Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AP4594

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
29-06-2004
Zaaknummer
00/90216
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu belanghebbende als houder van de vergunning gehouden is de aan de regeling actieve veredeling verbonden voorwaarden na te komen, is de uitnodiging tot betaling in zoverre terecht aan belanghebbende uitgereikt en faalt belanghebbendes beroep te dezer zake. Verder is het geschrift van 5 januari 1998 en het daarbij behorende register aan te merken als een algemeen mandaat waarbij (onder meer) S, zijnde degene die de uitnodiging tot betaling heeft uitgereikt, op de voet van artikel 10:5 Awb jo. artikel 19 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is aangewezen om namens het hoofd van de eenheid douane Rotterdam de bevoegdheid van inspecteur uit te oefenen. De stelling van de inspecteur dat gelet op de in de vergunning van 18 april 1997 getroffen overgangsregeling gedurende de gehele looptijd van het project, ook ingeval de aangiften waarbij goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst vóór 18 april 1997 zijn gedaan, de voorwaarden van deze vergunning van toepassing zijn, moet worden verworpen. Nu gelet hierop zowel artikel 552, eerste lid, letter a, onderdeel i (code 6201), UCDW als artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW in casu toepassing missen, behoeft het beroep van belanghebbende op artikel 220, tweede lid, letter b, CDW geen behandeling meer, aldus is uit belanghebbendes stelling ter zitting gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

In de zaak DK 00/90216

de dato 24 december 2002

1. De procedure

1.1. Op 14 november 2000 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen, ingediend door mr. A en mr. drs. B (C, Advocaten Belastingadviseurs) te Z als gemachtigden van D B.V. te Y, belanghebbende, welk beroep is aangevuld bij brief van 24 januari 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict E (hierna: de inspecteur) van 4 oktober 2000, kenmerk ….., betreffende het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 9 juli 1999, nummer …… ten bedrage van ? 55.043,70, (€ 24.977,75).

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van ? 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 29 juni 2001 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft op 27 augustus 2001 een conclusie van dupliek ingediend. Op 14 oktober 2001 is een door belanghebbende ingediend aanvullend stuk ingekomen.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001, Stb. 419, is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) van 24 oktober 2002. Aldaar zijn verschenen mr. drs. B en mr. F namens belanghebbende, alsmede G en mr. H namens de inspecteur. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd en voorgelezen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.5. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak met kenmerk DK 00/90218 betreffende de aan belanghebbende gedane uitnodiging tot betaling van 9 juli 1999 nummer …… ten bedrage van ? 726.737,30 (€ 329.779,10).

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met de bouw van installaties voor de off-shore industrie, met name de olie- en gaswinning.

2.2. Op 28 oktober 1994 is aan belanghebbende een vergunning verleend voor het gebruik van de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing. Daarbij is de eerder aan belanghebbende in dit verband verleende vergunning van 25 november 1991 ingetrokken. In de vergunning van 28 oktober 1994, nr. ……, is vermeld dat deze wordt verleend onder de voorwaarden en bepalingen die zijn opgenomen in de tot de vergunning behorende bijlagen. In bijlage 1.15. onder het kopje “goederen bestemd om te worden veredeld” is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “e. code. econom. voorwaarde * 6106”.

2.3. Bij brief van 23 juli 1996 heeft de inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende meegedeeld:

“Naar aanleiding van een onlangs uitgevoerde controle door de Europese Rekenkamer op een juiste toepassing van de regelgeving van door Nederland verleende vergunningen actieve veredeling is gebleken, dat op bepaalde onderdelen werd afgeweken van door de Raad van de Europese Gemeenschap voorgeschreven bepalingen. Vooruitlopend op een aanpassing van uw vergunning actieve veredeling in verband met o.a. wetswijzigingen veroorzaakt door inwerkingtreding van de nieuwe Douanewet per 1 juni 1996 en het toepassen van voorgeschreven communautaire modellen van vergunningen, dient u alvast met het volgende rekening te houden voor zover dit op uw vergunning van toepassing is.

a. Economische voorwaarden (artikel 552 TVo.)

Bij plaatsing onder de regeling actieve veredeling zal toetsing van de economische voorwaarden stringent worden toegepast. (…) Ik verzoek u deze brief als een integrerend onderdeel van uw vergunning actieve veredeling aan te merken en voor zover op uw vergunning van toepassing gevolg te geven aan eerder genoemde punten.”

