Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AQ0936

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2002
Datum publicatie
13-07-2004
Zaaknummer
01/90033
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO3315
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3315
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Douanekamer komt tot het oordeel dat de onderhavige door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven goederen met toepassing van de indelingsregels 1, 2a, 2b en 3b, moeten worden ingedeeld in post 6306 van het GDT, onderverdeling 2100 voor zover het gaat om kampeertenten met een katoenen tentdoek, dan wel onderverdeling 2900 voor zover het betreft kampeertenten met tentdoek van andere textielstoffen. Naar het oordeel van de Douanekamer kan niet worden gezegd dat de douane bij de boeking van de verschuldigde douanerechten ter zake van de aangifte zich heeft vergist in de zin van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 01/90033 DK (voorheen: 0033/2001 TC)

de dato 12 december 2002

1. De procedure

1.1. Op 19 januari 2001 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van mr. A en mr. B verbonden aan C, belastingadviseurs. Het beroepschrift werd ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. te Z, belanghebbende. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict E (hierna: de inspecteur) van 14 december 2000, kenmerk ……, waarbij het bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling van 20 juli 2000, nummer …… ten bedrage van f 139.214,70 aan douanerechten werd afgewezen. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de uitnodiging tot betaling.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht geheven van f 450,. De inspecteur heeft het beroepschrift bij verweerschrift bestreden. Namens belanghebbende is op 16 mei 2001 een conclusie van repliek ingediend. Op 6 juni 2001 is bij de Tariefcommissie een conclusie van dupliek van de inspecteur ingekomen.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) van 19 september 2002. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer mr. F, verbonden aan C, belastingadviseurs, alsmede, namens de inspecteur, de heren mr. G en H. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de Douanekamer als tussen partijen niet in geschil of door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, een douane-expediteur, heeft in de jaren 1999 en 2000 in opdracht van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid I B.V. te Y bij de douane te E verschillende malen aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor afzonderlijk tentdoeken van katoen (of van andere textielstoffen) en voor tentstokken van aluminium (of ijzer), alle afkomstig uit China. Het ging hierbij om tentdoeken en –stokken, bestemd voor kampeertenten.

2.2. De partijen tentdoeken en tentstokken werden telkens in afzonderlijke containers, maar met hetzelfde schip, vanuit China naar E vervoerd. De tentdoeken respectievelijk de tentstokken werden door belanghebbende op dezelfde dag bij dezelfde douanepost aangegeven voor het vrije verkeer en zijn daarna rechtstreeks bij de importeur in X afgeleverd.

2.3. De partijen tentdoeken zijn, afhankelijk van de stof, aangegeven onder post 6306 21 00 (katoen) of 6306 29 00 (andere stoffen) van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT) en zijn door de douane ook in deze posten ingedeeld. De tentstokken zijn in de eerste door belanghebbende gedane aangifte met het nummer …… van 3 mei 1999 onderscheiden in twee soorten artikelen. Artikel 1 is omschreven als “andere artikelen van kunststof” onder vermelding van post 3926 90 99. Als artikel 2 op dezelfde aangifte werden tentstokken omschreven als “werken van ijzer of van staal” en aangegeven onder post 7326 90 97. Na aanvaarding van de aangifte heeft de douane de tentstokken die als artikel 1 op deze aangifte stonden vermeld, daadwerkelijk opgenomen en in afwijking van de aangegeven tariefpost ingedeeld in post 7326 90 97, aangezien alle tentstokken van ijzer waren. Belanghebbende heeft ter zake van deze aangifte een aanbod tot schikking ter voorkoming van strafvervolging wegens het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte aanvaard. Bij de volgende aangiften zijn de tentstokken door belanghebbende aangegeven - al naar gelang het materiaal waarvan zij waren vervaardigd - onder post 7326 09 09, dan wel onder post 7616 99 90 en als zodanig - zonder nadere controle - door de douane in deze posten ingedeeld.

