Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF3020

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
02/1413 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verschil van minder dan 30% tussen de overeengekomen huurprijs en de economische huurwaarde van een woning is niet van dien aard dat de overeenkomst niet slechts het karakter heeft van huur, maar mede dat van bruikleen. Een verschil van ruim 40% is zo groot dat de huurovereenkomst met betrekking tot deze woning een tweeledig karakter draagt, eensdeels dat van huur, anderdeels dat van bruikleen.

Niet aannemelijk is dat belanghebbende redelijkerwijs kon of kan verwachten op basis van de door hem gevolgde cursus binnen redelijke tijd inkomen te zullen verwerven. De kosten kunnen niet worden aangemerkt als uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/7.2.3
FutD 2003-0181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 22 januari 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 december 2002.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.868;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 15 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. Aftrekbare kosten in verband met verhuurde woningen

1.1. Belanghebbende, geboren in 1939, verhuurt in het onderhavige jaar onder meer de woningen gelegen aan A-straat 1, B-straat 2 en C-straat 3 te C. De huurprijs van elk van deze woningen bedraagt ƒ 430 per maand. Belanghebbende betaalt de energiekosten van de woning aan de A-straat (ƒ 160 per maand). Niet in geschil is dat deze laatstvermelde betaling een vermindering van de overeengekomen huur is, zodat de overeengekomen huur van deze woning ƒ 270 per maand bedraagt.

1.2. De inspecteur stelt dat de economische huurwaarde van de vorenvermelde woningen in het onderhavige jaar ƒ 604,80 (96% van ƒ 630) per maand bedraagt, dat de overeengekomen huur zoveel lager is dan de economische huurwaarde dat de huurovereenkomst mede moet worden aangemerkt als een overeenkomst van bruikleen en dat op deze woningen betrekking hebbende aftrekbare kosten - andere dan, voor zover hier van belang, renten van schulden en kosten van geldleningen - daarom slechts ten dele in aanmerking worden genomen (artikel 36, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964). Belanghebbende erkent dat de economische huurwaarde van de woning aan het C-straat ƒ 600 per maand bedraagt, maar stelt dat de economische huurwaarde van de woningen aan de B-straat en de A-straat lager was dan ƒ 450,67.

1.3. Ten aanzien van de woningen aan de B-straat en aan het C-straat is het Hof van oordeel dat uitsluitend het verschil tussen de overeengekomen huurprijs en de door de inspecteur gestelde economische huurwaarde - dat verschil bedraagt minder dan 30% - niet van dien aard is dat de overeenkomst niet slechts het karakter heeft van huur, maar mede dat van bruikleen. Andere omstandigheden die grond zouden kunnen zijn voor het oordeel dat de overeenkomst een dergelijk tweeledig karakter heeft zijn niet gesteld of gebleken. Dat brengt mee dat naar 's Hofs oordeel de op deze woningen betrekking hebbende aftrekbare kosten volledig in aanmerking worden genomen. De stelling van belanghebbende dat de economische huurwaarde van de woning aan de B-straat lager was dan ƒ 450,67, behoeft geen behandeling.

1.4. Ten aanzien van de woning aan de A-straat stelt belanghebbende dat de economische huurwaarde lager is dan ƒ 450,67. Tot steun van zijn stelling heeft hij een op deze woning betrekking hebbende "VERKLARING HUURGEGEVENS HUURSUBSIDIE" overgelegd, waarin de voorzitter van de huurcommissie in het ressort C verklaart:

" De woningkwaliteit (…) bedraagt 52 punten.

De maximale huurprijsgrens behorend bij de woningkwaliteit uitgedrukt in punten voor de periode van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 bedraagt ƒ 450,67 per maand. "

Het Hof is van oordeel dat op de inspecteur de last rust zijn stelling dat de economische huurwaarde van deze woning in het onderhavige jaar ƒ 600 bedraagt, aannemelijk te maken. Daartoe voert hij aan dat het mogelijk is dat de economische huurwaarde afwijkt van de door de huurcommissie vastgestelde huur, dat belanghebbende de woning aan het C-straat vanaf 1 juli 2000 aan een onafhankelijke derde verhuurt voor ƒ 630 per maand, dat voor ƒ 450,67 per maand in de binnenstad van C nauwelijks een kamer te huur is, dat hij niet weet wat de status is van de door belanghebbende overgelegde verklaring van de voorzitter van de huurcommissie en dat hij niet weet of bij die verklaring terecht is uitgegaan van 52 punten. Met deze stellingen heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de economische huurwaarde van de woning aan de A-straat hoger was dan ƒ 450,67.

