Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AN8079

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
13-11-2003
Zaaknummer
98/90023
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In artikel 201, derde lid, eerste volzin, van het CDW wordt voor een bij regelmatige invoer ontstane douaneschuld de aangever aansprakelijk gesteld. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar. In casu is belanghebbende geen aangever; evenmin is gesteld of gebleken dat verklaringen als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het CDW zijn afgelegd, zodat geen sprake is van indirecte vertegenwoordiging, aldus de Douanekamer. Op grond van de derde volzin van artikel 201, derde lid, van het CDW juncto artikel 54 Douanebesluit kunnen in het geval wettelijk verschuldigde douanerechten geheel of gedeeltelijk niet zijn geheven, eveneens als schuldenaar voor de ontstane douaneschuld worden aangemerkt de personen die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de onderhavige door haar aan de aangever ter hand gestelde certificaten van oorsprong ongeldig waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. Niet gebleken is dat belanghebbende reeds toen zij de certificaten ontving en deze bij de aangiften door de aangever liet overleggen, van de mogelijke ongeldigheid daarvan op de hoogte was. Evenmin was er toen voor haar reden om aan die geldigheid te twijfelen en dienaangaande bij de exporteur een nader onderzoek in te stellen. Dit leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken in de zin van artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 98/90023 DK

de dato 4 september 2002

1. De procedure

1.1. Op 3 februari 1998 is een beroepschrift ingekomen van A. te Z., ingediend namens de naamloze vennootschap B. te Y., belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Y. (hierna: de inspecteur) van 24 december 1997, nr. …, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de jegens haar gerichte uitnodiging tot betaling van 29 oktober 1996, nr. …, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 47.967,--, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 23 maart 1999. Daar zijn verschenen namens belanghebbende A. en drs. C. (hoofd fiscale zaken van belanghebbende) en namens de inspecteur mr. D., drs. E. en F. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Naar aanleiding van de sub 1.3. genoemde mondelinge behandeling heeft de inspecteur op 26 maart 1999 en vervolgens op 2 april 1999 brieven met bijlagen bij de Tariefcommissie doen inkomen. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 23 juni 1999. Bij brief van 8 juli 1999 heeft de inspecteur om een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak verzocht.

1.5. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 20 juni 2000, alwaar gezeten waren mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt, secretaris. Daar zijn verschenen namens belanghebbende A. en namens de inspecteur mr. D. en mevrouw drs. E..

1.6. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

2. De vaststaande feiten

2.1. In opdracht van belanghebbende heeft G. B.V. te Y. bij de douaneambtenaren te Y. en Z. de volgende aangiften voor het vrije verkeer gedaan:

1. op 16 januari 1995 onder aangiftenummer … voor 76 kartons

herenpantalons;

2. op 16 januari 1995 onder aangiftenummer … voor 98 kartons

herenpantalons;

3. op 16 januari 1995 onder aangiftenummer … voor 76 kartons heren

bermudas;

4. op 2 maart 1995, onder nummer … voor 118 kartons heren korte

broeken;

5. op 2 maart 1995, onder nummer … voor 124 kartons heren korte

broeken;

6. op 25 april 1995 onder nummer … voor 256 kartons T-shirts;

7. op 4 mei 1995 onder nummer … voor 520 kartons T-shirts.

Telkens werd Laos als land van oorsprong aangegeven. Door vermelding van code 142 werd aanspraak gemaakt op toepassing van de preferentie in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (hierna: het APS). Daartoe werden overgelegd certificaten van oorsprong, Formulier A, met de nummers … (aangifte 1), … (aangifte 2), … (aangifte 3), … (aangifte 4), … (aangifte 5), … (aangifte 6) en … (aangifte 7).

De certificaten zijn op verzoek van de fabrikanten/exporteurs "H. Co. Ltd" en "I. Co. Ltd" afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit de Lao National Chamber of Commerce and Industry te Vientiane (hierna: de C.C.I.). De goederen zijn met toepassing van het preferentiële tarief in het vrije verkeer gebracht.

2.2. Voorafgaand aan de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling heeft de inspecteur bij brief van 14 oktober 1996, nummer …, mededeling gedaan van zijn voornemen tot navordering.

Deze brief luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Blijkens de gegevensbestanden van de Nederlandse douane heeft uw bedrijf in 1995 textielproducten ingevoerd vanuit de Democratische Volksrepubliek Laos. Bij de aangiften ten invoer welke in uw opdracht voor deze goederen zijn gedaan, is aanspraak gemaakt op toekenning van een verlaagd douanerecht in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Ten bewijze van de oorsprong van de goederen uit Laos werden bij de invoeraangiften certificaten van oorsprong (zgn. formulieren A) overgelegd, afgegeven door de Laotiaanse autoriteiten.

