Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AH8740

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
23-001731-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2001:AB1301
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord op echtgenoot; 12 jaar gevangenisstraf

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001731-01

datum uitspraak 3 mei 2002

tegenspraak

Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 april 2001 in de strafzaak onder parketnummer 16/029508-00 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1969,

wonende te [adres],

aldaar ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Voor Vrouwen Breda.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 april 2001 en in hoger beroep van 19 april 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg door de officier van justitie gedaan en door de rechtbank toegewezen. Van de inleidende dagvaarding en de vordering nadere omschrijving tenlastelegging is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 11 april 2000 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen een kogel geschoten in het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Vecht en Venen, met nummer PL0980/00-545446 van 12 april 2000 (doorgenummerde bladzijden 69-71, ordner: proces-verbaal voorgeleiding [verdachte]), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren C.R. Timmer en J.L. van Bennekom.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Op 12 april 2000, omstreeks 01.17, ontvingen wij de melding, dat in perceel [adres] te Vinkeveen, in de gemeente De Ronde Venen, een man hevig bloedend op de grond lag en geen tekenen van leven meer zou vertonen. Wij begaven ons terstond naar de ons aangeduide plaats, waar wij te 01.31 uur diezelfde dag aankwamen, tegelijkertijd met de ambulance.

Bij het betreden van de woonkamer zagen wij onmiddellijk een man op de vloer van de woonkamer liggen. Wij zagen dat die man geen tekenen van leven meer vertoonde. Wij zagen, dat er bloed uit zijn neus en mond kwam. Wij zagen, dat die man voorover en gedeeltelijk op zijn zij lag en door het ambulancepersoneel omgedraaid werd. Wij zagen vervolgens dat het ambulancepersoneel die man onderzocht. Wij zagen, dat hierbij de borst gedeeltelijk ontbloot werd en dat er twee kleine wonden op zijn borst zaten, ter hoogte van de hartstreek. Vervolgens zagen wij dat op de rug van die man een kleine verwonding zat, ter hoogte van de hartstreek. Tevens zagen wij, dat, nadat die man omgedraaid was, bij zijn hoofd een plas bloed lag. Door het ambulancepersoneel werd geen hartritme meer waargenomen. Het ambulancepersoneel deelde ons mede, dat de man vermoedelijk overleden was.

In genoemde woning bleken ons bij een oppervlakkig onderzoek geen sporen van een worsteling. Overigens verkeerde de woonkamer en, voorzover waarneembaar, het overig deel van die woonkamer (het hof leest: woning), in redelijk ordelijke staat.

De echtgenote van het slachtoffer bleek aanwezig te zijn. Uit informatie van buurtbewoners bleek ons, dat het slachtoffer [slachtoffer] was genaamd en zijn echtgenote [voornaam verdachte] [achternaam slachtoffer] (het hof begrijpt: [verdachte], verdachte). Het bleek dat het enkele buurtbewoners opviel dat de auto van het slachtoffer, zijnde een [merk], voorzien van het kenteken [00-AA-BB], niet op de parkeerplaats van de woning stond, terwijl deze er eerder op de avond wel gestaan zou hebben.

2. Een geschrift, zijnde een fotokopie van het verslag van het Ministerie van Justitie, Nederlands Forensisch Instituut, Afdeling Pathologie, nummer 00-173/R035, van de sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren [geboortedatum], opgemaakt en ondertekend op 18 mei 2000 door dr. R. Visser, arts-patholoog (doorgenummerde bladzijde 323-330, ordner: proces-verbaal voorgeleiding [verdachte]), voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende als bevindingen en conclusies van voormelde deskundige:

Bij sectie bleek sprake van een drietal inschotletsels. In het lichaam werden drie kogels aangetroffen met een nagenoeg identiek gewicht. Bij de schotletsels werden vitale organen geperforeerd (long en hart), gepaard gaande met massale bloeduitstorting in de linkerborstholte en in het hartzakje. Het intreden van de dood wordt verklaard door voornoemde schotletsels en perforatie van vitale organen in combinatie met massaal bloedverlies en harttamponnade.

Een (reeds bestaande) ziekelijke orgaanafwijking, die mogelijk ten aanzien van het intreden van de dood van betekenis geweest zou kunnen zijn, is bij sectie niet gebleken.

3. Een ongenummerd proces-verbaal van Politie Regio Utrecht van 20 juni 2000 (doorgenummerde bladzijden 292-296, ordner: proces-verbaal voorgeleiding [verdachte]), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren C. de Jong en G.M. Bouman.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op 20 juni 2000 afgelegde verklaring van [getuige 1].

