Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF3999

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-001933-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan een mislukte overval op de eigenaar van een bar. Verdachte heeft daarbij een leidende rol gespeeld. Daarbij is het slachtoffer met handboeien op het hoofd geslagen, onder schot gehouden met een pistool en in zijn knie geschoten.

Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM.

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001933-02

datum uitspraak 17 december 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 11 juni 2002

in de strafzaak onder parketnummer 13/037902-01

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in P.I. Flevoland - H.v.B. Almere Binnen te Almere.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 28 mei 2002 en in hoger beroep van 3 december 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting - conform de inhoud van zijn pleitnota, zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

1.

Nadat de identiteit van de verdachte bekend is geworden is tot aan zijn aanhouding een periode van bijna vier en een half jaar verstreken. Toch zijn in de periode voorafgaand aan zijn aanhouding, door justitie en/of politie naar hem geen opsporingshandelingen verricht. Door dit lange tijdsverloop is een goede verdediging van verdachte praktisch onmogelijk geworden. Door dit (gebrek aan) optreden van justitie en/of politie zijn de belangen van verdachte zo niet bewust geschonden, dan toch in ieder geval grovelijk veronachtzaamd.

2.

Daarnaast heeft een grove schending van verdedigingsrechten plaatsgehad doordat de officier van justitie zich onvoldoende over de voortgang van de zaak heeft geïnformeerd, waardoor zij opdracht tot een spiegelconfrontatie van verdachte met de getuige [getuige] heeft gegeven op een moment dat de verdediging bij de rechter-commissaris om een OSLO-confrontatie had verzocht en laatstgenoemde dit verzoek in beraad hield in afwachting van het verhoor van [getuige]. De officier van justitie heeft derhalve de procedure ex artikel 36b Sv op laakbare wijze doorkruist. Dit is aan te merken als een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Gelet op de twee vorenweergegeven grondslagen, zowel afzonderlijk als tezamen beschouwd, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.

Het hof overweegt met betrekking tot hetgeen door de raadsman is aangevoerd het volgende.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt het volgende.

Naar aanleiding van de mislukte overval op 25 juli 1997 is prompt een opsporingsonderzoek ingesteld. Dit onderzoek heeft (omstreeks) 7 augustus 1997 geleid tot de verdenking dat de verdachte als een van de deelnemers aan de overval kon worden aangemerkt waarop bij telexbericht (nummer A97-019451) de opsporing en aanhouding van de verdachte is bevolen. Van de verdachte was toentertijd bij de politie geen woon- of verblijfplaats bekend.

Uit een op 9 januari 2002 gedateerd overzicht GBA-gegevens blijkt weliswaar dat van de verdachte sinds 22 januari 2001 een inschrijvingsadres bekend was, doch hij heeft bij gelegenheid van zijn voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie te kennen gegeven dat hij "volgens de computer" staat ingeschreven in de GBA van de gemeente Amsterdam en dat hij op dat adres zijn post ontvangt, doch dat hij "overal mag slapen". Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart de verdachte op 31 december 2001 dat hij niet slaapt op dat adres.

Voorts is nog gebleken dat de politie in 1997 een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van uit het onderzoek bekend geworden telecommunicatienummers, welke nummers aan de verdachte als gebruiker daarvan werden toegeschreven. Dit onderzoek heeft niet geleid tot het lokaliseren van de verdachte.

Blijkens het proces-verbaal van 12 februari 2002 van brigadier Fennema is in verband met de invoering van de Euro "eind 2001" door de politie een selectie gemaakt uit een bestand van voortvluchtige personen die voornamelijk van het plegen van overvallen werden verdacht. Ook de verdachte is geselecteerd. Een poster, met daarop afgedrukt de namen en foto's van die personen heeft geleid tot de aanhouding van de verdachte op 27 december 2001.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het verweer feitelijke grondslag mist, nu moet worden vastgesteld dat vanaf het moment dat de verdachte als mogelijke dader kon worden aangemerkt al datgene is verricht wat onder de gegeven omstandigheden van de politie redelijkerwijs mocht worden verwacht, ook voor wat betreft de opsporing en aanhouding van de verdachte. Van feiten of omstandigheden welke tot een ander oordeel dienen te leiden is niet gebleken zodat dit verweer wordt verworpen.