2.4. Bij een controle achteraf van de onder 2.3 vermelde aangiften, constateerde de douane dat de op een aangifte vermelde partij tentstokken in aantal en soort overeenkwam met de soort en de hoeveelheid die nodig was om met een partij tentdoeken, die op dezelfde dag op een andere aangifte voor de onder 2.1 vermelde importeur was aangegeven, kampeertenten te vormen. Dit bleek zowel uit de bijbehorende koopcontracten, gesloten met een Chinese leverancier, als uit de bij invoer overgelegde facturen.

2.5. Op 2 juli 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende de onder 1.1 vermelde uitnodiging tot betaling uitgereikt voor meer verschuldigde douanerechten. In de toelichting op deze uitnodiging tot betaling is, voor zover hier van belang, vermeld:

“Door u werden in 1999 en 2000 aangiften ten invoer gedaan voor tentstokken van ijzer/staal/aluminium, goederencode 7326.9097.90 en 7616.9990.90, douanerecht resp. 2,7 en 6%, oorsprong China, t.n.v. I te Y. Na onderzoek is gebleken dat deze tentstokken volgens indelingsregel 2a ingedeeld hadden moeten worden onder de daarbij behorende tenten met de goederencode van de bijbehorende tenten zijnde 6306.2100.00 en/of 6306.2900.00. Het invoerrecht voor beide goederencodes was in 1999 13% en in 2000 12,8%. Hierdoor werden ten onrechte te weinig rechten bij invoer geheven. Middels deze uitnodiging tot betaling worden de meer verschuldigde rechten alsnog bij u in rekening gebracht. (…).”.

2.6. De inspecteur heeft de volgende aangiften voor de daarbij genoemde bedragen gecorrigeerd:

Aangiftenummer Datum Meer verschuldigd

aanvaarding

…… 3 mei 1999 (artikel 1) f 17.885,70

(artikel 2) f 2.518,20

…… 18 mei 1999 (artikel 1) f 8.371,60

(artikel 2) f 64.821,80

…… 16 januari 2000 f 17.152,10

…… 14 februari 2000 f 13.040,70

…… 4 april 2000 f 15.426,60

Totaal f 139.214,70

De berekening van het bij de uitnodiging tot betaling geheven bedrag aan douanerechten als zodanig is niet in geschil.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Moeten de onderhavige tentstokken worden ingedeeld in post 7326 90 97 of 7616 99 90 van het GDT, zoals belanghebbende voorstaat, dan wel moeten zij met toepassing van de algemene indelingsregels onder post 6306 21 00 of 6306 29 00 van het GDT worden ingedeeld, hetgeen de inspecteur verdedigt.

II. Is de uitnodiging tot betaling in strijd met artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) uitgereikt?

3.2. De relevante posten uit het GDT luiden als volgt.

Posten 6306 21 00 en 6306 29 00

“ 6306 Dekkleden en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke;

tenten; zeilen voor schepen, zeilplanken, zeilwagens en zeilsleden; kampeerartikelen :

(…)

- tenten:

6306 21 00 -- van katoen

(…)

6306 29 00 -- van andere textielstoffen”.

Post 7326 90 97

“7326 Andere werken van ijzer of van staal:

(…)

7326 90 - andere:

(…)

-- andere werken van ijzer of staal:

7326 90 97 -- andere”.

Post 7616 99 90

“ 7616 Andere werken van aluminium:

(…)

- andere:

(…)

7616 99 -- andere:

(…)

7616 99 90 andere”.

3.3. De algemene indelingsregels 1, 2a, 2b, en 3, aanhef, a en b, luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.

2a. De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete staat of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.

b. (…) Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken, die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen.

3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2b of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:

a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, (…) worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft.

b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, (…) waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan de mengsels, de werken, de stellen of assortimenten hun wezenlijke karakter ontlenen, indien dat kan worden bepaald.”.

