Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2973

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2002
Datum publicatie
16-01-2003
Zaaknummer
00/02632
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur mag van standpunt terugkomen als belanghebbende voldoende mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 19 juli 2000, ingediend door A. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagte-kend 14 juli 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1998. Het beroep is aangevuld bij brief met dagtekening 5 september 2000.

1.2. Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverze-keringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.806 met toepassing van tariefgroep 2. Belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag is door de inspecteur bij de bestreden uitspraak afgewezen. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belast-baar inkomen van ƒ 21.093 met toepassing van tariefgroep 4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot vermindering van het belastbare inkomen tot ƒ 27.154 met toepassing van tariefgroep 2.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep van belanghebbende was aanvankelijk gepland op 17 oktober 2001. Belanghebbendes gemachtigde heeft het Hof op 18 september 2001 geschreven dat hij op die datum verhinderd was, omdat hij op 17 oktober 2001 reeds een zitting had staan; bijgevoegd was een lijstje met verhinderdata.

Het Hof heeft de gemachtigde vervolgens op 23 oktober 2001 een uitnodiging gestuurd voor een mondelinge behandeling op 20 november 2001, een datum waarop de gemachtigde volgens genoemd lijstje niet verhinderd was. De gemachtigde heeft het Hof op 26 oktober 2001 geschreven dat hij op die datum verhinderd was, omdat hij op die datum 'al een zitting (…) te Q had staan'; bijgevoegd was een lijstje met verhinderdata.

Het Hof heeft de gemachtigde vervolgens op 7 november 2001 een uitnodiging gestuurd voor een mondelinge behandeling op 11 december 2001, een datum waarop de gemachtigde volgens het laatst genoemde lijstje niet verhinderd was. Bij faxbericht van 10 december 2001 berichtte de gemachtigde het Hof dat hij en belanghebbende afzagen van het bijwonen van de mondelinge behandeling van het beroep.

Het beroep is ter zitting van 11 december 2001 behandeld alwaar uitsluitend B namens de inspecteur is verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is het Hof tot het oordeel is gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat het heropend diende te worden. Hierna heeft het Hof partijen schriftelijk op 14 december 2001 uitgenodigd voor een nieuwe mondelinge behandeling op 17 januari 2002 om 8.45 uur. Op verzoek van de gemachtigde is de mondelinge behandeling - met goedvinden van de inspecteur - verschoven naar 18 januari 2002 om 8.45 uur. Bij faxbericht van 17 januari 2002 heeft de gemachtigde het Hof bericht niet ter zitting te zullen verschijnen en voor zijn standpunt te verwijzen naar de reeds overgelegde stukken.

Het Hof heeft het beroep op 18 januari 2002 gelijktijdig behandeld met het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar inzake de inkomstenbelasting 1999. Op genoemde zitting is uitsluitend B namens de inspecteur verschenen.

1.4. Op 1 februari 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 13 februari 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief ter griffie ontvangen op 11 maart 2002 heeft A verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 36 is tijdig op de bankrekening van het Hof gestort.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende woonde in het jaar 1998 met haar op 1 januari 1998 geboren zoon aan de A-straat 1 te Z. Volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond in de periode van 28 januari 1998 tot en met 31 december 1998 ook de vader van belanghebbendes zoon op het vorengenoemde adres ingeschreven.

2.2. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar via Gak Nederland B.V. (hierna het Gak) belastbare inkomsten genoten uit een WW-uitkering (ƒ 16.782) en uit een Ziek-tewetuitkering (ƒ 16.387). Van de Stichting Y heeft belanghebbende voor het onderhavige jaar een jaaropgave ontvangen met een bedrag van ƒ 7.504 aan "Loon voor loonheffing".

2.3. Belanghebbende heeft haar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksver-zekeringen voor het onderhavige jaar, ook na herhaald verzoek, niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn ingediend. Met dagtekening 1 februari 2000 heeft de inspecteur belanghebbende een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.806 met toepassing van tariefgroep 2. Het belastbaar inkomen is opgebouwd uit de onder 2. hiervoor genoemde bedragen, verminderd met een arbeidskostenforfait ad ƒ 2.867.

