Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:BM4591

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
257/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klager verwijt de notaris (samengevat) dat hij onzorgvuldig en partijdig heeft gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van erflater. De kamer van toezicht heeft haar beslissing gegeven met een ander aantal rechters dan in artikel 94 Wna is voorgeschreven. Naar analogie van artikel 21 Wet RO is de beslissing van de kamer daarom nietig. Het hof doet de zaak in hoger beroep zelf af en verklaart de klacht ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2002, 21472
JERF 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 14 maart 2002 in de zaak onder rekestnummer 257/01 NOT van:

[klager] ,

wonende te [plaats] ,

APPELLANT,

t e g e n

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

GEïNTIMEERDE.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Op 9 maart 2001 is ingekomen ter griffie van het hof alhier een geschrift – met bijlagen – waarin appellant, verder te noemen klager, tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen te Breda, verder te noemen de Kamer, van 12 februari 2001 waarbij de klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2.

Op 26 maart 2001 heeft de kandidaat-notaris een verweerschrift – met bijlagen - ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 oktober 2001. Verschenen zijn klager alsmede de notaris. Partijen hebben het woord gevoerd. De klager onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie met bijlagen.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de Kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede de hiervoor genoemde stukken.

3 De feiten

Bij gebreke van betwisting door klager moet worden uitgegaan van de feiten, zoals deze door de notaris in zijn verweerschrift in eerste instantie zijn opgesomd, en voorts van de feiten blijkende uit de overgelegde en onweersproken gebleven correspondentie.

Deze feiten kunnen als volgt worden samengevat.

3.1

Klager heeft zich op 1 juli 1999 telefonisch tot het kantoor van de notaris gewend met de mededeling dat zijn vader was overleden en dat hij wilde weten of zijn vader over zijn nalatenschap bij testament had beschikt; met klager is toen afgesproken dat daartoe informatie zou worden ingewonnen bij het Centraal Testamentenregister.

3.2

Op 7 juli 1999 heeft ook klagers moeder zich tot het kantoor van de notaris gewend in verband met het overlijden van haar echtgenoot, waarbij op haar verzoek een afspraak is gemaakt voor een bespreking tussen haar, haar oudste zoon, [oudste zoon] , en de medewerkster van de notaris, [medewerkster] .

3.3.

Op 9 juli 1999 heeft de notaris informatie ontvangen uit het Centraal Testamentenregister, waaruit bleek dat het laatste testament van erflater dateerde van 2 juni 1976, verleden voor [notaris A] te [plaats] ; diezelfde dag is een kopie van dit testament opgevraagd.

3.4.

Tijdens de bespreking op 14 juli 1999 met klagers moeder is dit testament besproken en is afgesproken dat alle kinderen door de notaris zouden worden geïnformeerd omtrent de inhoud van het testament en de afwikkeling van de nalatenschap, hetgeen bij brief van 15 juli 1999 met bijsluiting van een kopie van het testament heeft plaatsgevonden.

3.5.

Klager heeft hierop op 20 juli 1999 telefonisch gereageerd en daarbij aangegeven een afspraak voor een bespreking te willen maken, welke op 2 augustus 1999 werd gepland.

3.6.

Bij brief van 21 juli 1999 heeft [advocate] , advocate te [plaats] , de notaris, althans zijn medewerkster [medewerkster] , bericht dat zij de belangen van klager bij de verdeling van de nalatenschap behartigde.

3.7.

Bij gelegenheid van de bespreking op 2 augustus 1999 met klager, de notaris en zijn medewerkster is met klager de inhoud van het testament besproken en is door de notaris, zo veel als dit mogelijk was, antwoord gegeven op de door klager gestelde vragen.

3.8.

De notaris heeft naar aanleiding van die bespreking op 5 augustus 1999 telefonisch contact opgenomen met klagers moeder en haar daarbij op de hoogte gesteld van die bespreking en van de daarbij door klager gestelde vragen; de notaris heeft daarbij voorgesteld een bespreking te beleggen voor gezamenlijk overleg tussen haar, haar zonen, zijn medewerkster en hemzelf, aan welke bespreking zij haar medewerking wilde verlenen.

3.9.

Op 5 augustus 1999 heeft de advocate van klager telefonisch aan de notaris medegedeeld deze gezamenlijke bespreking toe te juichen, terwijl zij op 9 augustus 1999 de notaris bij brief heeft bericht dat ook klager bereid was bij een dergelijke bijeenkomst aanwezig te zijn.

3.10.

De notaris heeft op 11 augustus 1999 klagers moeder gebeld voor het maken van een afspraak voor de beoogde familiebijeenkomst; klagers moeder heeft daarbij echter te kennen gegeven dat die bespreking nog geen zin had, omdat zij nog bezig was met het verzamelen van de nodige gegevens betreffende de nalatenschap; de notaris heeft bij brief van 11 augustus 1999 klagers advocate hiervan in kennis gesteld.

