij bij het begaan van zijn derde verzuim nog niet was beboet voor de eerdere twee verzuimen, wordt niet door het Hof gevolgd. Van belang is dat belanghebbende bij het begaan van zijn derde verzuim bekend was met zijn twee eerdere verzuimen, welke bekendmaking door middel van de aanmaning is geschied.

Voorts ziet het Hof geen reden tot matiging van de boete voor het derde verzuim vanwege het feit dat de boete voor het tweede verzuim is opgelegd nádat de boete voor het derde verzuim is opgelegd. Naar het oordeel van het Hof kan wel de eis worden gesteld dat de inspecteur de over de voorafgaande belastingjaren opvolgend aangekondigde verzuimboetes heeft opgelegd, maar kan niet de voorwaarde gelden dat die boetes tevens moeten zijn opgelegd vóórdat het opvolgende verzuim wordt beboet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 8 maart 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 januari 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 en de daarbij vastgestelde boetebeschikking. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 231.936 met gelijktijdige vaststelling van een verzuimboete van ¦ 1.250. Bij de aanslag is belanghebbende ¦ 1.048 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar tegen de aanslag is het belastbaar inkomen bij de bestreden uitspraak vastgesteld op ¦ 195.703 en is de verzuimboete gehandhaafd. Het bedrag van de vastgestelde heffingsrente is verminderd tot ¦ 253.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de bij beschikking vastgestelde verzuimboete naar ¦ 50.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 4 december 2002 is namens de inspecteur verschenen B, tot bijstand vergezeld van C. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 24 oktober 2002 aan diens adres mededeling gedaan van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling van de zaak. Namens belanghebbende is niemand verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Aan belanghebbende, geboren in 1956 en ongehuwd, is een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Waz over het jaar 2000 uitgereikt dat moest worden ingediend vóór 1 april 2001. Op 4 augustus 2001 is een aanmaning tot het doen van aangifte over 2000 vóór 18 augustus 2001 aan belanghebbende gezonden.

De inspecteur heeft daaropvolgend een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 opgelegd, gedagtekend 25 oktober 2001, naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar inkomen van ¦ 231.936. Gelijktijdig met de aanslag is bij beschikking een verzuimboete van ¦ 1.250 opgelegd voor het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een derde verzuim in de zin van § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998).

2.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend, met dagtekening 25 november 2001 onder bijvoeging van een aangiftebiljet, door de inspecteur ontvangen op 4 december 2001, waarmee hij over het onderhavige jaar alsnog aangifte doet van een belastbaar inkomen van ¦ 195.693. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen op een telfout van ¦ 10 na, overeenkomstig de aangifte vastgesteld op ¦ 195.703. De boete is daarbij gehandhaafd.

2.3. Voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 was aan belanghebbende uitstel verleend tot 3 januari 2000. Op 22 januari 2000 is een aanmaning tot het doen van aangifte over 1998 vóór 5 februari 2000 aan belanghebbende gezonden en door hem ontvangen. Het door belanghebbende ingediende aangiftebiljet over dat jaar is gedagtekend op 4 februari 2000 en is bij de inspecteur ingekomen op 14 februari 2000. Gelijktijdig met de aanslag 1998, gedagtekend 28 september 2001, heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete van ¦ 50 opgelegd voor het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een eerste verzuim in de zin van § 21 van het BBBB 1998. Bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2001 zijn belanghebbendes bezwaren tegen voormelde boete afgewezen en is de boete gehandhaafd.

2.4. Voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 was aan belanghebbende uitstel verleend tot 1 augustus 2000. Op 12 augustus 2000 is een aanmaning tot het doen van aangifte over 1999 vóór 26 augustus 2000 aan belanghebbende gezonden. Het door belanghebbende ingediende aangiftebiljet over dat jaar is gedagtekend op 6 september 2000 en is bij de inspecteur ingekomen op 20 september 2000. Gelijktijdig met de aanslag 1999, gedagtekend 23 november 2001, is bij beschikking een verzuimboete van ¦ 250 opgelegd voor het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur is daarbij wederom uitgegaan van een eerste verzuim in de zin van § 21 van het BBBB 1998.