3.4. Post 6306 is in de Toelichting IDR als volgt toegelicht:

“Deze post omvat een aantal artikelen die gewoonlijk zijn gemaakt van goed, gesloten, sterke weefsels.

(…)

4. Tenten zijn gemaakt uit een tamelijk zwaar weefsel, doch soms ook uit een lichte stof, van synthetische of kunstmatige vezels, van katoen of gemengde textielstoffen, al dan niet bekleed, bedekt of gelamineerd, of wel van linnen. Zij bestaan gewoonlijk uit een dak (enkel of dubbel) en wanden (enkel of dubbel) waardoor een besloten ruimte wordt gevormd. Onder de post vallen zowel grote tenten (zoals circustenten), als tenten voor militairen, kampeertenten (lichtgewichttenten daaronder begrepen), strandtenten, enzovoorts. Deze artikelen mogen worden aangeboden met de bijbehorende palen, pennen, spantouwen en andere benodigdheden van deze soort. (…)”.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen zij verwezen naar de stukken van het geding, daaronder begrepen de onder 1 vermelde pleitnota’s.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. De vermelding van post 7323 in het beroepschrift is een verschrijving; bedoeld is post 7326. Voorts wordt ter illustratie van de stelling dat post 6306 uitsluitend op het tentdoek ziet een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) van 7 maart 1990, nrs. C-153/88 tot en met C-157/88 (onder meer gepubliceerd in UTC 1992/46).

4.3. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. De tenten zijn aangeboden in niet-gemonteerde staat. Monteren is een ruim begrip; ook het in het tentdoek steken van tentstokken valt daaronder.

5. De rechtsoverwegingen

Ten aanzien van de indeling

5.1. De Douanekamer stelt voorop dat iedere aangifte voor het vrije verkeer in beginsel op zichzelf staat en als zodanig dient te worden beoordeeld. Van dit beginsel moet evenwel worden afgeweken indien het betreft verschillende aangiften voor goederen waarvan vaststaat dat zij zijn bestemd om tezamen een afgewerkt product te vormen, wanneer deze aangiften door dezelfde aangever op dezelfde dag en plaats voor het vrije verkeer zijn aangeboden. Steun voor dit oordeel vindt de Douanekamer in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1994, Develop Dr. Eisbein, nr. C-35/93 (gepubliceerd in Jurispr. 1994, blz. I-2655).

5.2. Uit de feiten, als weergegeven onder 2.2 en 2.4 hiervóór, vloeit voort dat de door belanghebbende ingediende aangiften voor het vrije verkeer voor de tentstokken enerzijds en die voor de tentdoeken anderzijds, betrekking hebben op goederen welke bestemd zijn om tezamen kampeertenten te vormen. In aanmerking nemende het onder 5.1 vermelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is niet voor twijfel vatbaar dat het samenvoegen van de tentdoeken en de tentstokken (het “opzetten” van de tent) montage vormt in de zin van algemene indelingsregel 2a, als aangehaald onder 3.3. Dit brengt de Douanekamer tot het oordeel dat door belanghebbende kampeertenten in niet-gemonteerde staat zijn ingevoerd.

5.3. Gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen dienen de op de door belanghebbende ingediende aangiften vermelde goederen voor de toepassing van het GDT te worden beoordeeld alsof zij op één aangifte waren ingevoerd.