3.11.

Op 26 augustus 1999 heeft klagers moeder de notaris telefonisch medegedeeld dat zij om haar moverende redenen een andere notaris had benaderd voor de afwikkeling van de nalatenschap en dat zij de notaris géén opdracht heeft gegeven haar behulpzaam te zijn bij die afwikkeling.

3.12.

De notaris heeft op 27 augustus 1999 de advocate van klager bij brief hiervan in kennis gesteld, waarbij hij haar tevens heeft medegedeeld niet te weten tot welke notaris klagers moeder zich inmiddels had gewend en dat hij er vanuit zou gaan dat het dossier kon worden gesloten onder toezending aan klager van een nota voor de voor hem verrichte werkzaamheden.

3.13.

De notaris heeft bij brief van 3 december 1999 aan klager zijn nota toegezonden.

3.14.

Bij brief van 31 december 1999 heeft klager als reactie op die nota aan de notaris medegedeeld dat de bespreking van 14 juli 1999 hem niet mag worden aangerekend.

3.15.

De notaris heeft hierop bij brief van 12 januari 2000 gereageerd, waarin hij klager bericht dat het gedeclareerde bedrag betrekking heeft op de kosten van het onderhoud van 2 augustus 1999, alsmede op de kosten verband houdende met overleg nadien met zijn advocate.

3.16.

Bij brief van 21 januari 2000 heeft klager de notaris bericht dat het geweigerde gesprek van 14 juli 1999 de reden was dat hij naar een advocaat is gegaan, dat de kosten daarvan voorlopig f. 2.849,08 bedragen, dat dit bedrag onmiddellijk op zijn rekening moet worden overgeschreven en dat hij van de notaris afdoende informatie wenst over de vraag welke notaris de afwikkeling van de nalatenschap heeft overgenomen.

3.17.

Klager heeft vervolgens de notaris bij brief van 6 februari 2000 gerappelleerd.

3.18.

De notaris heeft hierop klager bij brief (per abuis gedateerd met 10 februari 1999) medegedeeld dat het hem niet bekend is welke notaris betrokken is bij de afwikkeling van de nalatenschap en dat hij geen boedelgelden onder zich heeft waaruit de kosten van zijn advocate zouden kunnen worden voldaan.

4 Het standpunt van klager

4.1.

Kort samengevat verwijt de klager de notaris het navolgende.

In de eerste plaats heeft de notaris onzorgvuldig en partijdig gehandeld door klager niet toe te staan aanwezig te zijn bij een gesprek dat op 14 juli 1999 ten kantore van de notaris heeft plaatsgevonden tussen een medewerkster van de notaris, klagers moeder en klagers broer. Ten gevolge van hiervan heeft klager een advocaat moeten inschakelen waarvoor hij kosten heeft moeten maken. Deze kosten zijn door klager begroot op een bedrag van f 2.849,08. Klager acht de notaris aansprakelijk voor deze kosten.

In de tweede plaats heeft de notaris ondanks de schriftelijke verzoeken van klager daartoe geen afschrift verstrekt van een brief waarnaar de notaris in zijn brief van 27 augustus 1999 aan de advocate van klager heeft verwezen.

In de derde plaats heeft de notaris nagelaten diverse notariskantoren aan te schrijven nadat klagers moeder te kennen had gegeven naar een andere notaris te zullen gaan voor de afwikkeling van de nalatenschap van klagers vader, zodat klager gedurende zes maanden in onwetendheid heeft verkeerd omtrent de overname van de afwikkeling.

In de vierde plaats heeft de notaris een verkeerde voorstelling van zaken gegeven door aan te nemen dat klager zijn advocaatkosten uit de nalatenschap vergoed wilde zien.

In de vijfde plaats handelt de notaris onzorgvuldig nu hij niet aangeeft in een brief van 3 december 1999 dat de inzage van klager in het Centraal Testamentenregister is gedateerd 1 juli 1999 en dat klager niet de nalatenschap heeft willen afwikkelen per 1 juli 1999.

Tenslotte verwijt klager de notaris, dat hij mogelijk diensten heeft verleend ter zake van de overdracht van de woning gelegen aan [adres] te [plaats] terwijl hij klager hierover niet heeft geïnformeerd.

4.2.

In hoger beroep heeft klager het hof verzocht te beslissen dat klager - mede gelet op de inhoud van zijn verzoekschrift – erfgenaam kan worden of andere testamentaire rechten kan verkrijgen. Voorts heeft klager gesteld dat hij ten gevolge van de handelwijze van de notaris schade heeft geleden en dat hij derhalve een schadevergoeding wenst te vorderen.

