Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AN9463

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
0206/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat in casu niet is voldaan aan een ingevolge artikel 81, lid 1, UCDW voor toepassing van de algemene tariefpreferenties geldende voorwaarde, te weten dat de goederen in de zin van artikel 78 UCDW rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd. Reeds daarop stuit het beroep op toepassing van het preferentieel tarief af. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar aangegeven en door de ambtenaren conform bevonden douanewaarde van de goederen betrekking heeft op een grotere hoeveelheid goederen dan door haar op de aangifte is vermeld. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat de onderhavige goederen ten tijde van de aanvaarding van de aangifte een mindere kwaliteit hadden dan tussen verkoper en koper was overeengekomen, en dat deze omstandigheid aanleiding was de nadere factuur op te maken. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding de douanewaarde van de goederen op een lager bedrag vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 0206/98 TC

de dato 5 maart 2002

1. De procedure

1.1. Op 27 november 1998 is een beroepschrift ingekomen van A, directeur van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B B.V., belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Roermond (hierna: de inspecteur) van 16 oktober 1998, nummer 38-565 B, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling, behorende bij de aangifte voor het vrije verkeer nummer 52784/00 98 07070671, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 19 december 2000, alwaar aanwezig waren mr. A. Bijlsma, voorzitter, H.J. Bokhorst, lid, en mr. E.N. Punt, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als secretaris. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen; namens de inspecteur zijn verschenen C en mr. E. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 7 juli 1998 heeft belanghebbende onder nummer XXXX aangifte voor het vrije verkeer gedaan van een partij van 1482 kartons bevroren asperges met een gewicht van 13.930 kg netto en een waarde van f 42.027,--. Als geadresseerde stond B B.V. te Z vermeld. Bij de aangifte zijn in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS) twee door de Peruaanse autoriteiten afgegeven certificaten van oorsprong formulier A overgelegd en werd verzocht om toepassing van het preferentieel tarief van 0 percent. Het certificaat nummer xxx vermeldt 665 dozen met een brutogewicht van 7.315,75 kg, en het, achteraf afgegeven, certificaat met nummer xxx betreft 805 dozen met een brutogewicht van 8.982,5 kg. In vak 3 van de certificaten is vermeld "by seafreight mn msc Lima v. 271nb Callao-Baltimore", respectievelijk mv. Lima Callao-Peru/Baltimore-U.S.A". De bij de aangifte overgelegde factuur van de leverancier, W Inc., gedagtekend 23 juni 1998, aan B Foods B.V. te Z, vermeldt als prijs per kg $ 1,50, als netto gewicht 14.664 kg en als verschuldigd bedrag $ 21.966,--, alsmede "Shipped via Peru-USA-Belgium. Op de certificaten is verwezen naar facturen van 24 april 1998 met de nummers xxx respectievelijk xxx. Als geadresseerde is op de certificaten W Inc., USA, vermeld.

2.2. Omdat de ambtenaren van mening waren dat er geen sprake was van rechtstreeks vervoer en de certificaten ook niet waren afgegeven voor export naar de EG, hebben zij de preferentie niet verleend en werd aan belanghebbende als aangever het conventionele tarief van 15,6 percent in rekening gebracht. Op 13 juli 1998 werd aan belanghebbende bij de beëindiging van de verificatie de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gedaan ten bedrage van f 6.556,30 aan douanerechten.

2.3. Ten bewijze van de oorsprong Peru heeft belanghebbende in de bezwaarfase een achteraf afgegeven certificaat A nummer xxx voor 1482 dozen met een gewicht van 14.662 kg overgelegd; daarin is onder meer vermeld: "port of dispach: Callao-Peru, port of discharge: Antwerp-Belgica. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen omdat naar zijn mening was komen vast te staan dat de goederen niet rechtstreeks vanuit Peru naar het grondgebied van de EEG zijn verzonden.

2.4. Tot de gedingstukken behoren:

- een nadere factuur van W Inc., gedagtekend 10 augustus 1998, waarin als prijs per kg is vermeld $ 1,05--, als netto gewicht 13.930 kg, en als verschuldigd bedrag $ 14.626,50;

- tussen de leverancier, de geadresseerde en B B.V. uitgewisselde faxberichten;

- een na de zitting door de indiener van het beroep overgelegde machtiging van belanghebbende.

3. Het geschil

In geding is de vraag of de preferentie terecht is geweigerd en subsidiair, of de uitnodiging tot betaling op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende is van mening dat de aangegeven goederen Peru als oorsprong hebben en dat er, nu er een oorsprongscertificaat is overgelegd, geen douanerechten mogen worden geheven.

4.2. Zo er al douanerechten moeten worden geheven, dan moet de douanewaarde lager worden vastgesteld omdat slechts 1482 dozen zijn ontvangen, dus minder dan de gefactureerde hoeveelheid van 1549 dozen. In gewicht is 14.869 kg ontvangen, 732 kg minder. Bovendien is uiteindelijk een lagere prijs voor de goederen gefactureerd vanwege de mindere kwaliteit. Dit blijkt uit de sub 2.4. vermelde faxberichten.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Belanghebbende heeft bij de aangifte twee formulieren A overgelegd, ten bewijze van de oorsprong Peru. Er moet echter aan twee eisen worden voldaan: de certificaten moeten betrekking hebben op de goederen en op grond van artikel 78 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (UCDW) moet sprake zijn van rechtstreeks vervoer van Peru naar de Gemeenschap.