Op 20 maart 2000, ik denk zo rond 09.00 uur werd ik gebeld op mijn mobiele telefoon door [voornaam verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte], verdachte). Ik was hoogst verbaasd dat zij mij belde, want ik had haar reeds een heel lange tijd niet meer gesproken. Zij vertelde mij toen dat zij mij zo dringend mogelijk wilde spreken. Zij vertelde niet waarom. [voornaam verdachte] vroeg mij toen haar om 11.00 uur die ochtend te ontmoeten in haar zonnestudio in Vinkeveen. Toen ik daar aankwam ben ik daar naar binnen gegaan. [voornaam verdachte] was daar al. Op dat moment waren [voornaam verdachte] en ik geheel alleen in de zonnestudio. Wat ik nog kan aangeven is dat [voornaam verdachte] haar kindje ook bij zich had. Die was er dus ook bij.

Het gesprek ging eerst over ons verleden hoe we gevaren waren. [voornaam verdachte] vertelde daarbij diverse malen dat zij zoveel voor mij gedaan had in het verleden. Plotseling vertelde zij mij dat ik misschien nu iets voor haar terug kon gaan doen en vroeg zij mij: "Wil jij iemand voor mij vermoorden". Dit waren haar letterlijke woorden. Ik kreeg daarbij te horen dat ik daarmee snel en vooral zonder risico 50.000 (vijftigduizend) gulden kon verdienen. [voornaam verdachte] gaf aan dat het zo snel mogelijk moest. "Liever vandaag dan morgen", zei zij daarbij. Ik vroeg haar of ik er soms ingeluisd werd. Hierop kreeg ik te horen dat dit niet het geval was en dat "HET" kon gebeuren zonder risico, waarbij [voornaam verdachte] het bedrag verhoogde naar 100.000 (honderdduizend) gulden. In de loop van dit gesprek bood zij mij zelfs de goedlopende zonnestudio erbij aan, toen ik bleef weigeren. Er werd door [voornaam verdachte] niet gezegd wie vermoord moest worden en waarom. Ik kreeg het Spaans benauwd hiervan. Ik wilde alleen nog maar weggaan omdat ik de indruk kreeg dat het serieus was. Zij bleef namelijk zeer kalm toen zij dat vroeg. Toen ik weg wilde lopen, vroeg [voornaam verdachte] mij nog of ik anders een wapen zou kunnen regelen. Ook dit heb ik toen geweigerd en daarna ben ik weggegaan. Ik heb dit verhaal aan mijn ouders verteld. Ik kan u zeggen dat ik nadien haar (het hof begrijpt: [voornaam verdachte]) niet meer heb gesproken of ontmoet.

4. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Vecht en Venen, met nummer PL0980/00-545446 van 3 juli 2000 (doorgenummerde bladzijden A 027-028), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R.J.N. Nagtegaal en H. Kamstra.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Op 1 juli 2000 hoorden wij de ouders van [getuige 1]. De vader vertelde dat [getuige 1] hun in maart (het hof begrijpt: van het jaar 2000) had verteld, dat hij kort ervoor was gebeld door [voornaam verdachte]. De ouders wilden niet precies vertellen wat [getuige 1] verteld had. De vader vertelde dat het met het verhaal te maken had dat in de krant stond (het hof begrijpt: het artikel over de moord op [slachtoffer] in de Telegraaf van 1 juli 2000). De vader vertelde dat hij sinds die dag een rotgevoel had. Hij was blij dat [getuige 1] zijn verhaal eindelijk kwijt kon bij de politie.

5. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Vecht en Venen, met nummer PL0980/00-545446 van 15 juni 2000 (doorgenummerde bladzijden 283-285, ordner: proces-verbaal voorgeleiding [verdachte]), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren C. de Jong en G.M. Bouman.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Naar aanleiding van onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer], hoorden wij op 14 juni 2000 als getuige: [getuige 2].

[getuige 2] verklaarde dat hij begin februari 2000 telefonisch benaderd werd door [verdachte]. De afspraak moet gemaakt zijn op 3 februari 2000. In dit gesprek werd een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten. In de middag ontmoette [getuige 2] [voornaam verdachte] in de zonnestudio. De bespreking nam een dusdanige wending dat [getuige 2] met die zaken verder niets te maken wilde hebben. Het deed hem besluiten om verder contact met [voornaam verdachte] te vermijden. [getuige 2] verklaarde dat de dagen na de ontmoeting met [voornaam verdachte] zij hem nog diverse keren heeft getracht te bellen maar dat hij bewust de telefoon niet opnam als hij via de nummerweergave zag dat zij belde.