2.5. In de onder 2.1, 2.3 en 2.4 vermelde aanmaningen staat voor zover van belang het volgende vermeld:

"U krijgt de gelegenheid de vereiste aangifte alsnog te doen binnen tien werkdagen (**) na de datum van deze brief. Doet u de vereiste aangifte niet binnen deze termijn, dan kan dit, (…) tot een boete leiden. Deze boete kan oplopen tot NLG 2.500"

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd naar een bedrag van ¦ 1.250.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. Tijdens de zitting is namens de inspecteur - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd.

Het briefhoofd van mijn verweerschrift is onjuist omdat er ten onrechte 'Particulieren E' staat vermeld in plaats van 'Particulieren P'.

Mijn standpunt is dat het niet zo kan zijn dat een boete over een eerder jaar slechts kan meetellen als die is opgelegd vóórdat een later verzuim heeft plaatsgevonden. De aankondiging wordt immers wel tijdig verstrekt. De staatssecretaris is in cassatie gegaan tegen de uitspraak van Hof Amsterdam met kenmerk 01/0119, dat daar anders over heeft beslist.

Het is weliswaar zo dat belanghebbende voor het onderhavige jaar bij beschikking van 25 oktober 2001 beboet wordt voor een derde verzuim terwijl hij op dat moment nog niet is beboet voor zijn tweede verzuim, maar dat neemt niet weg dat hij voor de derde keer in verzuim is en dat om die reden terecht naar een derde verzuim wordt beboet.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 te laat, dat wil zeggen na 17 augustus 2001, heeft ingediend. De inspecteur stelt dat belanghebbende zijn aangifte voor de jaren 1998 en 1999 eveneens niet binnen de bij aanmaning gestelde termijn heeft ingediend en dat hij, door zijn aangifte over het jaar 2000 wederom te laat in te dienen, een derde verzuim begaat.

5.2. Belanghebbende stelt primair dat hij niet voor de derde maal in verzuim is. Met betrekking tot de aangifte over het jaar 1998 stelt hij dat deze op of rond 4 februari 2000 is verzonden en dat voor het indienen in redelijkheid het tijdstip van verzending heeft te gelden. Met betrekking tot de aangifte over het jaar 1999 stelt hij dat deze door hem is ingediend op 6 september 2000 en dat hij niet meer in zijn administratie kan nagaan waarom dit te laat zou zijn.

5.3. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is sprake van een verzuim, indien de belastingplichtige - in casu belanghebbende - zijn aangifte voor de inkomstenbelasting niet binnen de door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn heeft gedaan.

De inspecteur heeft een boete opgelegd voor een derde verzuim. Uit § 21, tweede lid, van het BBBB 1998 blijkt dat van een derde verzuim sprake is, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren twee maal eerder in verzuim is geweest. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende over de jaren 1998 en 1999 in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft geen bewijs bijgebracht waaruit kan worden afgeleid dat hem uitstel voor het doen van aangifte 1998 en 1999 is verleend tot na 4 februari 2000 onderscheidenlijk 25 augustus 2000. Voorts staat vast dat belanghebbende over de jaren 1998 en 1999 ter zake van het niet-tijdig doen van aangifte bij boetebeschikking van 28 september 2001 respectievelijk 23 november 2001 is beboet. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat hij tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking over het jaar 1998 in beroep dan wel tegen de boetebeschikking over het jaar 1999 in bezwaar is gegaan. Alsdan gaat het Hof van de juistheid van die boetebeschikkingen uit en is belanghebbende met de te late indiening van zijn aangifte over het jaar 2000 voor de derde maal in verzuim.

5.4. Belanghebbende stelt subsidiair dat, als al sprake is van een derde verzuim, hij in redelijkheid niet naar een derde verzuim mag worden beboet. In de eerste plaats niet omdat teveel tijd is verstreken tussen het doen van de aangiften en het opleggen van de boetes. In de tweede plaats niet omdat de inspecteur de boetes over de jaren 1998 en 1999 heeft opgelegd op 28 september 2001 respectievelijk 23 november 2001, op welke data belanghebbende over het jaar 2000 al in verzuim was.

