Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AL8188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2002
Datum publicatie
09-10-2003
Zaaknummer
97/90139
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AN8150
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8150
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 527 UCDW kan het controlekantoor eisen dat al dan niet periodiek, een inventarisatie wordt gemaakt van alle of van een deel van de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen. Het CDW noch de UCDW laten de gevolgtrekking toe dat de uitkomst van die inventarisatie moet worden aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4, punt 5, CDW. Voorzover het beroep van belanghebbende mede is gericht tegen de mededeling van de inspecteur inhoudende het resultaat van de inventarisatie van de in haar douane-entrepot geplaatste goederen, is het beroep derhalve niet-ontvankelijk. Wat de verschuldigdheid van douanerechten betreft is tussen partijen niet in geschil dat deze verschuldigdheid betrekking heeft op niet-communautaire goederen die na de faillissementsdatum van belanghebbende en na publicatie van het vonnis van faillietverklaring in de Nederlandse Staatscourant in het douane-entrepot van belanghebbende zijn geplaatst. Voor deze goederen is een douane-aangifte gedaan tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots met als bestemming het douane-entrepot van het type C van belanghebbende, een douane-entrepot, waarbij de entreposeur dezelfde (rechts)persoon is als de entrepositaris. Dit betekent dat alleen belanghebbende, of een door haar aangewezen vertegenwoordiger, een douaneaangifte kon doen om niet-communautaire goederen in dit entrepot onder het stelsel van douane-entrepots te plaatsen. De voor de faillissementsdatum door belanghebbende verstrekte volmacht aan door haar aangewezen werknemers voor het doen van douaneaangiften eindigde op grond van artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek door het faillissement van de volmachtgever. Belanghebbende - bij monde van de curator - heeft gesteld dat na het faillissement geen nieuwe machtigingen zijn verstrekt aan enig natuurlijk persoon of rechtspersoon voor het doen van douaneaangiften op haar naam. Ingevolge artikel 5, leden 4 en 5, CDW rust op de inspecteur de bewijslast van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon, die de onderhavige douaneaangifte op naam van belanghebbende bij de douane heeft gedaan. De inspecteur heeft gesteld, doch niet het bewijs geleverd van het bestaan van een volmacht waaruit die vertegenwoordigingsbevoegdheid zou blijken. Evenmin kan de inspecteur zich beroepen op de indruk die door de zustervennootschappen dan wel door het optreden van de voormalige werknemers van belanghebbende bij de douaneambtenaren zou zijn gewekt, dat er wel een vertegenwoordigingsbevoegdheid bestond. Op grond van artikel 3:76, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek mocht de douane niet aannemen dat deze voormalige werknemers na publicatie van het vonnis van faillietverklaring, de bevoegdheid hadden om in naam van belanghebbende douaneaangiften te blijven doen. Evenzeer kan het optreden van de zustervennootschappen, die nooit enige bevoegdheid hebben gehad om namens belanghebbende douaneaangiften te doen, die indruk wekken. Naar het oordeel van de Douanekamer kunnen de litigieuze goederen niet worden aangemerkt als goederen die onder verantwoordelijkheid van belanghebbende als entrepositaris onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst, en kan belanghebbende in die hoedanigheid niet aansprakelijk worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaken nrs. 97/90139 DK (voorheen: 0139/97 TC) en 02/4041 DK

de dato 9 december 2002

1. De procedure

1.1. Op 27 juni 1997 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van A van B, belastingadviseurs te Z namens mr. C, curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V., belanghebbende. Het beroep is oorspronkelijk geregistreerd onder nummer 0139/97 TC, later omgenummerd tot 97/90139 DK. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict E, thans Douanedistrict F (hierna: de inspecteur) van 20 mei 1997, kenmerk ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 20 mei 1996, kenmerk ……, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 210,50, aan landbouwheffingen, groot f 503.406,10, en aan omzetbelasting, groot f 48.193,70, gedeeltelijk werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 31 mei 1998 een conclusie van repliek ingediend en de inspecteur op 3 juli 1998 een conclusie van dupliek.