5.4. Ten aanzien van de indeling van deze kampeertenten heeft vervolgens het volgende te gelden. Nu een kampeertent bestaat uit verschillende bestanddelen en er geen specifieke tariefpost voorhanden is welke in zodanige bewoordingen is gesteld dat dit (samengestelde) goed daaronder kan worden gebracht, dient indeling - naar voortvloeit uit het bepaalde in indelingsregel 2b - te geschieden met inachtneming van de algemene indelingsregel 3. Naar het oordeel van de Douanekamer is indeling overeenkomstig algemene regel 3a in casu niet mogelijk. Immers, zoals hiervóór weergegeven, is er geen specifieke tariefpost voor kampeertenten voorhanden, en hebben de posten 6306 en de posten 7326 respectievelijk 7616 elk afzonderlijk slechts betrekking op bestanddelen waaruit een kampeertent is samengesteld. Volgens algemene indelingsregel 3b worden werken die zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, waarvan indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder de algemene indelingsregel 3a, ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan zijn hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald. Daartoe dient naar vaste jurisprudentie van het HvJ EG te worden nagegaan of een samengesteld goed ook zonder het ene of het andere onderdeel zijn kenmerkende eigenschappen behoudt. De Douanekamer verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar de arresten van 21 juni 1988, Sportex , nr. C-253/87 (Jurispr. 1988, blz. I-3351) en van 10 mei 2001, VauDe Sport, nr. C-288/99 (Jurispr. 2001, blz. I-03683).

5.5. Naar het oordeel van de Douanekamer vormt het textiele gedeelte van een kampeertent het wezenlijke karakter daarvan. Zonder dit textiele gedeelte is immers het vormen van een kampeertent - een besloten ruimte met dak en wanden van textiel - niet mogelijk. Steun voor dit oordeel vindt de Douanekamer in rechtsoverweging 11 van het in 4.2 vermelde arrest van het HvJ EG van 7 maart 1990, alsmede in het onder 3.4 aangehaalde onderdeel 4 van de Toelichting IDR op post 6306, waarin is vermeld dat kampeertenten onder de post vallen en mogen worden aangeboden met de bijbehorende palen, pennen, spantouwen en andere benodigdheden.

5.6. In aanmerking nemende het onder 5.1 tot en met 5.5 overwogene, komt de Douanekamer tot het oordeel dat de onderhavige door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven goederen met toepassing van de indelingsregels 1, 2a, 2b en 3b, moeten worden ingedeeld in post 6306 van het GDT, onderverdeling 2100 voor zover het gaat om kampeertenten met een katoenen tentdoek, dan wel onderverdeling 2900 voor zover het betreft kampeertenten met tentdoek van andere textielstoffen.

5.7. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.6 is overwogen vloeit voort dat de onder 3.1, sub I geformuleerde vraag in de door de inspecteur voorgestane zin moet worden beantwoord.

Ten aanzien van de toepassing van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW

5.8. Op grond van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij de belastingschuldige te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

5.9. Naar het oordeel van de Douanekamer kan niet worden gezegd dat de douane bij de boeking van de verschuldigde douanerechten ter zake van de aangifte met nummer …… van 3 mei 1999 (zie 2.2 hiervóór) zich heeft vergist in vorenbedoelde zin. Ten tijde van de daadwerkelijke opname van de op die aangifte vermelde goederen was de douane immers nog niet op de hoogte van de door belanghebbende ingediende aangifte voor de (bijbehorende) tentdoeken, zodat niet kan worden gezegd dat zij bij de beslissing over de tariefindeling abusievelijk de tentdoeken niet mede in aanmerking heeft genomen. Aan dit oordeel kan niet worden afgedaan door het antwoord op de vraag of de inspecteur ten tijde van de daadwerkelijke opname van de onder nummer …… aangegeven goederen dan wel ten tijde van het aanbieden van een schikking ter voorkoming van strafrechtelijke vervolging wegens het vermelden van een onjuiste tariefpost, bekend had kunnen zijn met het feit dat belanghebbende bij dezelfde douanepost voor de dezelfde importeur en op dezelfde dag de bijbehorende tentdoeken voor het vrije verkeer aangaf. Het is immers aan de aangever om alle ter zake dienende inlichtingen te verstrekken.

5.10. Ook met betrekking tot het subsidiaire geschilpunt is het gelijk mitsdien aan de inspecteur.

6. De proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen op 12 december 2002 door mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, mr. E.N. Punt en mr. M.E. van Hilten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.