[getuige 2] verklaarde verder dat hij voor het eerst van de dood van [slachtoffer] op de hoogte kwam door de overlijdensadvertentie in de krant. [getuige 2] verklaarde dat hij hier enorm van schrok. De reden dat hij hiervan schrok was het feit dat hij tijdens de bespreking met [voornaam verdachte] in de zonnestudio op de hoogte werd gebracht van het scenario hoe en waarom [slachtoffer] dood zou moeten en dat hij, toen hij de overlijdensadvertentie las, zich realiseerde dat dit ook echt was gebeurd. [getuige 2] gaf hierbij ook aan dat de reden waarom te maken zou hebben met geld.

6. Een ongenummerd proces-verbaal van Politie Regio Utrecht van 4 juli 2000 (doorgenummerde bladzijden A 36-37), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R.K. Boon en G.M. Bouman.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Op 4 juli 2000 is door ons gehoord: [getuige 2]. Hij verklaarde dat hij door [voornaam verdachte] was benaderd met het verzoek of hij iemand wist die een moord kon plegen. Een manier om de camera (het hof begrijpt: de camera die opgesteld staat ter hoogte van [lokatie]) te omzeilen was mogelijk door in de kofferbak van een auto het terrein op te komen. Het was mogelijk om de woning binnen te komen, doordat mogelijk de tuindeuren open zouden staan. Het zou ook mogelijk zijn om binnen te komen door aan te bellen. Om het terrein te verlaten zou dat ook via de kofferbak van een auto kunnen zijn. Het was ook mogelijk om dit te doen met een andere auto.

7. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Vecht en Venen / Amersfoort, met nummer PL0980/00-545446 van 31 juli 2000 (doorgenummerde bladzijden E 289-290), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R.J.N. Nagtegaal en A. Jansen.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 3].

Rond 20 februari 2000 vertelde [naam] (het hof begrijpt: [getuige 2]) mij dat hij zaken deed met haar (het hof begrijpt: [verdachte], verdachte). Hij zei over [voornaam verdachte]: "Dat gekke wijf heeft zelfs aan mij gevraagd of ik iemand wist die haar man zou kunnen vermoorden", of woorden van gelijke strekking.

8. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Vecht en Venen, met nummer PL0980/00-545446 van 14 juli 2000 (doorgenummerde bladzijden C 157-169), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J. Bosman en P. Spaans.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op 14 juli 2000 afgelegde verklaring van [mededader].

Ik ken [verdachte] inmiddels ongeveer vier a vijf jaar. Ik weet dat [voornaam verdachte] in Vinkeveen woonde en een zonnestudio heeft, genaamd [bedrijfsnaam]. Ze had mijn vaste telefoonnummer [nummer] (een geheim nummer) en mijn vaste GSM-nummer 06-[nummer].

[voornaam verdachte] heeft mij begin dit jaar, 2000, gebeld. Het is goed mogelijk dat het op of omstreeks 22 maart 2000 is geweest. Als u zegt dat de politie printlijsten heeft opgevraagd, waaruit blijkt dat het eerste contact van [voornaam verdachte] naar mij vanuit [bedrijfsnaam] op woensdag 22 maart 2000 is geweest, dan is dat goed mogelijk. Ik was verbaasd dat [voornaam verdachte] mij belde. Ze zei dat zij met mij naar iemand toe wilde gaan. [voornaam verdachte] noemde toen een naam van die desbetreffende man. Ik wil u deze naam niet noemen en ik zal deze man verder mijnheer "X" noemen. [voornaam verdachte] weet dat ik mijnheer X ken, maar ik stond er raar van te kijken dat [voornaam verdachte] naar mijnheer X wilde. Ik heb toen met [voornaam verdachte] een afspraak gemaakt. Vervolgens hebben wij elkaar toen ontmoet op zaterdag 25 maart 2000 bij van der Valk in Tiel.

Ik kwam omstreeks 11.30 uur bij van der Valk in Tiel aan. Vervolgens ben ik bij [voornaam verdachte] in de auto gaan zitten en ben ik samen met [voornaam verdachte] en haar dochtertje [dochter] een stukje gaan rijden. [voornaam verdachte] zei toen tegen mij dat zij in contact wilde komen met mijnheer X, om een klusje voor haar op te knappen. Daarna zei [voornaam verdachte] dat zij iemand uit de weg wilde laten ruimen. Hieruit begreep ik dat er iemand van het leven beroofd moest worden. Ik zei tegen [voornaam verdachte] dat ik haar niet met X in contact zou brengen.