1.3. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 14 november 2000, alwaar gezeten waren mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis, lid, en mr. K. Kooijman, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt, secretaris. Namens belanghebbende zijn verschenen A voornoemd, G en H, en namens de inspecteur mr. I en mr. drs. J. De gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Op 20 oktober 2000 heeft gemachtigde aan de Tariefcommissie en de inspecteur een kopie van een deel van de brief van de curator van belanghebbende gestuurd, welk deel betrekking heeft op het faillissement van belanghebbende. Bij brief van 15 november 2000 heeft de secretaris van de Tariefcommissie de inspecteur verzocht om de volgende stukken in het geding te brengen: faillissementsverslagen, eventuele andere relevante met het faillissement samenhangende stukken en een afschrift van de (volledige) brief van 21 juni 1996 van de curator, mr. C. De inspecteur heeft bij brief van 22 november 2000 deze stukken en de volledige brief van de curator toegestuurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2001 op deze stukken gereageerd. Hierop heeft de inspecteur bij brief van 7 maart 2001 geantwoord.

1.5. De gemachtigde heeft om een nieuwe mondelinge behandeling verzocht. Deze heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 16 oktober 2001, alwaar gezeten waren mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. E.N. Punt, lid, en mr. K. Kooijman, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse, secretaris. Namens belanghebbende zijn verschenen A voornoemd en mr. K van L te Y en namens de inspecteur mr. I, mr. M en mr. drs. J. De gemachtigde heeft op 2 oktober 2001 een brief aan de Tariefcommissie gezonden, die als pleitnota is behandeld. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.6. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

1.7. Op 16 april 1998 heeft de secretaris van de Tariefcommissie een kopie van het beroepschrift gezonden aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) ter overname van de behandeling van het geschil inzake de in de uitnodiging tot betaling begrepen landbouwheffingen. Het beroepschrift is door de enkelvoudige kamer van het College op 4 augustus 1999 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig was ingekomen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend, en verklaard dat het beroepschrift in zijn bewoordingen niet was gericht - en overigens ook niet was bedoeld - tegen de heffing van landbouwheffingen, maar tegen de brief van de inspecteur van 20 mei 1996 waarin de resultaten zijn opgenomen van een controle in haar douane-entrepot. Daarop heeft de enkelvoudige kamer van het College op 30 september 1999 bij uitspraak nr. AWB -98/315 A 5040 het verzet gegrond verklaard, en het betreffende dossier geretourneerd, zonder een inhoudelijke behandeling, aan de Tariefcommissie.

1.8. Voorts heeft de secretaris van de Tariefcommissie op 16 april 1998 een kopie van het beroepschrift gezonden aan het Gerechtshof Arnhem met het oog op de behandeling van de in de uitnodiging tot betaling begrepen omzetbelasting. Belanghebbende heeft op 2 juli 1998 bij het Gerechtshof Arnhem een nadere motivering van het beroep ingediend. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op grond van de sub 1.6 genoemde wet is de Douanekamer thans ook bevoegd ten aanzien van de in de uitnodiging tot betaling vervatte omzetbelasting. Het beroep te dier zake was op 1 januari 2002 nog in behandeling bij het Gerechtshof te Arnhem. Op 13 juni 2002 is, onder nummer 02/4041 DK, de behandeling door de Douanekamer overgenomen. In verband met de gevoegde behandeling is aan belanghebbende het eerder in zaak 97/90139 DK betaalde griffierecht teruggestort. Partijen hebben desgevraagd op 30 juli 2002 door de Douanekamer schriftelijk bericht af te zien van een nieuwe mondelinge behandeling door de Douanekamer.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende beschikte sinds 1 juli 1992 over een vergunning voor het beheren van een douane-entrepot, type C, dat zich bevond in X. Op grond van deze vergunning mochten zowel vrije goederen als niet-communautaire goederen van posten 0402 tot en met 0405 van het Gemeenschappelijk douanetarief (o.a. melkpoeder), kindervoeding van post 1901 en cacaopoeder van post 1806 in dit entrepot worden opgeslagen. In het entrepot mochten goederen een behandeling ondergaan op grond van een vergunning actieve veredeling. De goederen werden dan in de regel eerst ingeslagen in het entrepot, vervolgens onder de regeling actieve veredeling gebracht, waarna de veredelingsproducten weer onder het stelsel van douane-entrepots werden geplaatst. Tevens vonden er zogeheten gebruikelijke behandelingen van de goederen plaats zoals verpakken en omzakken.