5 Het standpunt van de notaris

5.1.

Het is volgens de notaris onjuist om te stellen dat zijn medewerker [medewerkster] klager niet wenste toe te staan aanwezig te zijn bij de bespreking van 14 juli 1999.

Deze bespreking werd op verzoek van klagers moeder gehouden en laatstgenoemde wenste dat van de kinderen alleen haar oudste zoon [oudste zoon] daarbij aanwezig zou zijn. Een en ander staat niet op gespannen voet met de onpartijdigheid van de notaris, temeer niet nu alle kinderen, onder wie ook klager, door de notaris zijn geïnformeerd omtrent die bespreking.

5.2.

Bij brief van 15 juli 1999 is klager door de notaris direct geïnformeerd omtrent het bestaan van het testament van zijn vader alsook over de vermoedelijke omvang van de nalatenschap en de wijze waarop de boedel afgewikkeld zou kunnen worden. Klager werd tevens gevraagd contact met (het kantoor van) de notaris op te nemen indien hij vragen mocht hebben naar aanleiding van deze brief.

5.3.

Bij brief van 11 juli 2000 verzoekt klager een kopie van de brief van de notaris van 11 augustus 1999 aan [advocate] . Gezien de datum van 11 juli 2000 en de datum waarop klager zijn klacht heeft ingediend, is er volgens de notaris nauwelijks gelegenheid geweest aan het verzoek te voldoen.

5.4.

De notaris is van mening dat het niet aan hem is om uit eigen beweging notariskantoren aan te schrijven met de vraag of de afwikkeling van de nalatenschap aldaar in behandeling is. Praktisch gesproken lijkt dit overigens onuitvoerbaar.

5.5.

Bij zijn brieven van 21 januari en 6 februari 2000 schrijft klager de notaris dat hij wenst dat de voorlopige advocatenrekening door de notaris wordt betaald. Bij brief van 10 februari 2000 heeft de notaris geantwoord dat hij geen gelden betreffende de boedel onder zich had waaruit de declaratie zou kunnen worden voldaan.

5.6.

Het vijfde verwijt van klager is de notaris niet duidelijk.

5.7.

Omtrent de woning aan [adres] te [plaats] is de notaris niets bekend.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof heeft ambtshalve vastgesteld dat de Kamer haar beslissing in tegenwoordigheid van een griffier heeft gegeven in een samenstelling, bestaande uit zes leden, te weten één voorzitter en vijf leden.

Deze beslissing is gegeven met een ander aantal rechters dan in artikel 94 WNA is voorgeschreven. Naar analogie van artikel 21 Wet RO (oud) is de beslissing van de Kamer derhalve nietig. Het hof zal opnieuw rechtdoende, de zaak zelf afdoen, nu het hoger beroep er immers ook toe strekt om onregelmatigheden in de eerste aanleg te herstellen.

6.2.

Op grond van hetgeen uit het hiervoor aangehaalde feitencomplex naar voren is gekomen, dient naar het oordeel van het hof de klacht in haar geheel ongegrond te worden bevonden.

6.3.

Met betrekking tot het klachtonderdeel inhoudende dat het klager niet is toegestaan aanwezig te zijn bij een gesprek dat op 14 juli 1999 heeft plaatsgevonden tussen een medewerkster van het kantoor van de notaris, klagers moeder en klagers broer alsmede dat klager ten gevolge van de handelwijze van de notaris een advocaat heeft moeten inschakelen, geldt het hierna volgende.

6.3.1.

Gebleken is dat het initiatief van de bespreking van 14 juli 1999 is uitgegaan van klagers moeder, waarbij deze uitdrukkelijk de wens heeft uitgesproken die bespreking uitsluitend in aanwezigheid van haar oudste zoon [oudste zoon] te willen laten plaatsvinden.

Uit de omstandigheid dat de notaris hieraan via zijn medewerkster gevolg heeft gegeven mag naar het oordeel van het hof, anders dan klager aanvoert, niet worden afgeleid dat de notaris de aanwezigheid van klager bij dit gesprek zou hebben geweigerd.

6.3.2.

De notaris heeft slechts uitvoering doen geven aan de wens van klagers moeder en met hem moet worden vastgesteld dat dit niet op gespannen voet staat met de notariële onpartijdigheid. Daar komt bij dat de notaris klager direct na die bespreking bij brief van 15 juli 1999 op de hoogte heeft gesteld van hetgeen daarbij aan relevante informatie aan de orde is gekomen.

6.3.3.

Dat klager in het vorenstaande aanleiding heeft gevonden zich van rechtskundige bijstand te voorzien, is naar het oordeel van het hof zijn eigen keuze geweest. De notaris kan hiervan in ieder geval geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

6.4.

