Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF9306

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
02-06-2003
Zaaknummer
01/01402
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de bewoordingen van een besluit van de staatssecretaris en de bepalingen van de Regeling Energiepremie 2001 is, in afwijking van de Uitvoeringsregeling, de aanvraag van energiepremie toch tijdig ingediend omdat deze is gedaan binnen dertien weken nadat de kosten zijn betaald én de gelijktijdig aangeschafte voorzieningen zijn aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Team Energiepremies te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 1 mei 2001. Het beroep is gericht tegen een uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 maart 2001, betreffende een beschikking tot het gedeeltelijk niet toekennen van door belanghebbende aangevraagde energiepremies.

1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot toekenning van energiepremies tot een bedrag van € 113,45 (ƒ 250).

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarin concludeert hij tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.4. De zaak is behandeld ter zitting van 7 november 2001. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt dat is aangehecht aan deze uitspraak. Telefonisch is aan partijen meegedeeld dat in afwijking van de aankondiging ter zitting niet mondeling uitspraak zou worden gedaan.

1.5. Er heeft een schriftelijke behandeling plaatsgevonden. Het Hof heeft de inspecteur bij brief van de griffier van 17 januari 2002 een aantal vragen voorgelegd. De inspecteur heeft deze vragen in zijn brieven van 6 en 26 maart 2002 beantwoord. Belanghebbende heeft hierop gereageerd in haar schrijven van 20 april 2002. De inspecteur heeft in een brief van 13 mei 2002 gereageerd op de reaktie van belanghebbende. Partijen hebben daarna schriftelijk ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting en bekendmaking van de uitspraak door toezending per post zodra deze gedaan is.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Belanghebbende heeft op 5 augustus 2000 een vaatwasser en, nadat door een verkeerde orderbehandeling van de winkelier een aankoop op 26 augustus 2000 niet tot een levering leidde, op 27 oktober 2000 een koelkast gekocht. Ter zake hiervan heeft belanghebbende bij NUON verzocht om toekenning van energiepremies. Beide apparaten voldoen aan de vereisten voor toekenning van een premie van ¦ 100 als bedoeld in de Uitvoeringsregeling energiepremies. Het verzoek is door NUON op 11 december 2000 ontvangen. In een brief van 12 januari 2001 heeft NUON het verzoek deels - dat wil zeggen voor zover dat zag op de gelijktijdige aanschaf van een vaatwasser - afgewezen en belanghebbende overigens voor de aanschaf van de koelkast ¦ 100 energiepremie toegekend. Belanghebbende heeft in een schrijven van 18 januari 2001 de inspecteur verzocht uitspraak te doen over het door haar ingediende verzoek. De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking van 22 februari 2001 afgewezen. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende in een brief van 27 februari 2001 bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft in de bestreden uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende het verzoek om toekenning van de energiepremie ter zake van de aanschaf van de vaatwasser tijdig heeft gedaan en voorts of deze aanschaf gelijktijdig is gedaan met de aanschaf van de koelkast.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In artikel 36a van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst voor het jaar 2000 en hierna te noemen: de Wet) is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. energiezuinige apparaten, energiebesparende voorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie: apparaten en voorzieningen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als apparaten en voorzieningen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie of van de opwekking van duurzame energie. Onder energiebesparende voorzieningen wordt mede verstaan: een EnergiePrestatieAdvies dat voldoet aan bij door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling te stellen eisen (…)

In artikel 36p van de Wet is het volgende bepaald:

1. Op de belasting die is verschuldigd ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit wordt een vermindering toegepast ter zake van de bedragen die de belastingplichtige heeft uitgekeerd in verband met de aanschaf van niet eerder gebruikte energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen (energiepremies).

2. De vermindering bedraagt per apparaat of voorziening een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling aangewezen bedrag. De vermindering wordt slechts toegepast indien wordt aangetoond dat dit bedrag als energiepremie is uitgekeerd aan degene die ter zake van de aanschaf van dat apparaat of die voorziening bij de belastingplichtige een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend en de verzoeker de eigenaar, de huurder of de verhuurder van een als woning gebruikte onroerende zaak is, waaraan de belastingplichtige aardgas of elektriciteit levert.

3. Degene die ter zake van de aanschaf van het apparaat of de voorziening bij de belastingplichtige een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend kan zich bij geschillen met betrekking tot de toekenning van de energiepremie wenden tot de inspecteur met het verzoek over dat verzoek een uitspraak te doen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De beschikking wordt mede bekendgemaakt aan de belastingplichtige. Indien de beschikking strekt tot uitkering van de energiepremie, is de belastingplichtige daartoe gehouden.

(…)

6. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de vermindering wordt verleend en kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Aan het zesde lid van laatstgenoemd artikel is uitvoering gegeven in de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (tekst voor het jaar 2000 en hierna te noemen: de Uitvoeringsregeling). In artikel 8n van laatstgenoemde regeling is het volgende bepaald:

1. Het verzoek om toekenning van de energiepremie bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de wet wordt gedaan bij de belastingplichtige die aardgas of elektriciteit levert aan de als woning gebruikte onroerende zaak ten behoeve waarvan het apparaat of de voorziening is aangeschaft.

2. Het verzoek wordt gedaan nadat de voorziening is aangebracht of het apparaat in gebruik is genomen doch ten hoogste dertien weken na aanschaf van de voorziening of het apparaat.