Onderzoek door EG-missie.

De Europese Commissie heeft naar aanleiding van een aantal fraudesignalen een ad hoc-missie samengesteld, welke in november 1995 een onderzoek heeft ingesteld in de Volksrepubliek Laos naar de echtheid en geldigheid van in Laos in de voorafgaande jaren voor textielproducten afgegeven formulieren A, welke bij de invoer van die goederen in de Gemeenschap zijn overgelegd ter staving van de oorsprong uit Laos. Aan dat onderzoek is medewerking verleend door de Laotiaanse regering. Het onderzoek richtte zich in de eerste plaats op de afgifte van de certificaten door de daarvoor aangewezen autoriteit, te weten de C.C.I. Daarnaast zijn ter plaatse onderzoeken ingesteld bij een representatief aantal textielfabrikanten/exporteurs.

Valse certificaten

De missie heeft vastgesteld dat een deel van de door haar onderzochte, bij invoer in Nederland overgelegde certificaten niet is afgegeven door de daarin vermelde autoriteit, de C.C.I. Van deze certificaten is derhalve gebleken dat zij vals dan wel vervalst zijn. De Laotiaanse regering en de C.C.I. hebben dit bevestigd.

Geldigheid overige certificaten

De missie heeft ten aanzien van de overige door haar onderzochte, bij invoer in Nederland overgelegde certificaten vastgesteld dat zij wel door de C.C.I. zijn afgegeven. Bij het onderzoek van de onderliggende dossiers en de zich daarin bevindende douanedocumenten is evenwel gebleken dat de certificaten in alle onderzochte gevallen betrekking hadden op de uitvoer van goederen, welke voorafgaand tijdelijk in Laos waren ingevoerd. Bovendien maakten de door de fabrikanten/exporteurs daarbij overgelegde bescheiden slechts melding van fabricagekosten, welke in rekening waren gebracht ter zake van de be-/verwerking van de goederen. Daarmee was twijfelachtig geworden of de certificaten terecht waren geldig gemaakt.

Tijdens de bij de fabrikanten/exporteurs ingestelde onderzoeken heeft de missie aan de hand van de invoerdocumentatie kunnen vaststellen dat bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen steeds alle gebruikte grondstoffen (derhalve naast geweven en gebreide stoffen ook garens, labels etc.) waren ingevoerd vanuit andere in Azië gelegen landen. De missie heeft aan de hand van de voorgaande bevindingen kunnen vaststellen, dat in alle gevallen de bij de vervaardiging aangewende grondstoffen niet door de fabrikant/exporteur waren ingekocht, maar door de ontbieder van de producten aan hem ter beschikking waren gesteld. Bij alle bezochte bedrijven zijn door de directeuren c.q. managers verklaringen afgelegd, waarin de conclusies van de missie zonder voorbehoud zijn bevestigd. Zij verklaarden daarbij onder meer ook dat in de Volksrepubliek Laos geen fabricage van geweven of gebreide stoffen voorkomt, welke gebezigd kunnen worden voor de vervaardiging van de door hen uitgevoerde textielproducten. Tenslotte verklaarden zij dat door hen slechts de kosten van be-/verwerking aan de opdrachtgevers in rekening werden gebracht.

Conclusie inzake de geldigheid

De missie heeft uit haar bevindingen ten aanzien van de onderzochte, door de C.C.I. afgegeven certificaten van oorsprong geconcludeerd dat deze ten onrechte door de C.C.I. zijn geldig gemaakt, en dat de goederen waarvoor de certificaten zijn afgegeven, niet voldoen aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als van oorsprong uit de Volksrepubliek Laos. Voor deze goederen bestond derhalve bij invoer in de Europese Gemeenschap geen aanspraak op de toekenning van een verlaagd douanerecht in het kader van het APS. De Laotiaanse regering en de C.C.I. hebben deze conclusie bevestigd.

Tenslotte heeft de missie bij het door haar ingestelde onderzoek kunnen vaststellen dat in de Volksrepubliek Laos geen vervaardiging plaatsvindt van textielproducten, welke kan voldoen aan de voorwaarden voor een preferentiële behandeling bij invoer in de Gemeenschap binnen het stelsel van het APS. Daaruit kan worden geconcludeerd dat in alle gevallen van bij de invoer overgelegde certificaten van oorsprong voor textielproducten uit Laos, deze certificaten door de C.C.I. ten onrechte zijn geldig gemaakt.