Met betrekking tot hetgeen door de raadsman is aangevoerd aangaande de spiegelconfrontatie, overweegt het hof het volgende.

Per brief van 3 januari 2002 heeft de toenmalige raadsman van verdachte, mr. M.A.C. van Vuuren, de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, mr. J.W. Moors, onder meer verzocht om een zogenaamde OSLO-confrontatie tussen verdachte en de getuige [getuige]. Per brief van 14 januari 2002 heeft de rechter-commissaris aan mr. Van Vuuren bericht dat hij op dat verzoek zou beslissen nadat [getuige] als getuige zou zijn gehoord. Van deze brief dient op de voet van artikel 36b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering een afschrift te zijn gezonden aan de officier van justitie. Hoewel uit het dossier niet blijkt dat de officier van justitie een afschrift heeft ontvangen, gaat het hof er vanuit dat de officier van justitie wel van de aangehouden beslissing van de rechter-commissaris op de hoogte is gebracht. Vervolgens heeft blijkens het proces-verbaal van 17 januari 2002, nummer 2001343068-10, opgemaakt door S. Fennema, brigadier-rechercheur van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, op 17 januari 2002 een één-op-één spiegelconfrontatie tussen verdachte en [getuige] plaatsgevonden. Deze confrontatie heeft volgens mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep buiten aanwezigheid van mr. Van Vuuren plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt niet dat [getuige], op het moment dat de spiegelconfrontatie werd gehouden, reeds als getuige door de rechter-commissaris was gehoord. Per faxbericht van 17 januari 2002 van mr. Van Vuuren aan de officier van justitie blijkt overigens dat zij die dag telefonisch contact hebben gehad, waarbij door de officier van justitie aan mr. Van Vuuren zou zijn toegezegd dat de (op dat moment kennelijk op handen zijnde) spiegelconfrontatie tussen [getuige] en verdachte niet zou worden gehouden.

Gelet op het voorgaande is de beslissing van de rechter-commissaris ten onrechte doorkruist en is sprake van een verzuim dat voor rekening dient te komen van het openbaar ministerie. Van een welbewuste, grove veronachtzaming van het belang van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, is op grond van het voorgaande en gelet op de overige inhoud van het dossier echter geen sprake. In zoverre wordt het verweer van de raadsman verworpen. Wel zal het verzuim dienen te leiden tot uitsluiting van het resultaat van de spiegelconfrontatie tussen verdachte en [getuige] van het bewijs.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

op 25 juli 1997 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of enig goed, toebehorende aan [slachtoffer] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, met zijn mededaders naar die zich in een kantoor van een bar "[...]" bevindende [slachtoffer] is gegaan, alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) een doorgeladen pistool op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en gericht gehouden en die [slachtoffer] meermalen met kracht met handboeien tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en een schot op die [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd, tengevolge van welk geweld genoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een in- en uitschotopening in de knie en een blijvende beschadiging aan de knieschijf), heeft opgelopen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot zesendertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Namens verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan een mislukte overval op de eigenaar van een bar. Verdachte heeft daarbij een leidende rol gespeeld. Daarbij is het slachtoffer met handboeien op het hoofd geslagen, onder schot gehouden met een pistool en in zijn knie geschoten. Het slachtoffer heeft hieraan een blijvende beschadiging aan zijn knieschijf overgehouden. De ervaring leert dat slachtoffers van een overval zoals de onderhavige, veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden. Verdachte heeft er voorts aan bijgedragen dat in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid blijven bestaan en worden versterkt.

De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 9 oktober 2002 eerder veroordeeld voor het plegen van een ernstig geweldsdelict.

Gelet op het voorgaande, is het hof met eenparigheid van stemmen van oordeel dat verdachte tot een zwaardere straf moet worden veroordeeld dan hem door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd, te weten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Het hof ziet in de inhoud van het dossier, noch gelet op de persoon van de verdachte, aanleiding om voormelde straf gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 45, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Voncken, Veldhuisen en Kortenhorst, in tegenwoordigheid van mr. Van Iperen als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2002.

.