Vaststaat dat de goederen over het grondgebeid van de Verenigde Staten naar de Gemeenschap zijn vervoerd. Dit blijkt uit de vermelding op de factuur : "shipped via Peru - USA Belgium, uit diverse vermeldingen op de formulieren A, bijvoorbeeld :route Callao-Peru/Baltimore - USA, en uit de verklaring van de exporteur dat de goederen geëxporteerd werden naar de USA. Belanghebbende verklaart dit ook in haar bezwaarschrift. Ook uit het later, in de bezwaarfase, overgelegde certificaat valt af te leiden dat geen sprake is van rechtstreeks vervoer.

5.2. Daarnaast moet duidelijk zijn dat de certificaten betrekking hebben op de ingevoerde goederen. Op diverse punten zijn afwijkingen. Zo is op de aangifte ten invoer sprake van 1482 kartons, op de packing list staan 1548 kartons, en op de twee formulieren A is sprake van in totaal 1470 kartons. Het brutogewicht op de aangifte is 14.390 kg en op de formulieren A tezamen 16.298 kg. Het nettogewicht op de factuur en de packing list luidt 14.664 kg, terwijl volgens de aangifte sprake is van 13.930 kg. Op de formulieren A wordt ook verwezen naar andere facturen dan de factuur die bij de aangifte is overgelegd. Derhalve staat niet vast dat de formulieren A bij de ingevoerde goederen horen.

5.3. Belanghebbende stelt dat er 1482 dozen zijn ontvangen. Dit is ook de hoeveelheid die de aangifte ten invoer vermeldt. Vreemd is dat volgens belanghebbende 14.869 kg is ontvangen, méér dan is gefactureerd (14.664 kg) en meer dan is aangegeven, namelijk 14.039 kg bruto / 13.930 netto. Uit de aangifte en de daarbij overgelegde bescheiden blijkt het volgende:

- de factuurprijs bedraagt $ 21.996, zijnde 14.664 kg à $ 1,50 per kg

- de aangifte ten invoer vermeld een nettogewicht van 13.930 kg, dit is 734 kg minder dan op de factuur vermeld ( belanghebbende spreekt van 732 kg)

- de douanewaarde op de aangifte ten invoer is vastgesteld op basis van een gefactureerd bedrag van $ 20.895, --. dit is (blijkbaar) de daadwerkelijk ten invoer aangegeven hoeveelheid van 13.930 kg netto à $ 1,50 per kg.

De douanewaarde is derhalve vastgesteld op basis van de daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheid tegen de op de factuur vermelde prijs per kilogram. De waarde is dan ook niet te hoog vastgesteld.

5.4. Ten bewijze dat de waarde lager moet worden vastgesteld vanwege de slechte kwaliteit overlegt belanghebbende een factuur van T Inc. van 10 augustus 1998 van $ 14.626,50, voor een hoeveelheid van 13.930 kg netto à $ 1,50 per kg. Daarnaast overlegt zij vijf faxberichten, alle gedateerd na de datum van invoer. In het bezwaarschrift wordt vermeld dat de originele koper in de VS de partij heeft afgekeurd. Belanghebbende heeft pas daarna de partij aangekocht. Nergens in de overgelegde bescheiden wordt gesproken over een mindere kwaliteit dan bij de transactie is overeengekomen. Veeleer lijkt het erop dat de doorverkoop in de EG niet tot stand kon komen tegen de prijs die belanghebbende en haar Amerikaanse handelspartner voor ogen stond. Een latere prijsvermindering op basis van een slechtere kwaliteit kan slechts geaccepteerd worden als duidelijk is dat de kwaliteit duidelijk minder is dan bij de transactie is overeengekomen en dat deze is opgetreden vóór de invoer. Dit kan worden aangetoond met een na de dag van invoer opgemaakte creditnota, mits deze betrekking heeft op de ingevoerde goederen in de staat waarin deze zich bij de invoer bevonden, en aannemelijk is dat de goederen reeds bij de invoer van inferieure kwaliteit waren en dat dit de aanleiding was om de creditnota op te maken. In het bezwaarschrift is vermeld dat de originele koper in de VS de partij heeft afgekeurd. Belanghebbende heeft pas daarna de partij aangekocht. Uit de overgelegde bescheiden blijkt niet van een mindere kwaliteit dan bij de transactie is overeengekomen. Veeleer lijkt het erop dat de doorverkoop in de EG niet tot stand kon komen tegen de prijs die belanghebbende en haar Amerikaanse handelspartner voor ogen stond, en dat daarna is besloten om de goederen tegen een lagere prijs door te verkopen en het verschil af te wentelen op de Amerikaanse handelspartner. Geconcludeerd moet worden dat de douanewaarde tot een juiste hoogte is vastgesteld.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat in casu niet is voldaan aan een ingevolge artikel 81, lid 1, UCDW voor toepassing van de algemene tariefpreferenties geldende voorwaarde, te weten dat de goederen in de zin van artikel 78 UCDW rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd. Reeds daarop stuit het beroep op toepassing van het preferentieel tarief af.

6.2.Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de sub 2.1. vermelde, door haar aangegeven en door de ambtenaren conform bevonden, douanewaarde van de goederen betrekking heeft op een grotere hoeveelheid goederen dan door haar op de aangifte is vermeld. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat de onderhavige goederen ten tijde van de aanvaarding van de aangifte een mindere kwaliteit hadden dan tussen verkoper en koper was overeengekomen, en dat deze omstandigheid aanleiding was de sub 2.4. vermelde nadere factuur op te maken. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding de douanewaarde van de goederen op een lager bedrag vast te stellen dan het sub 2.1. vermelde bedrag.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur, zodat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 5 maart 2002 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. E.N. Punt, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als griffier.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is verhinderd te tekenen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 5 maart 2002 en aangetekend aan partijen verzonden op

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld

bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit

gerechtshof ( zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoep kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.