2.2. Belanghebbende is op 13 oktober 1995 in staat van faillissement geraakt. Meteen na het uitspreken van het faillissement is een zogenoemde "doorstart" gemaakt: de curator heeft de onderneming per faillissementsdatum verkocht aan N B.V. en twee zustervennootschappen van belanghebbende, O B.V. II en P B.V. III. De activa uit de failliete boedel zijn overgedragen, het personeel van belanghebbende is ontslagen en (deels) onmiddellijk in dienst getreden bij de twee genoemde zustervennootschappen, waarna de door belanghebbende voorheen uitgeoefende bedrijfsactiviteiten door de zustervennootschappen zijn voortgezet. In dat kader is voor de opslag van (niet-communautaire) goederen gebruik gemaakt van het eerdergenoemde douane-entrepot van belanghebbende in X. De douane-aangiften om goederen onder het stelsel van douane-entrepots te brengen alsmede aangiften voor de douaneregelingen brengen in het vrije verkeer en actieve veredeling werden ingediend door voormalige werknemers van belanghebbende, die ook vóór het faillissement belast waren met het indienen van de douane-aangiften. Belanghebbende werd als aangever op de aangifte vermeld en in de aangiften voor plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots werd verwezen naar de aan belanghebbende verleende vergunning.

2.3. Aan de hand van de bij het entrepot aanwezige voorraadlijsten heeft de douane op 9 en 10 april 1996 de in het entrepot opgeslagen goederen geïnventariseerd en geconstateerd dat de hoeveelheid daadwerkelijk aanwezig bevonden goederen minder was dan de hoeveelheid volgens deze lijsten. Op 20 mei 1996 ontving belanghebbende een brief van de inspecteur, met kenmerk nr. ……, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"(...) Er is vastgesteld dat tussen de actuele voorraad welke volgens uw meest recente voorraadlijst aanwezig zou moeten zijn en de daadwerkelijk bevonden voorraad verschillen bestonden. Deze verschillen zijn met u besproken op 1 mei 1996. (...) U bent niet in staat gebleken te bewijzen dat de niet bevonden goederen op een juiste wijze een bestemming hebben gekregen of onder douaneverband zijn gebleven, zodat e.e.a. leidt tot vermis in entrepot, op grond waarvan de betreffende rechten moeten worden nagevorderd.(...)

totaal manco 04021019 : 145899 kg, waarde f 273586, rechten: f 304,23 per 100 kg netto

totaal manco 04022119 : 3775 kg, waarde f 5784, rechten: f 405,92 per 100 kg netto

totaal manco 04041012 : 11833 kg, waarde f 18403, rechten: f 312,28 per 100 kg netto

totaal manco 1999019099: 1148 kg, waarde f 2024, rechten: 10,4% + f 632.565610 per

100 kg netto

04021019: 443868,60 lbh + 43047,30 OB

04022119: 15323,50 lbh + 1255,50 OB

04041012: 36952,10 lbh + 3321,40 OB

19019099: 7261,90 lbh + 210,50 IR + 558,50 OB

(...).

Gelet op het bovenstaande, onder verwijzing naar de opgenomen specificatie besluit ik op grond van artikel 204 van Verordening EEG nr. 2913/92 (Communautair douanewetboek) bedragen aan Landbouwheffing van f 503406,10, Invoerrecht van f 210,50 en Omzetbelasting van f 48193,70 na te vorderen.

Tegen deze beschikking kunt u binnen zes weken in bezwaar komen. Voor nadere informatie omtrent de bezwaarprocedure wordt verwezen naar de bijlage.

(...)".

Met de brief is de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling met kenmerk …… gezonden. In deze uitnodiging is onder "omschrijving" opgenomen: "zie navorderingsbeschikking …….

2.4. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van de Fiscale Inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD), nr. 633/95 van 26 januari 1998.

2.5. In het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift wordt "bezwaar aangetekend tegen de beschikking van de Douane District E d.d. 20 mei 1996 met kenmerk …… en is vermeld dat "integraal bezwaar wordt gemaakt tegen de navordering d.d. 20 mei 1996 en wordt verzocht de bestreden beschikking te vernietigen".

