Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AO1517

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2002
Datum publicatie
09-01-2004
Zaaknummer
99/90133
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft naar het oordeel van de Douanekamer niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de onderhavige door haar aan de aangever ter hand gestelde certificaten ongeldig waren. Niet gebleken is dat belanghebbende reeds toen hij de certificaten ontving en deze bij de aangifte door de aangever liet overleggen, van de mogelijke ongeldigheid daarvan op de hoogte was. Evenmin was er toen voor hem aanleiding om aan die geldigheid te twijfelen en dienaangaande bij de exporteur een nader onderzoek in te stellen. Dit leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken, en dat de bestreden uitspraak en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

In de zaak nr. 99/90133

de dato 14 mei 2002

1. De procedure

1.1. Op 12 juli 1999 is een beroepschrift ingekomen van A, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 24 juni 1999, nummer XXXX, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 17 februari 1997, nr. XXXX, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 40.825,50, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht van f 150,-- (€ 68,07) geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 22 mei 2001, alwaar aanwezig waren mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. Th.J.G. van Berkum en mr. M.J. Kuiper, plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als secretaris. Belanghebbende, alhoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen; namens de inspecteur zijn verschenen mr. B en drs.C. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Op grond van artikel XI van de Wet 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 25 mei, 21 juni en 14 juli 1993 zijn te X door D B.V. in opdracht van belanghebbende aangiften voor het vrije verkeer gedaan van diverse textielproducten. Op 5 juli 1993 werd eveneens ten behoeve van belanghebbende in Y aangifte gedaan door E. Bij deze aangiften werd aanspraak gemaakt op een preferentieel tarief, waartoe certificaten van oorsprong werden overgelegd met de nummers XXXX, XXXX, XXXX, XXXX, en XXXX. Deze certificaten waren op verzoek van de fabrikant/exporteur van de goederen F (hierna G) afgegeven door de H te X. Het preferentieel tarief van nul percent werd toegekend.

2.2. Naar aanleiding van berichten die bij de lidstaten en de Commissie van de Europese Gemenschappen binnenkwamen, is in maart 1995 besloten een ad-hoc missie in Laos een onderzoek te laten instellen naar de afgifte van certificaten van oorsprong. Het onderzoek vond plaats in het archief van de Laotiaanse autoriteiten en er werd een 24-tal fabrikanten en exporteurs van textielproducten bezocht. In een brief van de Laotiaanse autoriteiten aan de Europese Commissie van 28 november 1995 wordt het volgende verklaard: "During the course of these joint inquiries it was possible to establish that the following certificates of origin Form A listed in schedule C attached to this note had not been issued by the competent authorities in the Laos People's Democratic Republic, and that they are false or forged and therefore not valid. (...) It has also been possible to establish that whilst the remainder of the certificates of origin GSP Form "A" listed in Schedule "C" had been issued by the competent authorities in the Lao People's Democratic Republic, they were not issued in accordance with the pertinent rules of origin required to obtain tariff preference in the European Community. Consequently, these certificates have been incorrectly issued and the products themselves are not eligible to benefit on importation into the Community from tariff preferences.

2.3. Het rapport van de onderzoeksmissie vermeldt in verband het onderzoek bij onder meer F Ltd. het volgende: "Based on the findings in the companies and the statements given by them, the Laotian authorities accepted the fact that none of the textile goods exported from Laos to the Community by the companies listed (...) which were the subject of the joint enquiries, actually met the preferential rules of origin. Therefore the Laotian authorities acknowledged that the relevant certificates of origin Forms A issued by them had been incorrectly issued and were therefore invalid.".

2.4. In verband met deze bevindingen is de inspecteur tot navordering van de niet geheven rechten overgegaan. In de bij de onder 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gevoegde brief staat onder meer het volgende:

"Navordering

Uit het voorgaande volgt dat bij de in opdracht van uw bedrijf gedane invoeraangiften voor textielproducten uit Laos ten onrechte aanspraak is gemaakt op een preferentieel tarief. (...) Op grond van het bepaalde in art. 201, derde lid, laatste volzin, van het CDW merk ik uw bedrijf naast de aangever mede aan als schuldenaar voor de douaneschuld. (...)".