2.4. In de machtiging, opgemaakt te Y en ondertekend op 5 september 1996 door I, directeur van belanghebbende, is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“Ondergetekende, I machtigt hierbij de personen genoemd in de bijgevoegde bijlage, om namens hem, op de Douaneposten ressorterende onder het Ambtsgebied van het Hoofd van het Douanedistrict E, de ingevolge wettelijke bepalingen inzake de douane en accijnzen, vereiste goederenaangiften te doen, die aangiften en andere vereiste bescheiden te ondertekenen, de verplichting tot zuivering over te nemen en voorts in het algemeen alles te doen wat nodig kan zijn of verlangd kan worden voor en in verband met het doen van aangiften en het vervullen van douane-formaliteiten. Hij verklaart, dat deze machtiging van kracht blijft tot van de intrekking schriftelijk is kennisgegeven aan het Douanedistrict te E, waarbij de datum van ontvangst van deze intrekking op het districtskantoor bepalend is. (…)

Bijlage, behorende bij machtiging van D B.V., (…)

1. J (…)

2. K (…)”

2.5. Bij brief van 23 april 1997 dient J van L B.V., een douane-expediteur, een nieuwe aanvraag voor een vergunning actieve veredeling in betreffende vergunning ……, gedagtekend 18 april 1997. In deze aanvraag is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“1. Naam of firmanaam en adres van de aanvrager:

a. van de aanvrager: D B.V. (…)

b. van de veredelaar: idem als bij A (…)

2bis Aangevraagde vergunning: de verlenging van een bestaande vergunning …… (…)

h. Economische rechtvaardiging: 6201.(…)

Bijlage bij de aanvraag voor een vergunning tot actieve veredeling

Economische rechtvaardiging (artikel 552 TVo.CDW) (…)

4. Economische voorwaarden: reden waarom de wezenlijke belangen van de producenten in de Gemeenschap niet worden geschaad onder vermeling van de van toepassing zijnde code economische voorwaarden.

a. De veredeling betreft:

1) de uitvoering van een loonveredelingscontract met een in een derde land gevestigde persoon 6201 .

TOELICHTING:

De bouw van offshoreconstructies cq platforms, is projectmatig en klantgebonden. Voor ieder project wordt een contract opgemaakt, welke ten alle tijde ter inzage liggen, bij D B.V.. In 99% van alle projecten bepaald de klant welke materialen en welke subcontractors er moeten worden gebruikt. In veel gevallen worden ook de meeste materialen aangeleverd door de klant. Zeer zeker de meest essentiele onderdelen van het betreffende platform.”

2.6. Bij brief van 12 juni 1997 doet de inspecteur belanghebbende een vergunning actieve veredeling, nummer ……, toekomen. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Deze vergunning dient ter vervanging van de aan u verleende vergunning nummer ……, d.d.

25-11-1991. In verband hiermee wordt de vergunning nr. ……, d.d. 25-11-1991, hierbij ingetrokken.

Ik adviseer u de voorwaarden en bepalingen van deze vergunning alsmede de bijbehorende toelichting door te nemen met het oog op een juiste uitvoering van deze regeling. Aan de toelichting kunnen geen rechten worden ontleend.”

In deze vergunning is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“Verwijzing naar de aanvraag:

Naam aanvrager: D B.V. Datum aanvraag: 18 april 1997

NB: Wanneer de gegevens worden verstekt door middel van een verwijzing naar de aanvraag maakt deze deel uit van de vergunning. Hetzelfde geldt voor de eventuele bijlagen die ook een integrerend deel uitmaken van de vergunning. (…)

2. Toegestaan systeem: Systeem inzake schorsing (…)

18. Overgangsbepaling: De invoergoederen ingevoerd met toepassing van de ingetrokken vrijstellingsvergunning nummer …… van 28-10-1994, ten aanzien waarvan de regeling actieve veredeling nog niet is beëindigd ingevolge een aangewezen bestemming (zie bijlage 3) en/of afgeleverd aan andere vrijstellinggenietenden, worden geacht op grond van onderhavige vergunning in het vrije verkeer te zijn gebracht.

19. Datum van inwerkingtreding: 18 april 1997 (…)

Bijlage 1. (…)

1.1 GOEDEREN BESTEMD OM TE WORDEN VEREDELD (…)

e. code. econom. voorwaarde * 6201.”

