Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5519

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-002109-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat hij op 7 september 2001 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, immers heeft verdachte opzettelijk ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne ter vervoer aangeboden aan [medeverdachte], welk goed die [medeverdachte] per auto naar België zou uitvoeren.

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002109-02

datum uitspraak 30 december 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank te Amsterdam van 6 juni 2002

in de strafzaak onder parketnummer 13/127269-01

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

Beperkt appel

Het hoger beroep van de verdachte en van de officier van justitie is blijkens mededeling ter terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 mei 2002 en in hoger beroep van 21 november en 17 december 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -voorzover in hoger beroep aan de orde- ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat

hij op 7 september 2001 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, immers heeft verdachte opzettelijk ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne ter vervoer aangeboden aan [medeverdachte], welk goed die [medeverdachte] per auto naar België zou uitvoeren.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte niet wist noch had kunnen vermoeden of behoeven te weten dat de twee sporttassen, die hij op 7 september 2001 in Rotterdam heeft opgehaald en naar de woning van zijn broer in Amsterdam heeft gebracht, heroïne bevatten. Hij heeft daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:

- verdachte ervan uitging dat hij wiet had opgehaald voor de coffeeshop van zijn broer;

- het ophalen van handelshoeveelheden softdrugs hoort bij het dagelijks werk in een coffeeshop-met-vergunning;

- verdachte eerder softdrugs had gehaald voor zijn broer, maar dat dit de eerste keer was dat verdachte een grotere hoeveelheid dan een pond of een kilo ophaalde buiten Amsterdam en dat hij ook voor het eerst zelf geld meenam;

- verdachte de inhoud van de tassen niet hoefde te controleren, omdat de handelsrelatie met de leverancier in orde was;

- verdachte bij het terugrijden naar Amsterdam goed achter zich moest kijken, omdat de plaats waar de handelsvoorraad van een coffeeshop zich bevindt, geheim gehouden moet worden;

- de twee tassen geen 50 kilo kunnen hebben bevat;

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Er is tenminste sprake van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft door niet deugdelijk te onderzoeken of de door hem meegenomen sporttassen wiet bevatten, zich willens en wetens bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat de sporttassen andere drugs zouden bevatten dan de drugs die hij voordien in gedachten had, zoals ook het geval is gebleken. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met anderen een zeer grote hoeveelheid heroïne naar België uitgevoerd. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de grensoverschrijdende handel in - en verspreiding van - ongeveer 50 kilo harddrugs en aan de daarmee gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit. Hierbij heeft verdachte enkel uit winstbejag gehandeld. Bovendien heeft verdachte het gebruik bevorderd van voor de volksgezondheid schadelijke middelen.

Het hof heeft rekening gehouden met blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 28 november 2001, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 24 januari 2002 opgemaakt door R. Leeuwenberg, reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland.

Al het voorgaande overwegende is het hof oordeel dat verdachte tot een zwaardere straf moet worden veroordeeld dan hem door de rechtbank is opgelegd, nu het bewezenverklaarde een zeer ernstig feit betreft.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten nummer 1 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezenverklaarde is voorbereid.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten nummers 9 tot en met 12, 15 en 16, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van die voorwerpen teruggave nog niet mogelijk is.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (VIER) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd: nummer 1 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Gelast de teruggave aan verdachte van de nummers 2 tot en met 8, 13, 14 en 18 tot en met 25 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Gelast ten behoeve van de rechthebbende de bewaring van de nummers 9 tot en met 12, 15 en 16 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Splinter-van Kan, Lukács en Dekkers, in tegenwoordigheid van mr. Rupert als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 december 2002.

Mrs. Lukács en Dekkers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.