Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AP1851

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
17-06-2004
Zaaknummer
00/90170
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is niet de verkrijger van de in het geding gebrachte BTI; bovendien zijn de douaneformaliteiten voor de onderhavige goederen vervuld voordat de inlichting was verstrekt. Gelet op artikel 12, lid 2, van het Communautair douanewetboek kan belanghebbende derhalve niet met vrucht een beroep op de BTI doen, nog daargelaten dat de inspecteur heeft betwist dat het onderhavige product identiek is aan het in de BTI genoemde product.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

In de zaak 00/90170 DK

de dato 17 december 2002

1. De procedure

1.1. Op 6 september 2000 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z, belanghebbende, ingediend door B van C,

belastingadviseurs te Y. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict D (hierna: de inspecteur) van 27 juli 2000, kenmerk ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 25 oktober 1999 betreffende aangifte nummer …… niet-ontvankelijk werd verklaard.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- (€ 204,20) geheven. Op 2 november 2000 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend. Vervolgens is op 6 december 2000 van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen en in reactie daarop op 18 januari 2001 een conclusie van dupliek van de inspecteur.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van het gerechtshof van 5 maart 2002, gehouden te Amsterdam. Aldaar is verschenen namens belanghebbende de heer B voornoemd; namens de inspecteur zijn verschenen mr. E en F.

1.4. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001, Stb. 419, is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 30 maart 1999 heeft belanghebbende in opdracht van G B.V. aangifte voor het vrije verkeer gedaan van “bindmiddel voor de drukinktindustrie bereide was”. De goederen werden aangegeven onder post 3404 90 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (het GDT). Bij de goederen was een factuur gevoegd waarop de goederen zijn omschreven als “thermol 84C”. Bij de verificatie van de aangifte zijn de goederen daadwerkelijk opgenomen en zijn er monsters genomen. De verificatie is aangehouden voor onderzoek van een monster door het Douane Laboratorium (hierna: het Laboratorium).

2.2. De uitslag van het monsteronderzoek van 29 juni 1999, nummer ..., luidt als volgt: “Bij onderzoek bevonden: Licht-beige pasta bestaande uit een mengsel van polytetrafluorethyleen en polyethyleen in ongeveer gelijke hoeveelheden.

Het onderzochte product heeft geen wasachtig karakter. Conform aantekening 4 op hoofdstuk 39 wordt ingedeeld in de post die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst. advies goederencode: 3904.6100”.

2.3. Belanghebbende heeft een heronderzoek gevorderd. De uitslag van dit onderzoek van 19 oktober 1999, nummer ..., luidt als volgt:

“Bij onderzoek bevonden:

Bijna witte zachte pasta, bestaande uit een mengsel van poly(tetrafluorethyleen) (50%), een olie en microkristallijne wassen (samen tevens 50%). Het monster bezit geen druippunt dat hoger ligt dan 40º C. Voor indeling van producten onder post 3404 dienen zij te voldoen aan de voorwaarden beschreven in de toelichting op deze post. Volgens deze toelichting dienen wasachtige producten o.a. een druippunt te hebben dat hoger ligt dan 40º C. Bij een temperatuur van 20º C kunnen de producten hetzij zacht en kneedbaar, hetzij broos zijn, maar niet kleverig of vloeibaar. Na toetsing van het onderzochte product aan de hierboven genoemde criteria kan worden vastgesteld dat het monster geen wasachtig karakter heeft, en dus niet kan worden ingedeeld onder post 3404. Bij de indeling van het eerder onderzochte monster Thermol (laboratoriumnummer ...) werd uitgegaan van een mengsel van poly(tetrafluorethyleen) en polyethyleen, beide vallend onder hoofdstuk 39. Uit extra informatie aanwezig bij het huidige monster blijkt echter dat het hier een mengsel betreft van een product van hoofdstuk 39 met andere stoffen. Door vermenging van deze stoffen is het karakter van het product niet meer dat van een kunststof van hoofdstuk 39, en is indeling onder dit hoofdstuk uitgesloten. Het product wordt gebruikt als een grondstof in de drukindustrie en is aan te merken als een chemisch preparaat, elders genoemd noch elders onder begrepen, van post 3824.

Advies goederen code: 3824 9095”.

2.4. Bij de beëindiging van de verificatie op 25 oktober 1999 zijn de goederen in afwijking van de aangifte ingedeeld onder post 3824 90 95 van het GDT, waarvoor ten tijde van de aangifte een douanerecht van 6,5% gold. Als gevolg hiervan is van belanghebbende f 18.860,50 geheven.

2.5. Tot de gedingstukken behoren:

- een verklaring van 22 november 2000 van de leverancier van het onderhavige product, H te X;

- een “Lab Project Description” en “Inter-Office Correspondence van genoemde leverancier;

- een Notification of Tariff Classification van de Engelse douane inzake het product CC 6578D.

- een bindende tariefinlichting (BTI) van de Engelse douane, op 5 september 2001 afgegeven aan I.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil of de onderhavige goederen moeten worden ingedeeld onder post 3404 90 90 van het GDT, zoals belanghebbende bepleit, dan wel onder post 3824 90 95, hetgeen de inspecteur voorstaat. Voormelde posten luiden als volgt:

Post 3404 90 90:

“3404 Kunstwas en bereide was

3404 10 00 - montaanwas, chemisch gewijzigd

3404 20 00 - polyethyleenglycolwas

3404 90 - andere

(...)

3404 90 90 - - andere”.