Navordering

Uit het voorgaande volgt dat bij de in opdracht van uw bedrijf gedane invoeraangiften voor textielproducten uit Laos ten onrechte aanspraak is gemaakt op een preferentieel tarief. Als gevolg daarvan is ter zake van de invoer een lager bedrag aan douanerechten geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag. Krachtens artikel 220, eerste lid, van het CDW (Verordening (EEG) nr. 2913/92) zullen daarom aanvullend in te vorderen bedragen aan rechten geboekt worden. Op grond van het bepaalde in artikel 201, derde lid, laatste volzin, van het CDW merk ik uw bedrijf naast de aangever mede aan als schuldenaar voor de douaneschuld.".

3. Het geschil

In geschil is onder meer of belanghebbende als importeur van de goederen met toepassing van artikel 201, derde lid, van het CDW voor de onderhavige douaneschuld aansprakelijk kan worden gesteld. Omdat de Douanekamer aangaande dit geschilpunt zal overwegen en beslissen in voege als hierna sub 6 casu quo sub 8 zal volgen, is een omschrijving van de overige geschilpunten en de standpunten van partijen daaromtrent in casu niet noodzakelijk.

4. Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende is door middel van de onderhavige uitnodiging tot betaling als importeur naast de aangever aansprakelijk gesteld voor de onderliggende douaneschuld. Op grond van artikel 201, derde lid, van het CDW kunnen personen pas mede-aansprakelijk worden gesteld voor een douaneschuld, wanneer deze personen gegevens hebben verstrekt voor de aangifte ten invoer, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze gegevens onjuist waren.

De inspecteur heeft niet bewezen dat belanghebbende ervan op de hoogte is geweest dat de certificaten, Formulier A, ten onrechte waren afgegeven.

5. Het standpunt van de inspecteur

Belanghebbende is terecht eveneens als schuldenaar aangemerkt op grond van artikel 201, derde lid, van het CDW; belanghebbende had ten tijde van de aangiften ten invoer voor het vrije verkeer op grond van haar kennis en ervaring in de textielbranche en de terzake geldende regelgeving redelijkerwijs moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte certificaten ten onrechte waren afgegeven.

De wetenschap en ervaring, die bij haar inkoopagent en de fabrikant/exporteur aanwezig moeten worden geacht, kunnen en moeten aan belanghebbende worden toegerekend. Als deskundigen in de vervaardigen en handel in textielproducten moeten zij allen geacht worden geheel op de hoogte te zijn geweest van het productieproces van de onderhavige textielproducten en de terzake geldende oorsprongsbepalingen, en hadden zij tot de conclusie moeten komen dat de afgifte van de certificaten door de Laotiaanse autoriteiten ten onrechte had plaatsgevonden.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In artikel 201, derde lid, eerste volzin, van het CDW wordt voor een bij regelmatige invoer ontstane douaneschuld de aangever aansprakelijk gesteld. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar. Belanghebbende is geen aangever; evenmin is gesteld of gebleken dat verklaringen als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het CDW zijn afgelegd, zodat geen sprake is van indirecte vertegenwoordiging.

6.2. Op grond van de derde volzin van artikel 201, derde lid, van het CDW juncto artikel 54 Douanebesluit kunnen in het geval wettelijk verschuldigde douanerechten geheel of gedeeltelijk niet zijn geheven, eveneens als schuldenaar voor de ontstane douaneschuld worden aangemerkt de personen die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

6.3. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de onderhavige door haar aan de aangever ter hand gestelde certificaten van oorsprong, formulier A, ongeldig waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. Niet gebleken is dat belanghebbende reeds toen zij de certificaten ontving en deze bij de aangiften door de aangever liet overleggen, van de mogelijke ongeldigheid daarvan op de hoogte was. Evenmin was er toen voor haar reden om aan die geldigheid te twijfelen en dienaangaande bij de exporteur een nader onderzoek in te stellen.

6.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken in de zin van artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW, zodat de bestreden uitspraak en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2,5 (beroepschrift, verschijnen ter zitting, schriftelijk gevoelen) x 1,5 (gewicht van de zaak) x e 322,18 = e 1.208,18.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de uitnodiging tot betaling van 29 oktober 1996, nr. …;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot e 1.208,18, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad e 68,07 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 4 september 2002 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.