Het werd mij tijdens die ontmoeting wel duidelijk dat de man van [voornaam verdachte] om het leven gebracht moest worden. [voornaam verdachte] huilde toen en vertelde dat haar man [dochter] mishandelde en dat zij zowat ieder weekend in het ziekenhuis zat met haar kind. [voornaam verdachte] zei toen ook dat haar zaken werden afgehandeld door haar man. Die zou namelijk grote sommen geld van haar rekening, naar zijn eigen rekening wegsluizen. Ik heb wel tegen [voornaam verdachte] gezegd; "Waar ben je mee bezig. Weet je dat wel zeker, je haalt de vader van je kind weg". Dan wel woorden van gelijke strekking. Ik heb dat meerdere keren gezegd tegen [voornaam verdachte]. [voornaam verdachte] zei mij dat zij zeker wist dat zij hem dood wilde hebben. Ik vroeg haar nog of zij niet gewoon kon gaan scheiden van haar man, maar dat was geen mogelijkheid volgens [voornaam verdachte], want dan zou zij nog alles kwijt zijn volgens haar. Ik heb haar toen nogmaals gevraagd of ze het zeker wist en ze zei dat ze het zeker wist. [voornaam verdachte] zei mij ook, dat als ik iemand wist die het wilde doen, dat die persoon dan nooit meer zou hoeven te werken. Dit waren haar letterlijke woorden.

[voornaam verdachte] heeft mij om een vuurwapen gevraagd. Ik heb toen tegen [voornaam verdachte] gezegd dat ik wel zou kijken of ik aan een vuurwapen kon komen. Vervolgens hebben [voornaam verdachte] en ik afscheid genomen en zijn wij weer weggegaan. Na die ontmoeting heb ik rondgevraagd of ik aan een vuurwapen kon komen.

De 2e keer dat ik [voornaam verdachte] ontmoette bij het van der Valk Hotel in Tiel was omstreeks een week later. [voornaam verdachte] belde mij in die week na de eerste ontmoeting bijna dagelijks om te informeren of ik al een vuurwapen had. Als [voornaam verdachte] belde zag ik aan de display op mijn telefoon, aan het nummer 029..... dat het [voornaam verdachte] moest zijn. De tweede ontmoeting met [voornaam verdachte], was wederom bij van der Valk in Tiel. Het was waarschijnlijk op 3 of 4 april 2000. [voornaam verdachte] wilde mij toen weer in persoon spreken. Het kwam er toen op neer dat het toch te lang duurde voordat ik een vuurwapen had. Ze wilde mij ook dingen zeggen, die niet door de telefoon besproken konden worden. Als u zegt dat ik op 28 maart 2000 om 15.34 uur vanuit een telefooncel te Vinkeveen gebeld ben op het pre-paid nummer 06-[…], heb ik hier een verklaring voor, namelijk dat ik [voornaam verdachte] tijdens een telefoongesprek in die week na de le ontmoeting bij van der Valk dit telefoonnummer heb doorgegeven. De enige die mij vanuit de plaats met het netnummer 029 (Vinkeveen of omgeving) belde, was [voornaam verdachte].

Omstreeks begin april 2000, werd ik nogmaals opgebeld door [voornaam verdachte]. Ze zei dat ze de volgende dag, rond de middag mij nogmaals wilde spreken bij van der Valk in Tiel. De volgende dag ben ik toen naar Van der Valk in Tiel gereden. Ik had een handje patronen meegenomen. Het waren er ongeveer een stuk of tien. De patronen waren van verschillende kalibers. De 6 mm (.22) patronen die ik bij mij had waren van het type long rifle. De 6 mm patronen die ik bij mij had, waren van verschillende soorten. Ik had patronen met een loden punt, maar ook met een koperen of een messing punt bij mij.

[voornaam verdachte] kwam naar mij gelopen, nadat ik mijn auto geparkeerd had. [voornaam verdachte] begon gelijk te vertellen dat haar man weer een hoop geld overgeboekt had. Ze zei door de telefoon ook al een keer dat er iets aan de hand was. Er zou iets belangrijks gebeuren wat haar een hoop geld zou kosten. In ieder geval had [voornaam verdachte] haast met het ombrengen van haar man. Het ombrengen van haar man moest zo snel mogelijk gebeuren. Ik weet zeker dat [voornaam verdachte] meende wat ze zei. Ik heb toen tegen haar gezegd: "Weet je het wel zeker, heb je er goed over nagedacht, het is wel de vader van je kind". Ik hoorde dat [voornaam verdachte] tegen mij zei: "Het kan niet anders".

[voornaam verdachte] wilde toen weten hoe ver ik was met het gevraagde vuurwapen. Ik zei dat andere mensen zouden kijken, dat andere mensen ermee bezig waren om te proberen om daaraan te komen. Het was echter moeilijk om op korte termijn een vuurwapen te leveren. Ik heb [voornaam verdachte] toen wel de patronen laten zien. Ik heb haar het handje patronen gegeven. Zij gaf ze even later terug. Ik liet het haar zien omdat ze al tig keer gebeld had en ik nog nooit iets voor haar gedaan had. Toen zei [voornaam verdachte]: "Het moet, desnoods met een mes als je niet aan een vuurwapen kan komen".