2.4. Van belanghebbende is op 19 juli 2000 een beroepschrift ter griffie van het Hof binnengekomen. Als motivering van haar beroep heeft belanghebbende een aangifte-biljet ingestuurd. Belanghebbende vermeldt in haar aangifte uitsluitend de inkomsten, genoten via het Gak en claimt een bedrag van ƒ 10.652 als negatief loon. Voorts geeft belanghebbende in de aangifte aan te voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van tariefgroep 4. Belanghebbende heeft bij de aangifte een aan haar gericht schrijven gevoegd met als opschrift "Specificatie terugvordering". In het schrijven, dat kennelijk is afgegeven door het Gak, staat onder meer:

"Periode van 21-10-1996 tot 07-06-1998

(…)

Totaal onverschuldigd betaald (…) f 11004,34"

Na verrekening van de 'werknemersdelen premies sociale verzekeringen' resteert - volgens het Gak - een 'terugvorderingsbedrag' van ƒ 10.652,59.

2.5. Met dagtekening 20 oktober 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief verzonden, waarin ondermeer het navolgende is opgenomen:

"Betreft

Intrekken beroepschrift

(...)

Bij de door u alsnog overgelegde stukken (waaronder het aangiftebiljet E 1998) is een specificatie van de terugvordering van het Gak als bijlage opgenomen. Nu duidelijk is waaruit dit bedrag is op-gebouwd ben ik bereid het volledige bedrag van f 10.652 als negatief loon in aanmerking te nemen. Op dit punt wil ik dus aan uw beroep tegemoet komen.

Wel dient te worden opgemerkt dat in de aangifte van uw cliënt is verzuimd een bedrag aan inkom-sten op te nemen. Het betreft inkomsten van Stichting Y ad. f 7.504 (ingehouden loonheffing nihil). Met dit bedrag is echter wel reeds rekening gehouden bij het opleggen van de aanslag. De inkom-sten uit arbeid bedragen hierdoor totaal f 40.673 (loonheffing f 7.788). Het arbeidskostenforfait hierover bedraagt f 2.867. Met dit bedrag is eveneens al rekening gehouden.

Op grond van het voorgaande wil ik het belastbaar inkomen als volgt vaststellen:

Eerder vastgesteld belastbaar inkomen f 37.806

Correctie negatief loon f 10.652 af

----------

Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen f 27.154

Hierbij rekening houdend met tariefgroep 2, aangezien uw cliënt gedurende 1998 niet meer dan zes maanden een huishouden heeft gevoerd met uitsluitend haar zoontje.

Graag zou ik van u willen vernemen of u met het voorgaande akkoord kunt gaan en bereid bent het beroepschrift in te trekken."

De inspecteur heeft als bijlage bij deze brief een zogenoemde "Verklaring Intrekking beroepschrift" aan belanghebbende toegestuurd.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil naar welk bedrag belanghebbendes belastbaar inkomen dient te worden vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op toepassing van tariefgroep 4.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd:

Door de inspecteur: Bij nadere bestudering van de dossiers blijkt dat belanghebbende de terugbetaling aan het Gak in beide jaren heeft opgevoerd. Belanghebbende heeft het bedrag in 1999 terugbetaald. Er is geen ruimte voor aftrek in 1998.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Uit het feit dat belanghebbende in haar aangifte, die zij als motivering voor haar beroep heeft ingediend, niet het bedrag van ƒ 7.504 heeft opgenomen dat zij volgens een jaaropgaaf van de Stichting Y heeft genoten, leidt het hof af dat belanghebbende kennelijk meent dat dit bedrag buiten haar belastbare inkomen moet blijven. Belang-hebbende is voorts van mening dat zij recht heeft op het als negatief loon in aanmerking nemen van het aan het Gak verschuldigde bedrag van ƒ 10.652. Daarnaast leidt het Hof uit de aangifte af dat belanghebbende meent dat zij voldoet aan de voor-waarden voor toepassing van tariefgroep 4.

