Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5513

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-002095-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 4 is ten laste gelegd, met dien verstande dat

1. hij op 7 september 2001 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, immers heeft verdachte opzettelijk ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne ter vervoer aangeboden aan [medeverdachte], welk goed die [medeverdachte] per auto naar België zou uitvoeren;

2. hij op 26 november 2001 te Amsterdam voorhanden heeft gehad 20 patronen (Samson, 9 mm) en 45 patronen (Winchester 9 mm);

4. hij op 26 november 2001 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 1470 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en ongeveer 1203 gram en 1530 joints van een materiaal bevattende hennep.

6 jaar gevangenisstraf + geldboete ƒ 5.000,=

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002095-02

datum uitspraak 30 december 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank

te Amsterdam van 6 juni 2002

in de strafzaak onder parketnummer 13/127300-01

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [dag] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 mei 2002 en in hoger beroep van 21 november en 17 december 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 4 is ten laste gelegd, met dien verstande dat

1. hij op 7 september 2001 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, immers heeft verdachte opzettelijk ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende heroïne ter vervoer aangeboden aan [medeverdachte], welk goed die [medeverdachte] per auto naar België zou uitvoeren;

2. hij op 26 november 2001 te Amsterdam voorhanden heeft gehad 20 patronen (Samson, 9 mm) en 45 patronen (Winchester 9 mm);

4. hij op 26 november 2001 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 1470 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en ongeveer 1203 gram en 1530 joints van een materiaal bevattende hennep.

Hetgeen onder 1 primair, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

De meervoudige kamer in de rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest alsmede tot betaling van een geldboete van € 5.000,-.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren alsmede tot betaling van een geldboete van € 5.000,-.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met anderen een zeer grote hoeveelheid heroïne naar België uitgevoerd. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de grensoverschrijdende handel in - en verspreiding van - ongeveer 50 kilo harddrugs en aan de daarmee gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit. Hierbij heeft verdachte enkel uit winstbejag gehandeld. Bovendien heeft verdachte het gebruik bevorderd van voor de volksgezondheid schadelijke middelen.

Het hof heeft rekening gehouden met blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 28 november 2001.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 21 januari 2002 opgemaakt door S. Dijkslag, reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland.

Al het voorgaande overwegende is het hof oordeel dat verdachte tot een zwaardere straf moet worden veroordeeld dan hem door de rechtbank is opgelegd, nu het onder 1 primair bewezenverklaarde een zeer ernstig feit betreft.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten nummers 22 en 23 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het onder 1 primair en 4 bewezenverklaarde is begaan.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten nummers 13 tot en met 16, 18, 34, 35 en 37, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van die voorwerpen teruggave nog niet mogelijk is.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (ZES) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

en voorts

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 5.000,- (VIJFDUIZEND EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 DAGEN.

Verklaart verbeurd: nummers 22 en 23 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Gelast de teruggave van de nummers 1 tot en met 12, 17, 19 tot en met 21, 24 tot en met 33, 36 en 38 tot en met 45 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 13 tot en met 16, 18, 34, 35 en 37 van de beslaglijst, waarvan een kopie aan dit arrest is gevoegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Splinter-van Kan, Lukács en Dekkers, in tegenwoordigheid van mr. Rupert als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 december 2002.

Mrs. Lukács en Dekkers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.