Ze zei dat ze bang was voor haar man, want hij was twee keer zo breed als ik. Ik begreep hieruit dat [voornaam verdachte] wilde dat ik haar zou helpen bij het vermoorden van haar man. Zij zou het uitvoeren, maar als het haar niet zou lukken, moest ik haar helpen. Ze heeft het niet met zoveel woorden gezegd, maar daar kwam het wel op neer. [voornaam verdachte] vertelde dat het hele plan al klaar was hoe ze het zou doen. [voornaam verdachte] zei dat "het" niet fout kon gaan, ze had overal rekening mee gehouden. [voornaam verdachte] vertelde mij dat haar eigen huis aan de rand van het water lag en dat het huis van de buren ver genoeg ernaast lag, zodat die nooit iets konden zien of horen en dat die buurman van dat huis een zware drugscrimineel was en dat het dan zou lijken op een afrekening binnen het criminele circuit. De omgeving van de woning was donker gelegen en er zou niemand zijn die iets kon zien. [voornaam verdachte] zei tegen mij, dat ik buiten zou moeten wachten. [voornaam verdachte] zou naar buiten gaan om een biertje voor haar man te pakken. Zij vertelde mij dat het bier voor haar man in de schuur in de tuin lag. [voornaam verdachte] zou met bier terug de woning in gaan en ik zou achter haar aan moeten lopen de woning in. In de woning moest ik uit het zicht van haar man blijven wachten. [voornaam verdachte] zou met het vuurwapen uit zicht en het biertje naar haar man toelopen en tegen haar man zeggen: "Er wordt een vuurwapen op mij gericht; ik moet je nou doodschieten anders schieten ze mij dood". [voornaam verdachte] zou tegelijkertijd op haar man schieten en hem in zijn hart raken omdat hij toch al een zwak hart had. Indien het mis zou gaan had ik [voornaam verdachte] dan moeten helpen. [voornaam verdachte] vertelde mij alleen bang te zijn geweest, dat haar man mogelijk het wapen zou kunnen afpakken indien zij te dicht op hem gestaan zou hebben. Als de moord op haar man binnen lukte en haar man dood zou zijn, dan moest ik in de woning blijven wachten. [voornaam verdachte] zou gaan douchen en andere kleding aantrekken. [voornaam verdachte] zei mij dat ik haar kleding dan mee moest nemen die zij tijdens het schieten gedragen had om eventuele sporen uit te wissen. Het gaan douchen van [voornaam verdachte] zou eventuele kruitsporen op het lichaam van [voornaam verdachte] wegspoelen. Vervolgens zei [voornaam verdachte] tegen mij dat ik dan na een paar uur haar woning moest verlaten en het vuurwapen en haar kleding moest meenemen. Deze spullen moest ik dan voor [voornaam verdachte] meenemen en wegwerken. Ik zou dan het terrein moeten aflopen en door de camera niet gezien worden. [voornaam verdachte] doelde hier op de videobeveiliging aan het begin van het park en vertelde mij dat deze camera op de ingang gericht was en ik bij het verlaten van het park alleen op mijn rug gezien zou worden. Bij het oplopen van het park zou ik een zak over mijn hoofd moeten trekken om niet door de camera gesignaleerd te worden.

Ik zei toen tegen [voornaam verdachte] dat dit plan voor mij niets was, het probleem voor mij was het op- en afgaan van het terrein. Toen zei [voornaam verdachte] tegen mij, dat het misschien beter was om de [merk] mee te nemen. De [merk] zou een redelijk nieuwe [merk] van haar man zijn. Na de moord zou ik dus het park verlaten met de spullen in de [merk] van haar man. [voornaam verdachte] vertelde mij, dat ik dan zelf maar moest weten wat ik met de auto zou doen. [voornaam verdachte] zei dat ik de auto het water in zou kunnen rijden of meenemen. [voornaam verdachte] vertelde verder te gaan slapen en een paar uur later de politie of de ambulance te bellen. Om het op een insluiping te laten lijken zou [voornaam verdachte] de deur open laten van haar woning. Het moest er dus op lijken dat de dader met de [merk] weggereden was. Na vorenstaande met [voornaam verdachte] te hebben doorgesproken vroeg ik haar nogmaals of zij wel zeker wist dat zij dit plan op haar man zou uitvoeren. [voornaam verdachte] zei toen op trieste toon tegen mij: "Ja". [voornaam verdachte] zei toen ook contact te hebben met een advocaat en dat zij ook al voor extra kleding, namelijk een witte badjas, gezorgd had. Ik begreep toen dat [voornaam verdachte] al heel erg ver met haar plan was om haar man te vermoorden.