Met betrekking tot het klachtonderdeel betreffende het niet verstrekken van een afschrift van een brief waarnaar de notaris in zijn brief van 27 augustus 1999 aan de advocate van klager heeft verwezen, is het navolgende van belang.

6.4.1.

Vastgesteld moet worden dat de notaris, anders dan klager aanvoert, in zijn brief van 27 augustus 1999 aan klagers advocate, niet heeft gerefereerd aan een eerdere brief van 11 augustus 1999. Zoals de notaris terecht betoogt, verwijst hij in die brief naar een mededeling van klagers moeder dat het haar niet welgevallig was dat klager zich achter haar rug om had gewend tot de notaris. Bovendien stelt de notaris zich naar het oordeel van het hof terecht op het standpunt dat dit verzoek van klager, gedaan bij brief van 11 juli 2000, reeds op 21 juli 2000 werd gevolgd door de indiening van de onderhavige klacht, zodat hij nauwelijks de gelegenheid heeft gehad aan het verzoek te voldoen.

6.5.

Met betrekking tot het klachtonderdeel inhoudende dat de notaris geen notariskantoren heeft aangeschreven nadat klagers moeder de notaris te kennen had gegeven naar een andere notaris om te zien, geldt het navolgende.

6.5.1.

Het ter zake ingenomen standpunt van de notaris is in de opvatting van het hof juist en het onderschrijft dit volledig. Het lag niet op de weg van de notaris en was bovendien ook praktisch onuitvoerbaar te achterhalen welke notaris de afwikkeling van de nalatenschap had overgenomen.

6.5.2.

De notaris heeft klager via zijn advocate bij brief van 27 augustus 1999 laten weten dat het hem niet bekend is welke notaris zij zou raadplegen.

Meer of anders kon van de notaris niet worden verwacht of verlangd.

6.6.

Met betrekking tot het verwijt inhoudende dat de notaris in zijn brief van 10 februari 1999 een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, oordeelt het hof als volgt.

6.6.1.

De door de notaris gegeven uitleg aan de inhoud van zijn brief van 10 februari 2000 komt het hof als juist voor. Uit die brief valt niet af te leiden dat de notaris de suggestie heeft gewekt dat klager de nota voor de door hem gemaakte advocaatkosten vergoed wilde zien uit de boedel.

Niet valt in te zien dat de notaris met zijn mededeling aan klager dat hij geen boedelgelden onder zich had en die nota dan ook niet kon voldoen, onjuist en onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.

6.7.

Ten aanzien van het verwijt dat de notaris onzorgvuldig handelt nu hij niet aangeeft in een brief van 3 december 1999 dat de inzage van klager in het Centraal Testamentenregister is gedateerd 1 juli 1999 en dat klager niet de nalatenschap heeft willen afwikkelen per 1 juli 1999, oordeelt het hof als volgt.

6.7.1.

Met de notaris is het hof van oordeel dat de formulering van dit klachtonderdeel zodanig vaag en onsamenhangend is, dat niet duidelijk is wat klager daarmee beoogt de notaris te verwijten.

Bij gebreke van voldoende concreetheid komt aan dit klachtonderdeel geen zelfstandige betekenis toe, zodat dit op die grond moet worden verworpen.

6.8.

Ten aanzien van het verwijt van klager dat de notaris mogelijk diensten heeft verleend ter zake de overdracht van de woning aan [adres] te [plaats] terwijl de notaris klager hieromtrent niet heeft geïnformeerd, oordeelt het hof als volgt.

6.8.1.

Op grond van de verklaring van de notaris dat hem niets bekend is over een eigendomsoverdracht van de door klager bedoelde woning en de omstandigheid dat klager op geen enkele wijze het tegendeel aannemelijk heeft gemaakt, faalt ook dit klachtonderdeel.

6.9.

Het verzoek onder 4.2, te beslissen dat klager erfgenaam wordt of andere testamentaire rechten verkrijgt, moet worden afgewezen reeds omdat de behandeling van zo’n verzoek en het nemen van een beslissing daarop niet behoren tot de bevoegdheid van de tuchtrechter. Voorts overweegt het hof met betrekking tot het in hoger beroep door klager onder 4.2 geformuleerde verzoek dat het toewijzen van een vordering tot schadevergoeding niet behoort tot de tuchtrechtelijk te nemen maatregelen, zodat het hof reeds op grond daarvan niet toekomt aan een beoordeling van dit verzoek van klager.

6.10.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.11.

Het vorenoverwogene leidt tot de navolgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de Kamer van 12 februari 2001;

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 14 maart 2002.

[--]

7 [--]

.