3. Het verzoek wordt gedaan met gebruikmaking van een formulier dat in overeenstemming is met één van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen modellen EP1, EP2, EP3 en EP4.

4. Het verzoek kan niet worden gedaan indien:

a. het gezamenlijk bedrag van de energiepremies per verzoek minder bedraagt dan ƒ 100;

b. het een voorziening betreft ten behoeve van een woning, waarvoor de bouwvergunning is afgegeven op of na 1 januari 1998.

In de Uitvoeringsregeling energiepremies (tekst van het jaar 2000) is - voor zover hier van belang - bepaald dat:

Art. I. A. Deze regeling verstaat onder wet: Wet belastingen op milieugrondslag.

B. Als apparaten en voorzieningen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onderdeel j, van de wet worden aangewezen de apparaten en voorzieningen opgenomen in bijlage I bij deze regeling.

C. Als belastingvermindering bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de wet wordt aangewezen: het bedrag per apparaat of voorziening opgenomen in bijlage II bij deze regeling.

In genoemde bijlage II staat - voor zover hier van belang - vermeld:

Nummer Apparaat/Voorziening Eenheid Bedrag (in guldens)

1001 Koelkast /vriezer stuk 100

1002 Vaatwasser stuk 100

(…)

1007 Gelijktijdige aanschaf (*) aankoop 50

(…)

* Bij de gelijktijdige aankoop van twee of meer apparaten, die behoren tot de nummers van 1001 t/m 1006 van deze Energiepremie-lijst bedraagt de premie het cumulatieve bedrag als vastgesteld op grond van de bovenstaande premiebedragen, eenmalig vermeerderd met ¦ 50 voor de aangeschafte combinatie.

In onderdeel 2.4.10 van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 december 1999, nr. VB99/2653M, (door de inspecteur overgelegd als bijlage 11 bij het verweerschrift), is met betrekking tot het begrip aanschaf van een energiezuinig apparaat of energiebesparende voorziening bepaald dat:

"onder aanschaf moet worden verstaan het volledig in eigendom verkrijgen van het apparaat of de voorziening; de kosten moeten zijn betaald en het apparaat of de voorziening moet zijn aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen".

In artikel 1, aanhef en sub 2, van de Regeling Energiepremie 2001 (bijlage 12 bij het verweerschrift van de inspecteur) is bepaald dat onder aanschaf wordt verstaan:

"het volledig in eigendom krijgen van het apparaat of de voorziening; de kosten moeten zijn betaald en het apparaat of de voorziening moet zijn geïnstalleerd of aangebracht en in gebruik genomen",

en in artikel 11, eerste lid, is bepaald:

"Een aanvraag is tijdig ingediend als de aanvraag is ingediend binnen dertien weken nadat de kosten zijn betaald en de apparaten of voorzieningen zijn geïnstalleerd of aangebracht en in gebruik genomen."

5.2. Op grond van de bewoordingen in het besluit van de staatssecretaris van Financiën, die voor het jaar 2001 ook worden bekrachtigd door de bepalingen van de Regeling Energiepremie 2001, is, in zoverre in afwijking van de bewoordingen van artikel 8n, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling, de aanvraag van belanghebbende tijdig ingediend als deze is gedaan binnen dertien weken nadat de kosten zijn betaald én de voorziening is aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen. Belanghebbende heeft bij de schriftelijke behandeling onweersproken gesteld dat zij, nadat de koelkast uiteindelijk was geleverd, de koelkast én de vaatwasser beide door haar ex-man en een vriend tegelijkertijd heeft laten installeren in het weekend van 28 en 29 oktober 2000. Naar het oordeel van het Hof moet het er daarom voor worden gehouden dat de apparaten, te weten de vaatwasser en de koelkast, pas in het weekend van 28 en 29 oktober 2000 zijn geïnstalleerd en in gebruik genomen en daardoor zijn aangeschaft in de zin van de bepalingen inzake de energiepremie. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de aanvraag van belanghebbende, die bij NUON is binnengekomen op 11 december 2000, binnen de termijn van dertien weken na de aanschaf van deze voorzieningen is gedaan. In dit oordeel ligt tevens besloten dat de aanschaf gelijktijdig is geschied. Daaraan doet niet af dat in (de voetnoot bij) regel 1007 van bijlage II van de Uitvoeringsregeling Energiepremies het niet nader toegelichte woord 'aankoop' wordt gebruikt. Het gebruik van het woord aanschaf in regel 1007 is van zwaarder gewicht.

5.3. Het gelijk is aan belanghebbende. Het Hof zal NUON (waaronder voor zoveel nodig te verstaan: Energie Noord West NV, handelend onder de naam Nuon Regio Noord-Holland) alsnog gelasten het gehele bedrag van de aangevraagde energiepremie uit te keren.

5.4. Het vorenstaande houdt in dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden. In dat verband dient te worden opgemerkt dat van belanghebbende, zulks in afwijking van het bepaalde in artikel 27b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, niet een griffierecht van ¦ 225, maar van ¦ 60 is geheven.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, acht het Hof termen aanwezig om de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien niet gebleken is dat andere dan in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen van een zitting te Amsterdam door belanghebbende zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op € 15.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- gelast NUON aan belanghebbende de gevraagde energiepremie ad € 113,45 (ƒ 250) onder verrekening van het eerder uitbetaalde bedrag van € 45,38 (¦ 100), uit te keren;

- gelast de inspecteur deze uitspraak bekend te maken aan NUON;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 15 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld 13 december 2002 door mr. Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.