Post 3824 90 95

“3824 Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen;

chemische producten en preparaten van de chemische of van

aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten

daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder

begrepen; residuen van de chemische of van aanverwante

industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

(...)

3824 90 95 - - - - andere”.

Partijen hebben Aantekening 5 op hoofdstuk 34 van het GDT en de Toelichting IDR op post 3404 in hun beschouwingen betrokken. Deze voorschriften luiden, voorzover van belang, als volgt:

Aantekening 5:

Post 3404 omvat daarentegen niet:

(...)

d. was vermengd met, dan wel gedispergeerd of opgelost in een vloeistof

(bijvoorbeeld post 3405 of 3809).”.

Toelichting IDR:

“De onder de letters A, B en C hiervoor omschreven producten zijn echter van deze post uitgezonderd en vallen onder de posten 34.05, 38.09 enz., indien zij zijn vermengd met, gedispergeerd (gesuspendeerd, of geëmulgeerd) in of opgelost in een vloeibaar medium.

De onder de letters A en C hiervoor bedoelde producten met een wasachtig karakter dienen de volgende kenmerken te bezitten:

1. een druippunt dat hoger ligt dan 40° C en

2. een viscositeit, gemeten met de rotatieviscosiemeter, van niet meer dan 10 Pa.s (of 10 000 cP) bij een temperatuur die 10° C boven het druippunt ligt.

Daarenboven (...) zijn sommige producten zacht en kneedbaar (maar niet kleverig of vloeibaar) (zachte was), terwijl andere broos zijn (harde was);

(...) boven een temperatuur van 40° C smelten zij, zonder daarbij te ontleden;”.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Het in deze zaak toegezegde hoorgesprek is niet gehouden. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. Het litigieuze product wordt gebruikt als was bij de bereiding van drukinkt.

4.3. De douane heeft geen inzicht gegeven in de uitgevoerde proeven en de resultaten daarvan. De indruk bestaat dat in het geheel geen monsteronderzoek heeft plaatsgevonden. Zo dit wel het geval is geweest, dan moet dit op hetzelfde monster zijn uitgevoerd; per partij is slechts een monster getrokken.

4.4. Volgens de gegevens van de leverancier heeft het product een druippunt boven 40° C en heeft het bij een temperatuur van 329° C een viscositeit die kleiner is dan 10 Pa.s. Het voldoet ook aan andere algemene kenmerken, genoemd in de Toelichting IDR op post 3404 van het GDT; bij een temperatuur van 20° C is het zacht, kneedbaar en niet vloeibaar; het smelt bij een temperatuur die hoger is dan 40° C. Het onderhavige product is volgens de leverancier practisch hetzelfde als het product CC 6578D. Voor CC 6578D is de sub 2.5. genoemde Notification afgegeven. Dit is geen BTI. Op 5 september 2001 is echter wel een BTI afgegeven voor de indeling van Thermol 84C onder post 3404 90 90 van het GDT; I is een dochter van de leverancier. Volgens de leverancier is het product niet vermengd met een vloeibaar oplosmiddel; het is verkregen door het onderling mengen van verschillende wassoorten en andere chemische stoffen waaronder “lube oil”, een dikkige olieprut die niet als vloeibaar medium is aan te merken.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Het bezwaar is niet van een motivering voorzien; kennelijk is nagelaten belanghebbende op dit verzuim te wijzen. Het bezwaar had dan ook ontvankelijk moeten worden verklaard.

5.2. Het onderhavige product is door het Laboratorium onderzocht; daarbij is bevonden dat het was vermengd met een vloeibaar oplosmiddel, te weten olie (lube oil); ook al bestaat het product, zoals belanghebbende stelt en het Laboratorium bevestigt, uit een bereide was, dan nog is indeling onder post 3404 uitgesloten vanwege de vermenging met een vloeibaar medium.

5.3. Het onderhavige product is niet identiek aan CC 6578D. Druippunt en viscositeit zijn niet op de in het GDT voorgeschreven wijze bepaald; de DSC-methode is daartoe niet geschikt.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, acht de Douanekamer aannemelijk dat het onderhavige product bestaat uit een mengsel van (onder meer) was en olie (“lube oil”).

6.2. Olie is naar zijn aard een vloeibaar medium. Dat vorengenoemde “lube oil” niet als vloeistof zou zijn aan te merken, heeft belanghebbende niet - althans onvoldoende - aannemelijk gemaakt.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene staat Aantekening 5 op Hoofdstuk 34 van het GDT aan indeling onder de door belanghebbende voorgestane post in de weg.

6.4. Belanghebbende is niet de verkrijger van de in het geding gebrachte BTI; bovendien zijn de douaneformaliteiten voor de onderhavige goederen vervuld voordat de inlichting was verstrekt. Gelet op artikel 12, lid 2, van het Communautair douanewetboek kan belanghebbende derhalve niet met vrucht een beroep op de BTI doen, nog daargelaten dat de inspecteur heeft betwist dat het onderhavige product identiek is aan het in de BTI genoemde product.

6.5. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan de inspecteur is. Gelet op hetgeen hij sub 5.1. heeft gesteld, kan de uitspraak evenwel niet in stand blijven.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu belanghebbende ten principale in het ongelijk wordt gesteld.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- verklaart, doende wat de inspecteur had behoren te doen, het bezwaar ontvankelijk;

- handhaaft de uitnodiging tot betaling van 25 oktober 1999 betreffende aangifte nummer ……;

- stelt vast dat de goederen moeten worden ingedeeld onder post 3824 90 95 van het GDT;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 17 december 2002 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.W.M. Tijnagel en mr. K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.