2.7. Bij brief van 24 juni 1997 doet de inspecteur aan belanghebbende de volgende wijziging in de tekst van punt 18 van de vergunning actieve veredeling nummer …… toekomen:

“Ingevolge een aangewezen bestemming (zie bijlage 3) en/of afgeleverd aan andere vrijstellinggenietenden worden geacht op grond van onderhavige vergunning te zijn ingevoerd.”

2.8. In 1999 vond bij belanghebbende een boekenonderzoek plaats inzake de naleving van de economische voorwaarden voor de regeling actieve veredeling, in de vorm van het systeem van schorsing, voor de projecten M en N. Dit onderzoek had tevens betrekking op het toetsen van de economische voorwaarde die was opgegeven bij de aanvraag in 1999 voor verlenging van de vergunning actieve veredeling. In het ter zake van dit onderzoek op 6 juli 1999 opgemaakte rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“1.1. Bedrijfsactiviteiten (…)

D voert bovenstaande activiteiten uit voor verschillende opdrachtgevers, die zowel binnen de Europese Gemeenschap als buiten de Europese Gemeenschap zijn gevestigd. De opdrachtgevers voor de te controleren projecten zijn: (…)

M O (…)

Denemarken

N P B.V. (…)

Nederland (…)

1.9. Vorig onderzoek

Het vorige controlerapport is gedateerd 19 februari 1997. Het rapport betrof een controle op het Q project (1995 t/m 1996). Bij controle op de juistheid, volledigheid en tijdigheid van het verzoek om voorlopige creditering van de vrijstellingsrekening over de periode 1995 t/m 1996 met betrekking tot het Q project zijn geen onregelmatigheden geconstateerd. Toetsing van de economische voorwaarden heeft op dat moment niet plaatsgevonden. Na afloop van de controle zijn de economische voorwaarden opnieuw getoetst. (…)

3. Vergunning

3.1. Naleving voorwaarden

De economische voorwaarden zijn voor zowel het project M als het project N niet nageleefd. Naleving van de economische voorwaarden is één van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen. (…)

De vergunning is afgegeven voor de economische voorwaarde: loonveredeling (code 6201). De definitie van loonveredeling luidt, volgens artikel 552 lid 1 letter a sub i (…) (Toepassingsverordening CDW): de veredeling verricht volgens de instructies en voor rekening van een buiten de Gemeenschap gevestigde opdrachtgever, (…). De opdrachtgever is zoals uit onderstaande tabel blijkt in beide gevallen gevestigd in de Gemeenschap (…).”

2.9. Alle aangiften tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling in het kader van de projecten N en M zijn gedaan door R, met gebruik van het aangeversnummer van de moedermaatschappij L B.V.. Op de desbetreffende aangiften is belanghebbende als geadresseerde vermeld en voorts is op de aangiften verwezen naar de vergunning actieve veredeling van belanghebbende, welke vergunning desgevraagd werd overgelegd.

2.10. Met dagtekening 9 juli 1999 zijn aan belanghebbende twee uitnodigingen tot betaling gedaan van douanerechten met betrekking tot de goederen die in het kader van de projecten N en M zijn aangegeven tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling schorsingssysteem. De desbetreffende uitnodigingen tot betaling zijn als volgt ondertekend:

“Belastingdienst/Douane district E

de inspecteur,

namens deze

(…)

S”

2.11. Bij brief van 21 mei 2001 heeft de inspecteur desgevraagd aan belanghebbende een afschrift verstrekt van het Besluit Mandaatverlening Belastingdienst (BMB). In dit besluit is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“Het Hoofd van de Belastingdienst/.Douanedistrict E (…)

BESLUIT: (…)

- de in onderdeel A, van het als bijlage bij dit besluit opgenomen mandaatregister, vermelde ambtenaren aan te wijzen om namens mij de bevoegdheid uit te oefenen.”

Bijgevoegd zijn voorts versies van het mandaatregister onderdeel A; één versie is bijgewerkt tot 14 januari 1999 en één tot 27 juli 1999. Op beide versies staat S vermeld.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil:

i of de desbetreffende uitnodiging tot betaling aan belanghebbende kon worden uitgereikt;

ii of de betrokken ambtenaar die de uitnodiging heeft gedaan bevoegd was dit te doen;

iii of aan de economische voorwaarden is voldaan als bedoeld in artikel 117, letter c, van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) ter zake van de goederen die in het kader van het project N (hierna: het project) zijn aangegeven tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling met het systeem inzake schorsing.