5.5. Wat betreft de tijd gelegen tussen de indiening van de aangiften en het opleggen van de boetes heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof niet gehandeld in strijd met enige wettelijke bepaling en evenmin in strijd met het recht. Immers met betrekking tot de in geschil zijnde boete voor het jaar 2000 gaat het om de vraag of sprake is van een derde verzuim. Onder 5.3 heeft het Hof geoordeeld dat zulks het geval is. Voor het overige is met betrekking tot het jaar 2000 geen sprake van te veel verstreken tijd, nu de boete voor dit jaar is opgelegd, te weten op 25 oktober 2001, nog voordat de aangifte is ingediend, te weten op 4 december 2001, en kort - ongeveer 3 maanden - na de aankondiging van het mogelijk belopen van een boete.

5.6. Wat betreft het gevolg verbonden aan het opleggen van de boetes voor 1998 en 1999 nadat het verzuim voor het jaar 2000 was ingetreden, neemt het Hof het volgende in aanmerking.

Belanghebbende stelt te dezer zake dat de inspecteur de dossiers 1998 en 1999 ter hand heeft genomen en aanzeggingen voor boetes heeft doen uitgaan met het doel de boete voor 2000 te maximaliseren. Zulk handelen acht belanghebbende in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts is belanghebbende van mening dat de systematiek van een jaarlijks in hoogte oplopende boete dient te leiden tot een beboeting met een interval van een jaar en niet tot een beboeting voor drie jaren binnen een tijdsbestek van enkele maanden. Met een dergelijke handelwijze wordt de waarschuwende functie van het wettelijke systeem miskend.

5.7. Naar het oordeel van het Hof kan uit de enkele omstandigheid dat de beboeting ter zake van de onderwerpelijke drie jaren in de tijd dicht bijeenligt, niet worden afgeleid dat de inspecteur misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt. Ook overigens is een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet aannemelijk gemaakt. Vaststaat immers dat belanghebbende bij de onder 2.1 vermelde aanmaning van 4 augustus 2001 kennis droeg van de onder 2.3 en 2.4 vermelde aanmaningen van onderscheidenlijk 22 januari 2000 en 12 augustus 2000, waarin hij is gewezen op de gevolgen van het niet-tijdig doen van aangifte. Belanghebbende was bij het begaan van zijn derde verzuim op 18 augustus 2001 bekend met zijn twee eerdere verzuimen, begaan op 5 februari 2000 onderscheidenlijk 26 augustus 2000, en met een in hoogte oplopende boete tot ¦ 2.500.

5.8. Met betrekking tot het opleggen van de verzuimboete voor het in geschil zijnde jaar 2000 resteert nog te onderzoeken, gelet op het overwogene onder 5.7, of naast de opvolgend per jaar verzonden aanmaningen, bevattende de aankondiging van het mogelijk belopen van een boete voor het betreffende jaar, tevens is vereist dat metterdaad opvolgend per jaar een boete is opgelegd alvorens van een in § 21, tweede lid, van het BBBB 1998 bedoeld beboetbaar opvolgend verzuim kan worden gesproken. Naar het oordeel van het Hof kan wel de eis worden gesteld dat de inspecteur tevens de over de voorafgaande belastingjaren opvolgend aangekondigde verzuimboetes heeft opgelegd, maar kan niet de voorwaarde gelden dat die boetes tevens moeten zijn opgelegd vóórdat het opvolgende - in casu derde - verzuim wordt beboet. In voormelde enkele grond dat door de handelwijze van de inspecteur enigszins afbreuk wordt gedaan aan de waarschuwende functie van de verzuimboetesystematiek, vindt het Hof ook geen aanleiding tot matiging van de boete voor het jaar 2000.

5.9. Gezien het hiervoor overwogene is het gelijk aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Het Hof acht, nu de uitspraak in stand blijft, geen termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 14 januari 2003 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

a) Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

b) Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

c) Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.