Ik heb nooit toen tegen [voornaam verdachte] gezegd ik stop hiermee of ik wil niets met deze moord te maken hebben. [voornaam verdachte] was zeker in de mening dat ik volledig met haar aan de moord op haar man zou meewerken. Jullie vragen mij hoe ik mij toen voelde. Ik gebruikte toen ook cocaïne. Het was een periode dat ik bijna niet of nauwelijks sliep. Cocaïne hield mij op de been. Hierna gingen [voornaam verdachte] en ik uit elkaar. Afgesproken werd dat ik verder op zoek zou gaan naar een vuurwapen en [voornaam verdachte] met mij contact zou blijven houden. Als ik het vuurwapen zou hebben zou ik het voor de moord in Vinkeveen aan [voornaam verdachte] gaan afleveren. [voornaam verdachte] wilde dit zo en ik ging hiermee akkoord.

Ik heb eerder een schets gemaakt van de woning van [voornaam verdachte]. Als je de kamer binnenkomt ga je links af en [voornaam verdachte] zou dan recht voor haar man staan.

De dagen na de laatste ontmoeting met [voornaam verdachte] bij van der Valk in Tiel werd ik vrijwel dagelijks telefonisch door [voornaam verdachte] benaderd. Ik heb [voornaam verdachte] uiteindelijk tot 11 april 2000, diverse malen aan de telefoon gehad. Voor mijn gevoel heb ik haar vrijwel dagelijks gesproken. Meestal belde zij omstreeks 20.30 uur. Ik beloofde haar ook heel vaak dat ik [voornaam verdachte] zou ontmoeten bij het viaduct bij de Rijksweg N201 in Vinkeveen, want daar zou [voornaam verdachte] op mij wachten. [voornaam verdachte] verlangde vrijwel dagelijks van mij dat ik naar haar toe zou komen. Tevens vroeg [voornaam verdachte] mij dan of ik al wat had, hiermee bedoelde zij dan een vuurwapen.

Ongeveer twee of drie dagen voor de moord, zou ik weer naar Vinkeveen komen, maar toen belde [voornaam verdachte] zelf af, omdat zij niet kon komen. Ik begreep van [voornaam verdachte] dat haar man zo snel mogelijk dood moest.

Ik zou [voornaam verdachte] op dinsdag 11 april 2000, om 20.30 uur ontmoeten bij het viaduct van de N201 in Vinkeveen. Omstreeks 21.00 uur was ik in mijn beleving bij de afslag Vinkeveen aan de N221 (het hof leest: N201). Ik zag dat [voornaam verdachte] met een VW Golf op mij stond te wachten. Zij stond beneden rechts bij de afrit op mij te wachten. Ik wilde mijn auto daar ook parkeren om bij haar in de VW plaats te nemen. [voornaam verdachte] was alleen. [voornaam verdachte] zei mij dat ik eerst achter haar aan moest rijden. Wij reden vervolgens achter elkaar in onze auto's, onder het viaduct door, rechts is een café. Een klein stukje verder is rechts een parkeerplaats. Ik parkeerde daar mijn witte Golf. [voornaam verdachte] bleef met haar auto op ongeveer 10 meter van mij op mij wachten. Ik ben toen bij haar in de auto gaan zitten. [voornaam verdachte] zei mij vervolgens dat ik op haar moest blijven wachten, want zij zou [bedrijfsnaam] gaan afsluiten en de zaak sluit normaal om 21.00 uur.

Ik wist wel wat [voornaam verdachte] ging doen. Ik wist dus in feite dat de man van [voornaam verdachte] die avond/nacht om het leven gebracht ging worden.

Ik moest de [merk] (van de man van [voornaam verdachte]) meenemen en laten verdwijnen. [voornaam verdachte] heeft mij de sleutel van die [merk] afgegeven. Daarna heb ik niets meer van [voornaam verdachte] gehoord en ik heb haar ook niet meer gezien.

9. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Vecht en Venen/Mijdrecht, met nummer PL0980/00-545446 van 12 april 2000 (doorgenummerde bladzijde 104, ordner: proces-verbaal voorgeleiding [verdachte]), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren F.A. van der Kroef en A.H. Burggraaff.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Op 12 april 2000 reden wij, verbalisanten, over de Herenweg te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen. Wij zagen toen dat een personenauto, merk [merk], voorzien van het kenteken [00-AA-BB] langs deze weg geparkeerd stond. De Herenweg is ter plaatse gelegen tussen de provinciale weg N201 en de Achterbos.

10. Een geschrift, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Divisie Recherche, Afdeling Recherche Ondersteuning, met nummer 001004.001 van 4 oktober 2000 (doorgenummerde bladzijde G 47-51), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W.C.C. Henzen.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Door het Recherche Bijstandsteam "Naam" van de Politie Regio Utrecht wordt een onderzoek ingesteld naar het gewelddadige overlijden van [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats op geboortedatum].