2.6. Bij de uitspraak op bezwaar van 20 mei 1997 is een bedrag van f 54.457,20 aan landbouwheffingen teruggegeven en f 5305,90 aan omzetbelasting, omdat van partijnummer 63230 (in de uitspraak abusievelijk 62230 genoemd) bij de peiling wel 17.900 kg was aangetroffen.

3. Het geschil

Primair is tussen partijen in geschil of de Douanekamer bevoegd is voor zover het beroep is gericht tegen de mededeling van de inspecteur inhoudende de hoeveelheid vermiste goederen, vastgesteld bij de inventarisatie van het entrepot als bedoeld in artikel 527 van de Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek (hierna: UCDW) dan wel voorzover het beroep er mede toe zou strekken om - naast de douanerechten - de uitnodiging tot betaling voor landbouwheffingen en omzetbelasting te vernietigen. Belanghebbende bestrijdt dat zij als douaneschuldenaar kan worden aangemerkt voor de op de uitnodigingen tot betaling vermelde bedragen, die - na vermindering bij de uitspraak op bezwaar - zijn gesteld op f 210,50 aan douanerechten, f 448.948,90 aan landbouwheffingen en f 42.887,80 aan omzetbelasting. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de douaneschuld, ontstaan wegens tekorten in het douane-entrepot, te hoog is vastgesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. In geding is de beschikking van de inspecteur van 20 mei 1996, waarin de resultaten van de grondige opneming van goederen in het douane-entrepot van belanghebbende is opgenomen. Deze beschikking vloeit niet voort uit de In- en uitvoerwet, maar uit de bepalingen van de Wet inzake de Douane. De Tarief-commissie is op grond van artikel 26, lid 2, onderdeel b, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de bevoegde instantie om te oordelen over een beschikking die genomen is op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet, zoals ook het College in de sub 1.2. genoemde uitspraak heeft uitgesproken.

4.2. Belanghebbende, D B.V., aan wie de uitnodiging tot betaling is uitgereikt, is op 13 oktober 1995 in staat van faillissement geraakt. De curator bevestigt dat na de faillissementsdatum geen rechten en verplichtingen meer konden worden aangegaan. Ten tijde van de peiling door douane op 9 en 10 april 1996 werden al gedurende zes maanden geen activiteiten meer verricht door belanghebbende zelf. De douane was op de hoogte van de "doorstart" door de genoemde zustervennootschappen. Deze waren niet gerechtigd om gebruik te maken van de entrepotvergunning van belanghebbende. Als het gebruik van de vergunning door anderen dan belanghebbende zou leiden tot heffing van rechten, dan kan belanghebbende hiervoor niet worden aangesproken. Er was geen sprake van enige volmacht op grond waarvan de douane na de datum van faillissement de douaneaangiften op naam en voor rekening van belanghebbende mocht aanvaarden.

4.3. Bij de inventarisatie van de goederenvoorraad heeft de douane een aantal verschillen geconstateerd. Op een zevental punten worden de correcties bestreden.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De landbouwheffingen en de omzetbelasting vallen niet onder het begrip douanerechten, zoals gedefinieerd in het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). De beroepsclausule die bij de uitspraak op bezwaar was gevoegd laat er geen misverstand over bestaan. Voor de landbouwheffingen is het College bevoegd en voor de omzetbelasting het Gerechtshof te Arnhem.

5.2. De visie van belanghebbende dat O niet kan worden aangesproken voor de vermissen in entrepot, aangezien zij op het moment van de vermissen haar onderneming had gestaakt wegens faillissement, wordt niet gedeeld.

5.2.1. Uit de Faillissementswet blijkt dat het faillissement "niet meer dan" een algemeen beslag is op alle goederen van de failliet; hij verliest hierdoor het beheer en de beschikking over het tot het faillissement behorend vermogen. Onder het vermogen valt ook de vergunning. Dit betekent dat belanghebbende door het faillissement weliswaar het beheer en de beschikking over zijn vergunning is kwijtgeraakt voor zover het gaat om het binden van de boedel, maar buiten de boedel om kan belanghebbende wel worden gebonden door het gebruik van de vergunning. Noch uit artikel 10 van het CDW, noch uit nationale bepalingen volgt dat de vergunning haar geldigheid heeft verloren. De verplichtingen die aan de vergunning zijn verbonden zijn niet opgehouden te bestaan per datum van het faillissement.