3. Het geschil

In geschil is onder meer of belanghebbende als importeur van de onderhavige goederen met toepassing van artikel 201, derde lid, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) voor de onderhavige douaneschuld aansprakelijk kan worden gesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De aangever van de goederen is primair verantwoordelijk voor de douaneschuld. De inspecteur heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij de aangever passeert.

4.2. In redelijkheid kan niet worden verwacht dat via de officiële weg verkregen certificaten aan een nader onderzoek worden onderworpen. Er mag op vertrouwd worden dat de certificaten juist zijn. Pas na onderzoek op hoog Europees niveau is gebleken dat de autoriteiten in Laos in casu niet te vertrouwen zijn.

4.3. Ten onrechte is op basis van een algemeen onderzoek geconcludeerd dat de certificaten ongeldig zijn. Dit had per certificaat moeten worden vastgesteld.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De bij de aangiften overgelegde certificaten zijn niet genoemd in de Schedules bij het missierapport. Voor de certificaten met de nummers XXXX, XXXX, XXXX en XXXX hebben de Laotiaanse autoriteiten op een verzoek om controle a posteriori verklaard dat de certificaten ten onrechte zijn afgegeven. Daarnaast heeft de exporteur verklaard dat al haar textielproducten uit geïmporteerde weefsels/breisels zijn vervaardigd. Dit betekent dat alle certificaten ten onrechte zijn afgegeven.

5.2. Belanghebbende heeft gegevens, waaronder certificaten van oorsprong Form A, aan de aangevers verstrekt, waarvan hij had moeten weten dat deze ten onrechte waren afgegeven. Belanghebbende moet als importeur van textielproducten geacht worden deskundig te zijn en over voldoende kennis en ervaring in de textielbranche te beschikken om te kunnen weten dat de textielproducten niet in Laos uit aldaar geproduceerde garens vervaardigd konden zijn. Zij of haar inkoopagent - voor wier handelen belanghebbende de verantwoordelijkheid draagt - had nadere informatie moeten inwinnen naar de oorsprong van de grondstoffen en de omstandigheden waaronder de textielproducten waren vervaardigd.

5.3. Er is geen sprake van een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten in Laos; evenmin hebben zij de oorsprong gecertificeerd op basis van een onjuiste uitlegging van de oorsprongsregels. Zij waren niet verplicht de gegevens die daartoe door de inspecteur waren verstrekt, direct te controleren. Derhalve is geen sprake van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf in de zin van artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW.

5.4. De door belanghebbende gevraagde informatie is geweigerd in verband met het bepaalde in artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur, respectievelijk de uitzonderingsgronden van artikel 10, lid 2, sub c en d. Overigens is de navordering niet op de gevraagde bescheiden gebaseerd maar op het missierapport, dat belanghebbende is verstrekt.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van de derde volzin van artikel 201, derde lid, CDW jo. artikel 54 Douanebesluit kunnen in het geval wettelijk verschuldigde douanerechten geheel of gedeeltelijk niet zijn geheven, eveneens als schuldenaar voor de ontstane douaneschuld worden aangemerkt de personen die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

6.2. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de onderhavige door haar aan de aangever ter hand gestelde certificaten, formulier A, ongeldig waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. Niet gebleken is dat belanghebbende reeds toen hij de certificaten ontving en deze bij de aangifte door de aangever liet overleggen, van de mogelijke ongeldigheid daarvan op de hoogte was. Evenmin was er toen voor hem aanleiding om aan die geldigheid te twijfelen en dienaangaande bij de exporteur een nader onderzoek in te stellen.

6.3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken, zodat de bestreden uitspraak en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd. De overige geschilpunten kunnen daarom buiten beschouwing blijven.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet, nu geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van andere, voor nadere opgaaf vatbare kosten niet is gebleken.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, en de uitnodiging tot betaling van 17 februari 1997, nr. XXXX;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad € 68,07 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. Th.J.G. van Berkum en mr. M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier.

De griffier: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 14 mei 2002 en aangetekend aan partijen verzonden op