Gedurende het onderzoek zijn historische printgegevens opgevraagd en verkregen van onder meer de telefoonaansluitingen:

- 0297-[…], vaste aansluiting in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] te Vinkeveen, perceel [adres];

- 0297-[…], vaste aansluiting in het bedrijf [bedrijfsnaam] van [slachtoffer] en [verdachte] te Vinkeveen, perceel [adres];

- 0297-[…], vaste aansluiting in een telefooncel gesitueerd naast de oprit naar de Provinciale weg N201 te Vinkeveen;

- 0297-[…], vaste aansluiting in een telefooncel gesitueerd op Plevierenlaan te Vinkeveen;

- 06-[…], mobiele aansluiting in gebruik bij [getuige 1];

- 06-[…], mobiele aansluiting in gebruik bij [getuige 2];

- 06-[…], mobiele aansluiting in gebruik bij [mededader];

- 06-[…], mobiele aansluiting eveneens in gebruik bij [mededader];

Uit analyse van deze historische printgegevens is onder meer geleken:

- dat er van 2 februari t/m 21 maart 2000, vanaf de aansluitingen [adres] en [bedrijfsnaam], negen maal contact is gezocht/geweest met de mobiele aansluiting van [getuige 2];

- dat er op 20 maart 2000, vanaf de aansluiting [adres], één maal contact is geweest met de mobiele aansluiting van [getuige 1];

- dat er op 28 maart 2000, vanaf de mobiele aansluiting van. [mededader] (nr. 06-[…]) één maal contact is gezocht /geweest met de aansluiting in [bedrijfsnaam]; en

- dat er van 22 maart t/m 11 april 2000, van de aansluitingen [adres] / [bedrijfsnaam] / telefooncel oprit N201 / telefooncel Plevierenlaan en telefoonaansluiting zwembad Vinkeveen, zesenveertig maal contact is gezocht/geweest met een der mobiele aansluitingen van [mededader].

11. Een geschrift, zijnde een fotokopie van het verslag van het Ministerie van Justitie, Nederlands Forensisch Instituut, nummer 00.05.10.002, opgemaakt op 8 augustus 2000 door H.G.M. Michels (doorgenummerde bladzijde I 55-58), voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende als bevindingen en conclusies van voormelde deskundige:

SO12 t/m SO14 drie kogels veiliggesteld tijdens de sectie

Deze drie kogels zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber .22 Long Rifle. De kogels SO12 en SO13 zijn voorzien van een koperkleurig laagje. De kogel SO14 is voorzien van een messingkleurig laagje.

12. Een ongenummerd proces-verbaal (dossiernummer PL0980/00-000420-F) van Politie Regio Utrecht, Divisie Recherche, Rercherche Bijstandsteam "Waeterrijck", van 27 september 2000 (doorgenummerde bladzijde F 3-9), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W.P.M. Jansen.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 26 juni 2000 (het hof begrijpt: 27 juni 2000) werd bij doorzoeking van de woning, perceel [adres mededader], in een [merk] personenauto van verdachte [mededader], een contactsleutel aangetroffen, die afkomstig bleek te zijn van de [merk] van het slachtoffer [slachtoffer].

13. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht met nummer PL0980/00-545446 van 13 april 2000 (doorgenummerde bladzijden H-deel II 087-093), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren P.T. van Vliet en H. Boon.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Op 12 april 2000 heb ik, Van Vliet, een onderzoek ingesteld aan een personenauto [merk], kenteken [00-AA-BB], te Vinkeveen. Door mij werden plaatsen in de auto voorzien van geurdoeken. Op 13 mei (het hof begrijpt: april) 2000 werden door mij, Boon, de eerder geplaatste geurdoeken veiliggesteld.

14. Een geschrift, zijnde een verzamellijst van de technische recherche inzake [merk, kenteken], inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

A 020 geurmonster versnelling.

15. Een proces-verbaal van Korps landelijke Politiediensten, Divisie Ondersteuning, Dienst Levende Have Politie, Afdeling Speurhonden (Nunspeet) met nummer 26.07.00.15.20.ARECAL van 26 juli 2000 (doorgenummerde bladzijden C 150-153), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.J. Callemeijn, D. Staal en L. Oskamp.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één of meer van hen:

Verdachte: [mededader], geboren op [datum] 1967 te [plaats], wonende [adres mededader]

Feit: moord/doodslag

Straat en plaats waar

gepleegd: [adres] te Vinkeveen

Controlevoorwerp: geurdoek

Corpus delicti: geurmonster versnellingspook [merk]

[kenteken] veiliggesteld op 13 april 2000

Op 26 juli 2000 werd door mij, Arend Jan CALLEMEIJN, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Rex.

Conclusie:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Rex bleek mij, Callemeijn, dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (geurmonster versnellingspook BMW [kenteken]), en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte: [mededader].