4. Standpunt van belanghebbende

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de douane-expediteur bij het doen van aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling niet is opgetreden als indirect vertegenwoordiger van belanghebbende nu niet bij elke aangifte opnieuw de machtiging ter zake werd overgelegd. Belanghebbende is van mening dat hieruit volgt dat zij niet kan worden aangemerkt als schuldenaar in de zin van artikel 204 CDW. Dientengevolge kon de desbetreffende uitnodiging tot betaling niet aan haar worden uitgereikt.

Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat het mandaatbesluit, gelet op de regels van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet voldoende is bekendgemaakt. Dit brengt mee dat de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd.

Met betrekking tot de economische voorwaarden stelt belanghebbende primair dat, gelet op de vergunning uit 1994, nr. ……, gedurende de gehele looptijd van het project dient te worden getoetst of wordt voldaan aan artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106) van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: UCDW). De overgangsbepaling opgenomen in de vergunning uit 1997, nr. ……, mist toepassing.

Belanghebbende neemt voorts het standpunt in dat wordt voldaan aan artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW.

Ter zitting heeft belanghebbende nader toegelicht dat ingeval geoordeeld wordt dat in casu artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW van toepassing is, doch dat de vergunning uit 1994, nr. ……, niet van toepassing is, voor de (gehele) looptijd van het project een beroep wordt gedaan op opgewekt vertrouwen in de zin van artikel 220, tweede lid, letter b, CDW. Dit vertrouwen brengt mee dat gedurende de gehele looptijd van het project de situatie toch moet worden getoetst aan artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW.

Zo niet gedurende gehele looptijd doch slechts gedurende een deel van de looptijd van het project aan artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW dient te worden getoetst, en geoordeeld wordt dat de aldaar bedoelde situatie zich voordoet, verdedigt belanghebbende primair het standpunt dat tot 13 juni 1997 en subsidiair tot 18 april 1997 aan de economische voorwaarden is voldaan.

5. Standpunt van de inspecteur

De inspecteur is van mening dat uit de feiten en omstandigheden volgt dat de douane-expediteur belanghebbende rechtsgeldig heeft vertegenwoordigd en op eigen naam doch voor rekening van belanghebbende aangifte heeft gedaan. Belanghebbende is de houder van de vergunning actieve veredeling en uit dien hoofde degene die moet voldoen aan de verplichtingen die voorvloeien uit het gebruik van die regeling. De uitnodiging tot betaling is derhalve terecht aan belanghebbende uitgereikt.

De inspecteur is voorts van mening dat het mandaatbesluit voldoende bekend gemaakt is. De uitnodiging tot betaling is derhalve niet door een onbevoegde ambtenaar uitgereikt.

Met betrekking tot de economische voorwaarden neemt de inspecteur het volgende standpunt in. Gelet op de overgangsregeling opgenomen onder punt 18. van de vergunning van 18 april 1997, nr. ……, is ter zake van het gehele project, ook voor zover reeds goederen onder de regeling actieve veredeling waren geplaatst vóór 18 april 1997, evenbedoelde vergunning van toepassing. Dat brengt mee dat gedurende de gehele looptijd van het project getoetst dient te worden of wordt voldaan aan artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW. Code 6201 is immers de code vermeld in de vergunning van 1997. Tussen partijen is niet in geschil dat deze situatie (code 6201) zich in casu niet voordoet.

Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat hij zich met betrekking artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW primair op het standpunt stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de afnemer van het project in een derde land is gevestigd en subsidiair dat niet is gebleken dat vergelijkbare goederen die in de Europese Gemeenschap worden vervaardigd niet voldoen aan de eisen van de afnemer.

De inspecteur betwist voorts dat artikel 220, tweede lid, letter b, CDW van toepassing is.

6. De rechtsoverwegingen

Ten aanzien van de uitreiking van de uitnodiging tot betaling aan belanghebbende

6.1. Ingevolge artikel 64 CDW kan de douaneaangifte, voor zover hier van belang, worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is evenwel voorwaarde dat indien de aanvaarding van een douaneaangifte bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich brengt de aangifte door deze persoon of voor diens rekening wordt gedaan.

