Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF3889

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-003851-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Diefstal;

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is;

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Nadere bewijsoverweging.

Hof legt hogere straf op, 7 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197
Wetboek van Strafrecht 231
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003851-01

datum uitspraak 30 september 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Amsterdam van 16 november 2001 in de strafzaak onder parketnummer 13/127277-00 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op 1 september 1963,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

wonende te [adres], Spanje,

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Compagnie en Zwaag te Zwaag.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 november 2001 en in hoger beroep van 16 september 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde -

hij op 14 oktober 2000 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:

- kamer 309 van Hotel [naam] van binnenuit af te sluiten en

- voornoemde [slachtoffer 1] meermalen te beletten de kamer te verlaten en

- die [slachtoffer 1] meermalen direct na het verlaten van de hotelkamer weer de hotelkamer in te trekken en

- gelegen naast die [slachtoffer 1], zijn been over de benen van die [slachtoffer 1] te leggen en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij, verdachte, haar ging afmaken en haar strot dicht zou knijpen en

- met zijn handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en

- die [slachtoffer 1] meermalen te slaan en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat uit het raam springen haar enige mogelijkheid was,

waarbij het slachtoffer als gevolg van de door verdachte uitgeoefde (psychische) druk:

- door het raam naar buiten is geklommen en

- op de vensterbank aan de buitenzijde van de gevel is gaan staan en

- zich naar beneden heeft laten vallen en op de drie verdiepingen lager gelegen grond terecht is gekomen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een gebroken linkervoet en gebroken knieën (links en rechts) en een gebroken linkerbovenbeen en een gebroken onderkaak en gebroken kaakpunten (links en rechts) en gekneusde ribben en een getraumatiseerde linkerarm en beschadigde longen;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 14 oktober 2000 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn handen de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en daarbij voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je afmaken" en "Ik ga je kapotmaken" en "Ik ga je strot dichtknijpen";

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij op 24 maart 2001 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnaie inhoudende een geldbedrag en diverse pasjes en een rijbewijs op naam van [slachtoffer 2] en een identiteitskaart op naam van [slachtoffer 2] en persoonlijke bescheiden, toebehorende aan [slachtoffer 2];

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

hij op 24 maart 2001 te Amsterdam in het bezit was van een nationaal paspoort van Spanje, waarvan verdachte wist dat het vervalst was, bestaande die vervalsing hierin dat de originele, door de Spaanse autoriteiten aangebrachte pasfoto is vervangen door een pasfoto van verdachte;

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde -

hij op 24 maart 2001 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

Namens de verdachte is aangevoerd dat [slachtoffer 1] mogelijk door toedoen van overvloedig gebruik van verdovende middelen zichzelf in een situatie heeft gebracht waardoor zij onder invloed van waanbeelden uit het hotelraam is gesprongen, dan wel gevallen moet zijn.

De verdachte heeft ontkend die nacht in hotel [naam] te zijn geweest, zodat het verweer reeds daarom geen beantwoording behoeft. De bewijsmiddelen houden overigens in welke feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof het slachtoffer ertoe hebben gebracht uit het raam naar buiten te klimmem en zich te laten vallen, zodat het verweer zijn weerlegging vindt in de gemotiveerde bewezenverklaring.

Het hof overweegt ten overvloede dat een zich bij de stukken bevindend deskundigenrapport met betrekking tot een toxicologisch onderzoek van een monster bloedplasma van het slachtoffer [slachtoffer 1] van 14 oktober 2000, 9.51 uur als resultaat van dat onderzoek onder meer vermeldt dat de in het bloed gevonden concentratie van MDMA past bij het recente gebruik van een normale werkzame dosis MDMA en dat geen cocaïne in het bloed werd aangetoond, waarschijnlijk omdat gebruik ervan geruime tijd voor de ziekenhuisopname heeft plaatsgevonden.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat bij de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop, nu aard en strekking van de verweten gedragingen in de context van hetgeen in het onderhavige geval is voorgevallen niet hetzelfde zijn.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

- ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde -

de voortgezette handeling van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

- ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde -

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde -

diefstal;

- ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde -

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is;

-ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde -

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Namens verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vrijheidsberoving met zeer ernstige gevolgen. Hij heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] meegenomen naar een hotelkamer en haar vervolgens meermalen belet om deze hotelkamer te verlaten, onder meer door haar met geweld de kamer weer in te trekken, nadat zij er in was geslaagd deze te verlaten. Voorts heeft hij haar geslagen en haar keel dichtgeknepen, terwijl hij dreigde haar van het leven te beroven. Verdachte heeft door bovengenoemd handelen het slachtoffer in een situatie gebracht waarin zij voor haar leven vreesde. In deze voor haar uiterst benauwende situatie heeft hij, wetende dat zij zich op de derde verdieping bevonden, gezegd dat uit het raam springen de enige mogelijkheid voor haar was om te ontkomen. In doodsangst heeft het slachtoffer zich hiertoe ook gedwongen gevoeld. Zij is uit het raam geklommen en heeft zich - nadat inklimmen via een ander raam niet mogelijk bleek - naar beneden laten vallen, waarbij zij drie verdiepingen lager op de betegelde binnenplaats van het hotel is terechtgekomen. Zelfs onmiddellijk na haar val, waarbij zij zwaar letsel had opgelopen, heeft het slachtoffer nog steeds de drang gevoeld om aan de verdachte te moeten ontkomen. Dat het slachtoffer deze val heeft overleefd, is een omstandigheid die geenszins aan het handelen van verdachte is te danken. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer tot deze wanhoopsdaad heeft gedreven en zich na haar val niet om haar heeft bekommerd.

Vanwege het ernstige letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen is zij reeds een aantal malen geopereerd en zal zij nog geruime tijd moeten revalideren. Tevens is aannemelijk geworden dat het slachtoffer door deze ervaring - die bijzonder schokkend moet zijn geweest - psychische schade heeft opgelopen die haar leven nog langdurig zal kunnen beïnvloeden.

Voorts heeft de verdachte ruim vijf maanden later de portemonnee met persoonlijke bescheiden van [slachtoffer 2] gestolen. Diefstal is een ergerlijk feit dat voor de benadeelde schade en overlast met zich meebrengt.

Op diezelfde dag was verdachte in het bezit van een vervalst Spaans paspoort. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat de maatschappij stelt in identificatiebewijzen, beschadigd.

Daarnaast heeft verdachte als ongewenste vreemdeling in Nederland verbleven, terwijl hij van de ongewenstverklaring op de hoogte was. Verdachte heeft door aldus te handelen het overheidsbeleid met betrekking tot ongewenst verklaarde vreemdelingen gefrustreerd.

Blijkens de verdachte betreffende uittreksels uit het Justitieel Documentatieregister van 27 maart 2001 en 4 september 2002 is verdachte reeds eerder veroordeeld voor zeden- en geweldsdelicten en het als ongewenste vreemdeling in Nederland verblijven, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Het hof is met eenparigheid van stemmen van oordeel dat het bewezenverklaarde onder 1 primair een zo ernstig feit betreft dat verdachte met het oog daarop tot een gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur moet worden veroordeeld dan hem door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd.

Voorts is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van met name het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

Al het bovenstaande in overweging nemende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden.

Met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp onder nummer 2 van de aan dit verkort arrest gehechte beslaglijst zal het hof de teruggave aan privéhuis [naam] te Amsterdam gelasten.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1, 3, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 22 en 25, zoals aangegeven op de aan dit verkort arrest gehechte beslaglijst, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 56, 57, 197, 231, 282, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZEVEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan privéhuis [naam] te Amsterdam van het inbeslaggenomen voorwerp vermeld onder nummer 2 van de aan dit verkort arrest gehechte kopie van de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 1, 3, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 22 en 25 van de aan dit verkort arrest gehechte kopie van de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Wijnen-Vergeer, Tilleman en Cleiren, in tegenwoordigheid van mr. Marsé als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 september 2002.

Mr. Cleiren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.