16. Een geschrift, zijnde een fotokopie van een ongenummerd proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Divisie Recherche, Technische Recherche van 17 april 2000 (doorgenummerde bladzijden H 9-72), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.G. van de Grift en F.H.G. Snijkers.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten of één van hen:

Op 12 april 2000 hebben wij naar aanleiding van de gewelddadige dood van: [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], gewoond hebbende te Vinkeveen [adres], een onderzoek ingesteld in en rond perceel [adres] te Vinkeveen.

Aantreffen sporen

Op de zittingen van de tweezitsbank welke tegen de binnenmuur stond werden geurdoeken geplaatst en veiliggesteld. (WO20 en W021)

Op de zitting van de fauteuil werd een geurdoek geplaatst en veiliggesteld. (WO34) (het hof begrijpt: WO22)

17. Een geschrift, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal van Korps landelijke Politiediensten, Divisie Ondersteuning, Dienst Levende Have Politie, Afdeling Speurhonden (Nunspeet) met nummer 12.10.00.15.25.ARECAL van 12 oktober 2000 (doorgenummerde bladzijden G 58-61), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.J. Callemeijn, J.H. de Haas en L. Oskamp.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant of één of meer van hen:

Verdachte: [mededader], geboren op [datum] 1967 te [geboorteplaats], wonende [adres mededader]

Feit: moord

Straat en plaats waar

gepleegd: [adres] te Vinkeveen

Controlevoorwerp: geurdoek

Corpus delicti: geurmonsters WO20, WO21, WO22

veiliggesteld op 12 april 2000

Op 12 oktober 2000 werd door mij, Arend Jan CALLEMEIJN, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Rex.

Conclusie:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Rex bleek mij, Callemeijn, dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (geurmonsters WO20, WO21, WO22), en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte: [mededader].

18. Een proces-verbaal van Politie Regio Utrecht met nummer PL0980/00545446 van 29 juni 2000 (doorgenummerde bladzijden C 189-193), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren P. Spaans en P.A.J. Spelbos, inhoudende als waarneming van de verbalisanten:

Op 28 en 29 juni 2000 hebben wij [verdachte] gehoord. Zij verklaarde dat bij de [merk auto] van [voornaam slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]) twee sleutels horen. Een sleutel was in het bezit van [voornaam slachtoffer], terwijl de andere werd bewaard in een kastje op de overloop boven in de woning [adres].

Nadere bewijsoverweging

Op grond van de bewijsmiddelen 3, 4, 5, 6, 7 en 8, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat verdachte enige tijd voor het overlijden van [slachtoffer] bij herhaling en bij verschillende personen heeft getracht een wapen dan wel hulp te verkrijgen voor het ombrengen van haar echtgenoot [slachtoffer].

Op grond van bewijsmiddel 8 stelt het hof vast dat [mededader] tijdens het ombrengen van [slachtoffer] ter plaatse was om verdachte daarbij (zonodig) behulpzaam te zijn.

Op grond van de bewijsmiddelen 16 en 17 stelt het hof vast dat [mededader] in de woning van verdachte en [slachtoffer] is geweest voordat op 12 april 2000 de geurmonsters in die woning werden genomen.

Voorts stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen 8, 9, 12, 13, 14, 15 en 18 vast dat [mededader] op 11-12 april 2000 in de [merk] van het slachtoffer heeft gereden.

Dit alles brengt het hof tot de conclusie dat het scenario, uiteengezet in bewijsmiddel 8, door verdachte en [mededader] is gerealiseerd, ondanks hun ontkenningen.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft het voornemen opgevat om haar echtgenoot om het leven te brengen. Zij heeft daartoe plannen beraamd en verschillende personen benaderd met het verzoek of zij haar bij de uitvoering daarvan behulpzaam wilden zijn. Verdachte heeft uiteindelijk haar mededader bereid gevonden om samen met haar deze moord uit te voeren. Bij die uitvoering is niet alleen verdachte, maar ook de mededader in de woning van de verdachte en het slachtoffer geweest. Daar is toen, zoals tevoren door verdachte en de mededader was afgesproken, het slachtoffer door vuurwapenschoten van het leven beroofd.

Door deze moord is de rechtsorde ernstig geschokt. Aan de familie van het overleden slachtoffer, en in het bijzonder de twee jonge dochters van het slachtoffer, is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht.

Blijkens een haar betreffend uittreksel van 21 januari 2002 uit het Justitieel Documentatieregister is verdachte niet eerder veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor na te noemen duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF (12) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die staan vermeld onder 1 en 2, 4 tot en met 6, 8 en 10 tot en met 13 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Verheul, Chorus en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Diepraam als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 mei 2002.

Mrs. Verheul en Van Dijk zijn verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.