6.2. De in 2.4. genoemde machtiging omvat de bevoegdheid de ingevolge wettelijke bepalingen inzake de douane en accijnzen vereiste goederenaangiften te doen, die aangiften en andere vereiste bescheiden te ondertekenen, de verplichting tot zuivering over te nemen en voorts in het algemeen alles te doen wat nodig kan zijn of verlangd kan worden in verband met het doen van aangiften en het vervullen van douaneformaliteiten. Voorts staat vast dat op de desbetreffende door de douane-expediteur op eigen naam ingediende aangiften belanghebbende staat vermeld als degene voor wie de goederen zijn bestemd, dat de vergunning van belanghebbende werd vermeld, dat de vergunning desgevraagd werd overgelegd en dat op grond van een verzoek daartoe op de achterzijde van het aangiftedocument de vrijstellingsrekening van belanghebbende werd gedebiteerd. Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de Douanekamer tot het oordeel dat de douane-expediteur belanghebbende rechtsgeldig indirect heeft vertegenwoordigd bij het doen van de aangiften - hij heeft gehandeld op eigen naam doch voor rekening van belanghebbende - en dat aan het gestelde in artikel 64, tweede lid, CDW is voldaan. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat niet iedere keer bij het indienen van de aangifte de machtiging opnieuw werd overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel.

6.3. Gelet op artikel 204, derde lid, CDW is, voor zover hier van belang, schuldenaar de persoon die, naar gelang van het geval, de verplichtingen moet nakomen die ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst. De litigieuze uitnodiging tot betaling is uitgereikt aan belanghebbende. Nu belanghebbende als houder van de vergunning gehouden is de aan de regeling actieve veredeling verbonden voorwaarden na te komen, is de uitnodiging tot betaling in zoverre terecht aan belanghebbende uitgereikt en faalt belanghebbendes beroep te dezer zake.

Ten aanzien van de mandatering van de heffingsbevoegdheid

6.4. Het onder 2.11. genoemde geschrift van 5 januari 1998, nr. …… en het daarbij behorende register is aan te merken als een algemeen mandaat waarbij (onder meer) S, zijnde degene die de uitnodiging tot betaling heeft uitgereikt, op de voet van artikel 10:5 Awb jo. artikel 19 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is aangewezen om namens het hoofd van de eenheid douane Rotterdam de bevoegdheid van inspecteur uit te oefenen.

6.5. Gelet op de geschiedenis van artikel 10:5, Awb is een algemeen mandaat aan te merken als een besluit dat volgens de regels van artikel 3:42 Awb bekend moet worden gemaakt. Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat het mandaatbesluit niet voldoende bekend is gemaakt; met name is onvoldoende dat het besluit eerst na afspraak ter inzage ligt op de eenheid van de belastingdienst en dat het register behorende bij het besluit wordt bijgehouden door de betrokken eenheid en niet door een onafhankelijke derde.

6.6. Ingevolge artikel 3:42 Awb, voor zover hier van belang, vindt bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, plaats door kennisgeving van het besluit in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. In de parlementaire geschiedenis (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 173) is ter zake het volgende is opgemerkt: “Een schriftelijk verleend algemeen mandaat is een besluit dat overeenkomstig artikel 3:42 bekend moet worden gemaakt. Het bestuursorgaan moet zorgdragen voor een geschikte wijze van bekendmaking. Mede in verband met de regels omtrent deze materie in het privaatrecht zou het bijhouden van een algemeen toegankelijk register, waarin alle mandaatverleningen door een bepaald bestuursorgaan te vinden zijn, onder omstandigheden als een goede vorm van bekendmaking kunnen gelden.”

6.7. Naar het oordeel van de Douanekamer is met het bijhouden van een register door de betrokken eenheid en het op het kantoor van deze eenheid ter inzage leggen van het besluit en het daarbij behorende register, mede gelet op de parlementaire geschiedenis, voldaan aan het vereiste van bekendmaking. De Douanekamer neemt voorts in aanmerking dat de inhoud van het besluit en het register op deze wijze voor belanghebbende kenbaar en toegankelijk is. Ook ingeval er echter geen sprake zou zijn van het “op een andere geschikte wijze” kennis geven van het besluit leidt deze omstandigheid niet tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling. Er kan immers van worden uitgegaan dat S werkzaam was onder verantwoordelijkheid van het hoofd van de eenheid douane te E, dat hij bij het uitreiken van de litigieuze uitnodiging tot betaling onder diens verantwoordelijkheid heeft gehandeld en dat hij in elk geval materieel bevoegd was deze uitnodiging te doen. Naar het oordeel van de Douanekamer is belanghebbende niet rechtstreeks benadeeld door het in stand laten van de uitnodiging - de uitnodiging zou immers niet tot een lager bedrag zijn gedaan ingeval van juiste publicatie - en vormt het ontbreken van de voorgeschreven bekendmaking een schending van een vormvoorschrift als bedoeld in artikel 6:22 Awb die niet leidt tot vernietiging van de uitnodiging. In zoverre faalt het beroep van belanghebbende.