5.2.2. Belanghebbende is na het faillissement de verplichtingen van de vergunning nagekomen. Uit de uitdraaien uit de administratie, de daarbij gebruikte stempels daarop en de doorlopende nummering, blijkt bovendien dat het belanghebbende is die de administratieverplichtingen heeft voorgezet. Dat belanghebbende de vergunning niet heeft willen beëindigen blijkt ook uit het feit dat zij haar faillissement niet als een wijziging van haar administratie heeft ervaren. Er is ook geen wijziging aan de douane doorgegeven. Uit deze gegevens blijkt dat belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen als het gaat om haar vergunning. Zij blijft voortdurend verantwoordelijk en kan worden aangesproken voor de ontstane douaneschuld.

5.2.3. Uit de bijlage bij de uitnodiging tot betaling, in samenhang met de voorraadverlooplijsten blijkt dat de inslagen tot en met lijst 16 hebben plaatsgevonden voorafgaand aan het faillissement. Voor deze vermissen in entrepot is belanghebbende in ieder geval aansprakelijk. Indien belanghebbende niet als schuldenaar aangewezen zou kunnen worden voor de goederen die zijn ingeslagen na de datum van het faillissement, dan zal de schuld verminderd dienen te worden tot een bedrag van f 115.814,63 aan landbouwheffingen en f 10.344,40 aan omzetbelasting.

5.3. In december 1995 werd een administratieve controle ingesteld naar het gebruik van de vergunning. Bij deze controle rezen zoveel vragen en onduidelijkheden dat de FIOD is ingeschakeld. Bij het onderzoek door de FIOD in 1996 zijn diverse personeelsleden en leidinggevenden verhoord. Uit deze verklaringen moet geconcludeerd worden dat de douanevoorraadverloopadministratie en de productieadministratie geen betrouwbare grondslag kunnen vormen voor de naleving van de vergunning. Ook is bij deze manier van handelen geen duidelijkheid te verkrijgen over de identiteitshandhaving. Bovendien is nooit toestemming gegeven voor het gebruik van een geautomatiseerd systeem voor de voorraad- en product-administratie vanaf medio 1993.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

6.1.1. Algemeen

Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft zal de Douanekamer de drie verschillende heffingen, die in de uitnodiging tot betaling zijn opgenomen, afzonderlijk bespreken omdat in het jaar 1997 voor elke heffing nog een aparte beroepsgang gold: de landbouwheffingen behoorden in dat jaar tot de rechtsmacht van het College (artikel 30d AWR), de douanerechten tot die van de Tariefcommissie (artikel 30c AWR), en de omzetbelasting tot die van het Gerechtshof te Arnhem (artikel 26 juncto artikel 2, eerste lid, onderdeel b, AWR).

6.1.2. De landbouwheffingen

De Douanekamer komt tot het oordeel dat zowel het ingediende bezwaarschrift als het bij de Tariefcommissie ingestelde beroep wat de bewoordingen betreft ertoe strekken om alle in de uitnodiging tot betaling vermelde heffingen te vernietigen dan wel te verminderen. Belanghebbende heeft evenwel - nadat het beroepschrift door de secretaris van Tariefcommissie aan het College was gezonden - zich op het standpunt gesteld dat het beroepschrift niet is gericht tegen de hoogte van de opgelegde landbouwheffingen, maar tegen de brief van de inspecteur van 20 mei 1996 waarin de resultaten zijn opgenomen van een controle in haar douane-entrepot. Hieruit kan de Douanekamer niet anders concluderen dan dat het bij de Tariefcommissie ingediende beroep niet is gericht tegen de uitspraak op bezwaar, voorzover de inspecteur daarbij de in de uitnodiging tot betaling vermelde landbouwheffingen heeft gehandhaafd.