5.2. De inspecteur stelt dat de inkomsten, die belanghebbende heeft gegenereerd bij Stichting Y wel degelijk tot belanghebbendes belastbare inkomen behoren. Hij is van oordeel dat uit de (door belanghebbende overgelegde) jaaropgave valt op te maken dat belanghebbende de inkomsten daadwerkelijk heeft genoten. Daarnaast heeft de inspec-teur ter zitting van 11 december 2001 een nieuwe feitelijke stelling, waardoor een nieuw geschilpunt ontstond, aangevoerd. De inspecteur heeft ter zitting namelijk gesteld dat hem bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling is opgevallen dat belanghebbende het aan het Gak verschuldigde bedrag van ƒ 10.652 twee maal in aftrek heeft gebracht, namelijk zowel in 1999 als in 1998. Na bestudering van de stukken is de inspecteur tot de conclusie gekomen dat belanghebbende genoemd bedrag uitsluitend in 1999 heeft voldaan en dat er geen ruimte is voor aftrek in het jaar 1998.

5.3. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur aan de hand van de door belanghebbende zelf overgelegde jaaropgave voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende van Stichting Y belastbare inkomsten heeft genoten ten bedrage van ƒ 7.504.

5.4. Met betrekking tot het nieuwe, door de inspecteur op de zitting van 11 december 2001, naar voren gebrachte geschilpunt is het volgende van belang. Het Hof heeft de gemachtigde op 14 december 2001 schriftelijk bericht welke nieuwe stelling de in-specteur ter zitting had betrokken. Het Hof heeft belanghebbende vervolgens de mogelijkheid geboden om hierop te reageren tijdens een tweede mondelinge behande-ling die op 17 januari 2002 zou plaatsvinden, maar op verzoek van de gemachtigde naar 18 januari 2002 is verschoven. Daags tevoren heeft de gemachtigde het Hof bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en voor zijn standpunt te verwijzen naar de reeds - voor de zitting van 11 december 2001 - overgelegde stukken.

Nu belanghebbende voldoende gelegenheid is geboden om zich behoorlijk tegen de nieuwe stelling van de inspecteur te verweren, is het Hof van oordeel dat deze stelling niet buiten beschouwing mag worden gelaten.

5.5. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij in 1998 een bedrag aan het Gak heeft terugbetaald. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende uitsluitend in 1999 een bedrag wegens onverschuldigde betaling aan genoemde instantie heeft terugbetaald, welk bedrag door de inspecteur als negatief loon in 1999 is geaccepteerd. Voor aftrek in het jaar 1998 is derhalve geen ruimte.

5.6. Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen 1998 te kennen gegeven, dat zij voldoet aan de criteria voor toepassing van tariefgroep 4. De inspecteur heeft belanghebbende in tariefgroep 2 ingedeeld, omdat belanghebbende zijns inziens in het jaar 1998 niet gedurende meer dan zes maanden met uitsluitend haar zoontje een huishouding heeft gevoerd.

5.7. In artikel 55 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is samengevat het volgen-de bepaald:

"- 5. De (…) belastingplichtige geniet de alleenstaande-ouderaftrek indien hij, ongehuwd zijnde, in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met een kind of pleegkind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden, en hij deze huishouding gedurende die tijd heeft gevoerd met geen ander dan kinderen of pleegkinderen die bij de aanvang van het kalen-derjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt."

5.8. Belanghebbende kan worden ingedeeld in tariefgroep 4, indien zij voldoet aan de voorwaarden, zoals gesteld in lid 5 van artikel 55 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

5.9. Het Hof begrijpt uit de gedingstukken, dat slechts in geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende gedurende meer dan zes maanden met uitsluitend haar zoontje een huishouding heeft gevoerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk ge-maakt dat zij aan deze voorwaarde voldoet. Het Hof acht voor dit oordeel mede redengevend dat belanghebbende op geen enkele wijze een verklaring heeft gegeven voor het feit dat de vader van haar zoontje op haar adres stond ingeschreven.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 1 juli 2002 ter vervanging van de mondelinge uitspraak door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanoni-miseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechts-hof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.