1.5. Het Hof acht echter ook niet aannemelijk gemaakt dat de economische huurwaarde lager is dan ¦ 450,67 zoals belanghebbende heeft gesteld. Het Hof gaat er daarbij van uit dat een verhuurder in het algemeen zal streven naar een maximaal rendement en derhalve tenminste de door de huurcommissie vastgestelde huur zal willen realiseren. Niet is gesteld of gebleken dat die huur in casu niet haalbaar zou zijn geweest. De voor de woning aan de A-straat overeengekomen huur (ƒ 270) verschilt zoveel van de economische huurwaarde (ƒ 450,67) ervan - het verschil is ruim 40% - dat de huurovereenkomst met betrekking tot deze woning een tweeledig karakter draagt, eensdeels dat van huur, anderdeels dat van bruikleen. Dat brengt mee dat de op deze woning betrekking hebbende aftrekbare kosten - andere dan renten van schulden en kosten van geldleningen - bij belanghebbende voor (afgerond) 60% in aanmerking worden genomen.

1.6. Blijkens bijlage 2 bij de aangifte van belanghebbende bedragen de vorenbedoelde op de woning aan de A-straat betrekking hebbende aftrekbare kosten (ƒ 323 + ƒ 218 + ƒ 1.907 + ƒ 11.893 =) ƒ 14.341. De in de vermelde bijlage opgenomen energiekosten zijn geen (slechts ten dele in aanmerking te nemen) aftrekbare kosten, maar - zoals hiervoor onder 1.1 is overwogen - een vermindering van de overeengekomen huur. Van de vermelde aftrekbare kosten wordt een gedeelte groot (40% van ƒ 14.341 =) ƒ 5.736 niet in aanmerking genomen. De inspecteur heeft niet gesteld dat ook het bedrag van de afschrijving moet worden gecorrigeerd. Het Hof acht dat terecht, nu belanghebbende in de aangifte is uitgegaan van een aftrekbare afschrijving ter grootte van 15% van de genoten huur en niet van 15% van de economische huurwaarde welke, naar tussen partijen niet in geschil is, voor de panden C-straat en B-straat tenminste ¦ 600 per maand beloopt. Het bedrag van de aftrekbare afschrijving zou derhalve voor deze twee panden moeten worden verhoogd en daar tegenover voor het pand A-straat moeten worden verlaagd welke correcties elkaar opheffen. Nu de inspecteur ter zake een bedrag van ƒ 11.650 heeft gecorrigeerd, moet het vastgestelde belastbare inkomen worden verminderd met (ƒ 11.650 - ƒ 5.736 =) ƒ 5.914.

1.7 Het onzuiver inkomen was bij de aanslagregeling gecorrigeerd tot ƒ 56.207 en wordt nu ƒ 50.293. De drempel voor de giftenaftrek wordt an ƒ 503. Nu bij de aanslagregeling is uitgegaan van een drempel van ƒ 563 moet het inokmen nog met ƒ 60 extra giftenaftrek worden verminderd.

2. Studiekosten

2.1. Belanghebbende stelt - kort en zakelijk weergegeven - het volgende. Aanvankelijk volgde hij een opleiding voor psychotherapeut. Omdat hij merkte dat het werken met groepen hem beter ligt, is hij aanvullende opleidingen gaan volgen, met als doel zich in het bedrijfsleven te gaan presenteren als coach/trainer voor het begeleiden en oplossen van communicatieve en psychologische organisatieproblemen. In dat kader heeft belanghebbende een bijscholingscursus "Instrumenten voor Hulp" gevolgd bij het Instituut A te B. Deze cursus leidt op tot trainer in het niet-reguliere opleidingscircuit. Inmiddels doet belanghebbende onbezoldigd of vrijwel onbezoldigd werkstages bij het "Holistisch Centrum C" te C, zet hij aldaar mannenpraatgroepen op en is hij co-trainer bij communicatietrainingen. Belanghebbende stelt in dit verband dat zijn inkomen bij zijn pensionering met ongeveer ƒ 16.000 per jaar vermindert en dat hij poogt die vermindering te compenseren door inkomsten als groepstrainer te gaan verwerven.

2.2. De inspecteur stelt daartegenover dat niet aannemelijk is dat belanghebbende de cursus volgt met een ander oogmerk dan persoonlijke interesse en evenmin dat belanghebbende zijn met de cursus opgedane kennis in het economische verkeer rendabel kan maken.

2.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de weerspreking door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs kon of kan verwachten op basis van de door hem gevolgde cursus binnen redelijke tijd inkomen te zullen verwerven. Daarop wijst ook de omstandigheid dat belanghebbende ten tijde van de zitting (bijna drie jaar na afloop van het onderhavige jaar) niet of nauwelijks dergelijke inkomsten verwerft en dat daarop ook geen concrete vooruitzichten bestaan. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende deze cursus vooral om persoonlijke redenen heeft gevolgd. De kosten kunnen niet worden aangemerkt als uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

3. Conclusie

3. Uit het vorenoverwogene volgt dat het vastgestelde belastbare inkomen (ƒ 40.782) met ƒ 5.914 + ƒ 60 = ƒ 5.974 moet worden verminderd tot ƒ 34.808.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen van een zitting te Amsterdam door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op € 15.

De uitspraak is gedaan op 17 december 2002 door mr. Beukers-Van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.