6.1.3. De douanerechten

Op grond van het onder 6.1.1. overwogene is het beroep ontvankelijk, voorzover de uitspraak op bezwaar betrekking heeft op de uitnodiging tot betaling van douanerechten, zodat de Douanekamer het beroep ten principale in dit opzicht zal behandelen (sub 6.2. hierna).

6.1.4. De omzetbelasting

Hoewel de Douanekamer thans ook bevoegd is inzake de omzetbelasting zal zij de ontvankelijkheid van het beroep aangaande die belasting moeten beoordelen naar de situatie van 1997.

De termijn voor het instellen van beroep is op 20 mei 1997 aangevangen en - gelet op de in artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) genoemde termijn van zes weken - geëindigd op 8 juli 1997. Voorzover het beroep is gericht tegen de verschuldigdheid van omzetbelasting is het beroepschrift van belanghebbende niet ingediend bij de door artikel 26 AWR - zoals dat artikel op de dag van dagtekening van de uitspraak op bezwaar luidde - aangewezen bevoegde rechterlijke instantie, het Gerechtshof te Arnhem. Op grond van artikel 6:15, lid 1, Awb dient het beroepschrift door het onbevoegde orgaan "zo spoedig mogelijk" te worden doorgezonden. In aansluiting op hetgeen de Tariefcommissie in haar uitspraak van 25 september 1997, UTC 1998/4, en de Hoge Raad in zijn arresten van 8 december 1999, BNB 2000/38 en BNB 2000/39 hebben bepaald, kan van een zo spoedig mogelijke doorzending worden gesproken, indien het beroepschrift binnen twee weken na ontvangst wordt doorgezonden. Nu het beroepschrift niet binnen twee weken na binnenkomst bij de Tariefcommissie is doorgezonden, is niet aan het gestelde in artikel 6:15, lid 1, Awb voldaan. Het tijdstip waarop het beroepschrift bij het Gerechtshof te Arnhem geacht moet worden te zijn ingediend, moet daarom 11 juli 1997 zijn, namelijk de datum die is gelegen twee weken na ontvangst van het beroepschrift door de Tariefcommissie. Uit het vorenstaande volgt dat - nu de wettelijke termijn op 8 juli 1997 is verstreken - het beroepschrift, ook bij een correcte doorzending, niet tijdig bij het Gerechtshof Arnhem zou zijn ingekomen.

Niet is gebleken dat een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 6:15 Awb zich voordoet. In de bewoordingen van de bijlage bij de bestreden uitspraak heeft belanghebbende naar het oordeel van de Douanekamer redelijkerwijs niets anders kunnen en mogen lezen dan dat in het onderhavige geval wat de heffing van omzetbelasting aangaat een beroepschrift bij het Gerechtshof Arnhem moest worden ingediend. Gelet op het voorgaande is het beroep, voorzover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar aangaande de heffing van omzetbelasting, niet-ontvankelijk.

6.1.5. De bevindingen van de inventarisatie van goederen in het douane-entrepot

In de uitnodiging tot betaling wordt verwezen naar de sub 2.3. genoemde brief, die gelijktijdig met de uitnodiging tot betaling aan belanghebbende is verzonden. Gelet op de bewoordingen en de strekking van deze brief betreft het een toelichting van de inspecteur op zijn vaststelling dat belanghebbende voor de in de brief genoemde goederen, mede naar aanleiding van de uitgevoerde inventarisatie, zijn verplichtingen uit hoofde van de aan haar verleende vergunning voor het beheren van een douane-entrepot niet is nagekomen, en betreft de brief voorts een vaststelling van de grondslagen van de in de uitnodiging tot betaling vermelde bedragen. De inhoud van de brief vormt naar het oordeel van de Douanekamer dan ook in feite een toelichting op de uitnodiging tot betaling, en is daarom als zodanig niet aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 4, punt 5, CDW. De door de inspecteur onder deze brief vermelde bezwaarclausule kan aan het vorenstaande niet afdoen. Het betoog van belanghebbende dat in de brief de uitkomst van de inventarisatie is medegedeeld, waartegen op de voet van artikel 243 CDW juncto artikel 23 en 30a AWR bezwaar kan worden gemaakt, wordt verworpen. Op grond van artikel 527 UCDW kan het controlekantoor eisen dat al dan niet periodiek, een inventarisatie wordt gemaakt van alle of van een deel van de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen. Het CDW noch de UCDW laten de gevolgtrekking toe dat de uitkomst van die inventarisatie moet worden aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4, punt 5, CDW. Voorzover het beroep van belanghebbende mede is gericht tegen de mededeling van de inspecteur inhoudende het resultaat van de inventarisatie van de in haar douane-entrepot geplaatste goederen, is het beroep derhalve niet-ontvankelijk.