Ten aanzien van de economische voorwaarden

6.8. De stelling van de inspecteur dat gelet op de in de vergunning van 18 april 1997, nr. ……, getroffen overgangsregeling gedurende de gehele looptijd van het project, ook ingeval de aangiften waarbij goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst vóór 18 april 1997 zijn gedaan, de voorwaarden van deze vergunning van toepassing zijn, moet worden verworpen.

6.9. Ingevolge artikel 85, CDW is voor het gebruik van iedere economische douaneregeling een door de douaneautoriteiten afgegeven vergunning vereist. Gelet op artikel 500, derde lid, UCDW wordt de vergunning van kracht op datum van afgifte. In afwijking hierop kan, gelet op artikel 556, eerste lid, UCDW in naar behoren met redenen omklede uitzonderlijke gevallen, een vergunning met terugwerkende kracht worden verleend, die evenwel niet verder kan teruggaan dan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend. Dit brengt voor de onderhavige situatie mee dat de in 1997 verleende vergunning niet eerder kan ingaan dan op 18 april 1997, de datum waarop belanghebbende, gelet op diens datering, de aanvraag heeft ingediend. Dat de inspecteur, aldus zijn verklaring ter zitting, de desbetreffende overgangsregeling inhoudend dat de vergunning terugwerkt voor de gehele duur van het project, uit coulance-overwegingen heeft getroffen doet hier niet aan af.

6.10. Ingevolge artikel 117, letter c, CDW wordt de vergunning voor actieve veredeling slechts verleend in de gevallen waarin de regeling actieve veredeling kan bijdragen tot het scheppen van de gunstigste voorwaarden voor de uitvoer of de wederuitvoer van de veredelingsproducten mits de wezenlijke belangen van de communautaire producenten niet worden geschaad (de economische voorwaarden). Gelet op artikel 552 UCDW zoals die bepaling destijds luidde worden deze zogenoemde economische voorwaarden, voor zover hier van belang, in de volgende twee situaties geacht te zijn vervuld:

“a) wanneer de veredeling bestaat uit een van de volgende werkzaamheden, waarbij de daarop betrekking hebbende code is vermeld:

i) werkzaamheden in het kader van een loonveredelingscontract dat met een in een derde land gevestigde persoon is gesloten. Onder “loonveredeling” wordt verstaan de veredeling verricht volgens de instructies en voor rekening van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde opdrachtgever, (…) (code 6201);

(…)

e) indien goederen die in de zin van letter b) vergelijkbaar zijn, in de Gemeenschap worden vervaardigd, maar om een van de volgende redenen niet gebruikt kunnen worden: (…)

iii) de goederen beantwoorden niet aan de eisen van de afnemer van het veredelingsprodukt in het derde land (code 6106);”

6.11. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 552, eerste lid, letter a, onderdeel i (code 6201), UCDW - de code vermeld in de vergunning van 18 april 1997, nr. ……, - toepassing mist omdat de opdrachtgever van belanghebbende niet buiten het douanegebied van de Gemeenschap is gevestigd. Nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting zal de Douanekamer partijen hierin volgen.

6.12. De Douanekamer is van oordeel dat ook artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW - de code vermeld in de vergunning van 28 oktober 1994, nr. …… - in casu toepassing mist. Gelet op zowel de bewoordingen van evenbedoeld artikellid als op de systematiek van artikel 552 in het geheel lijdt het geen twijfel dat ook in dit geval de afnemer in een derde land moet zijn gevestigd. Dit oordeel is ook in overeenstemming met de Engelse tekst van het desbetreffende artikellid dat als volgt luidt:

“they do not conform to the expressly stated requirements of the third-country purchaser of the compensating products (code 6106);”

Ook in zoverre faalt het beroep van belanghebbende.

6.13. Nu gelet op het onder 6.11. en 6.12. overwogene zowel artikel 552, eerste lid, letter a, onderdeel i (code 6201), UCDW als artikel 552, eerste lid, letter e, onderdeel iii (code 6106), UCDW in casu toepassing missen, behoeft het beroep van belanghebbende op artikel 220, tweede lid, letter b, CDW geen behandeling meer, aldus is uit belanghebbendes stelling ter zitting gebleken.

Conclusie

6.14. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75, Awb.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 24 december 2002 door mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter:

mede te ondertekenen.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.