6.2. Ten aanzien van de grieven met betrekking tot de heffing van douanerechten

6.2.1. Wat de verschuldigdheid van douanerechten betreft is tussen partijen niet in geschil dat deze verschuldigdheid betrekking heeft op niet-communautaire goederen die na de faillissementsdatum van belanghebbende en na publicatie van het vonnis van faillietverklaring in de Nederlandse Staatscourant in het douane-entrepot van belanghebbende zijn geplaatst. Voor deze goederen is een douane-aangifte gedaan tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots met als bestemming het douane-entrepot van het type C van belanghebbende, een douane-entrepot, waarbij de entreposeur dezelfde (rechts)persoon is als de entrepositaris. Dit betekent dat alleen belanghebbende, of een door haar aangewezen vertegenwoordiger, een douaneaangifte kon doen om niet-communautaire goederen in dit entrepot onder het stelsel van douane-entrepots te plaatsen. De voor de faillissementsdatum door belanghebbende verstrekte volmacht aan door haar aangewezen werknemers voor het doen van douaneaangiften eindigde op grond van artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek door het faillissement van de volmachtgever. Belanghebbende - bij monde van de curator - heeft gesteld dat na het faillissement geen nieuwe machtigingen zijn verstrekt aan enig natuurlijk persoon of rechtspersoon voor het doen van douaneaangiften op haar naam. Ingevolge artikel 5, leden 4 en 5, CDW rust op de inspecteur de bewijslast van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon, die de onderhavige douaneaangifte op naam van belanghebbende bij de douane heeft gedaan. De inspecteur heeft gesteld, doch niet het bewijs geleverd van het bestaan van een volmacht waaruit die vertegenwoordigingsbevoegdheid zou blijken.

6.2.2. Evenmin kan de inspecteur zich beroepen op de indruk die door de zustervennootschappen dan wel door het optreden van de voormalige werknemers van belanghebbende bij de douaneambtenaren zou zijn gewekt, dat er wel een vertegenwoordigingsbevoegdheid bestond. Op grond van artikel 3:76, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek mocht de douane niet aannemen dat deze voormalige werknemers na publicatie van het vonnis van faillietverklaring, de bevoegdheid hadden om in naam van belanghebbende douaneaangiften te blijven doen. Evenzeer kan het optreden van de zustervennootschappen, die nooit enige bevoegdheid hebben gehad om namens belanghebbende douaneaangiften te doen, die indruk wekken. Gelet op het vorenstaande kunnen de onder 6.2.1 bedoelde goederen niet worden aangemerkt als goederen die onder verantwoordelijkheid van belanghebbende als entrepositaris onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst, en kan belanghebbende in die hoedanigheid niet aansprakelijk worden gesteld. Niet is gesteld noch is gebleken dat belanghebbende op andere gronden voor de verschuldigde douanerechten aansprakelijk kan worden gesteld.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 4 (beroepschrift, verschijnen voor twee zittingen, schriftelijke inlichtingen en conclusie van repliek) x 1,5 (gewicht) x f 710,--= f 4260,-- (e 1933,10).

8. De beslissing

I. Ten aanzien van zaak 97/90139 DK

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, voor zover deze betrekking heeft op douanerechten;

- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep, voorzover het is gericht tegen de brief van de inspecteur van 20 mei 1996;

- vermindert de uitnodiging tot betaling, kenmerk ……, van f 210,50 (e 95,52) aan douanerechten tot nihil;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot e 1933,10 aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad e 68,07 aan belanghebbende te vergoeden.

II. Ten aanzien van zaak 02/4041 DK (omzetbelasting)

De Douanekamer verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen op 9 december 2002 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. E.N. Punt, en mr. K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.