Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2763

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
01/03622
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS4099
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een vuilstort en gebruikt voor het verharden van wegen puin en bakovenpuin. Met name omdat de stoffen maatschappelijk gezien afvalstoffen zijn, de particulieren het puin naar de stort brachten om zich ervan te ontdoen, het bakovenpuin een produktresidu is, het puin niet aangewend werd overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming, is sprake van afvalstoffen (verwijzingsuitspraak na HR nr 35.348)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/18.2.15
FutD 2003-0052 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. De Hoge Raad heeft op 2 november 2001 onder nummer 35.348 arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te `s-Gravenhage van 14 april 1999, nr. BK-97/02283, betreffende de over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 juli 1996 aan belanghebbende op-gelegde naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting ten bedrag van ƒ 126.989 aan enkelvoudige belasting, met over een bedrag van ƒ 72.328 een verhoging van 100%, waarvan bij het vaststellen van de naheffingsaanslag 75 percent is kwijtgescholden. Deze naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de in-specteur verminderd tot een aanslag ten bedrage van ¦ 111.163 aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100 percent over een bedrag van ƒ 46.078. Het besluit om van de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging 75 percent kwijt te schelden, is daarbij gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te `s-Gravenhage heeft bij voormelde uitspraak van 14 april 1999 de uitspraak waarvan beroep en de naheffingsaanslag vernietigd. De Hoge Raad heeft de uit-spraak van genoemd hof vernietigd, behoudens de beslissing om-trent het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inacht-neming van zijn arrest.

1.3. Bij brief van 26 november 2001 heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke toelichting te geven omtrent het geschil na verwijzing. De inspecteur heeft op 7 februari 2002 van die mogelijkheid gebruik gemaakt, de belanghebbende op 19 februari 2002. De reacties zijn toegezonden aan de respectie-velijke wederpartijen.

1.4. Ter zitting van 4 april 2002 zijn verschenen mr. A en drs. B, namens belanghebbende, en C, ter bijstand van belanghebbende, alsmede namens de inspecteur mr. D.

Belanghebbende en de inspecteur hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Beiden hebben een bijlage bijgevoegd. De bijlage van belanghebbende is een schriftelijke toezegging van de inspecteur gedagtekend 19 maart 1999, waarin de inspecteur toezegt dat hij de onderhavige naheffingsaanslag ambtshalve zal vermin-deren in geval het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder: het Hof van Justitie) inhoudt dat de Wbm gedurende de periode 1 januari tot en met 30 juni 1995 of een andere periode onverbindend is.

Belanghebbende en de inspecteur hebben van de bijlage van de wederpartij kennis kunnen nemen en hebben zich erover kunnen uitlaten.

2. Geding na cassatie

2.1. De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest onder 3.3.3 en 3.3.4 overwogen:

3.3.3. De omstandigheid dat de wetgever de in de vermelde kaderrichtlijn afvalstoffen gegeven definitie van afvalstof in de Wet milieubeheer nog heeft uitgebreid met de voorwaarde dat het (al of niet beoogde of gedwongen) ontdoen door de houder geschiedt met het oogmerk van verwijdering, speelt in de onderhavige zaak geen rol, omdat de wetgever onder 'verwijdering' in dit verband ook begreep hergebruik en nuttige toepassingshandelingen. Voor het overige volgt uit het voorgaande dat het begrip 'afvalstoffen' in de Wet milieubeheer en dus ook in de Wbm naar de bedoeling van de wetgever geen andere inhoud heeft dan dat begrip heeft voor de toepassing van de voormelde kaderrichtlijn afvalstoffen.

3.3.4. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97, gepubliceerd in AB 2000, 311, blijkt, voor-zover hier van belang, dat bij de uitleg van het begrip afvalstof voor de kaderrichtlijn afvalstof-fen de toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof niet van invloed is op het karak-ter van afvalstof van die stof (par. 64), dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daaronder niet vallen stoffen en voorwerpen die op milieuhygiënisch verantwoorde wijze en zonder ingrijpende bewerking nuttig kunnen worden toegepast als brandstof (par. 65), en dat maatschappelijke opvattingen niet ter zake dienend zijn, doch wel een aanwijzing kun-nen zijn dat sprake is van een afvalstof (par. 71).

2.2. Omdat het gerechtshof te `s-Gravenhage in zijn uitspraak van 14 april 1999, al-dus de Hoge Raad, aan het begrip afvalstof een beperktere inhoud heeft gegeven dan daaraan voor de uitleg van de kaderrichtlijn afvalstoffen blijkens het onder 3.3.4 vermelde arrest van het Hof van Justitie toekomt, en derhalve ook een beperktere in-houd dan daaraan voor de toepassing van Hoofdstuk III van de Wbm toekomt, kon voornoemde uitspraak van het gerechtshof te `s-Gravenhage niet in stand blijven.

2.3. Het Hof zal moeten onderzoeken of de onderwerpelijke stoffen moeten worden aangemerkt als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Voor de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het Hof in de eerste plaats naar de feiten die zijn omschreven in onderdeel 3 van de onder 1.2 vermelde uit-spraak van het gerechtshof te `s-Gravenhage. Het Hof stelt in aanvulling daarop nog de volgende feiten vast.

3.2. Belanghebbende exploiteerde in het tijdvak van de naheffing een, als inrichting in de zin van hoofdstuk III van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) aan te merken stortplaats (hierna de vuilstortplaats). Voor het verharden van werkwegen op de vuilstortplaats gebruikte belanghebbende onder meer 3.169 ton puin dat om niet is verkregen van particulieren (verder het puin), alsmede 2.477 ton bakovenpuin af-komstig van de nabijgelegen E NV.

3.3. Het puin wordt, nadat het door particulieren aan de inrichting van belangheb-bende is afgegeven, voor een deel rechtstreeks als verhardingsmateriaal van werk-wegen op de vuilstortplaats gebruikt en voor een deel wordt het als zodanig door belanghebbende gebruikt nadat het in een puinbreker is bewerkt.

Het bakovenpuin komt vrij bij de productie van aluminium en is een zogenoemd productresidu. Belanghebbende behoeft het niet te verwerken en kan het direct na aflevering door E NV als verhardingsmateriaal van werkwegen gebruiken.

3.4. Belanghebbende heeft ter zake van de afgifte van het puin en bakovenpuin geen afvalstoffenbelasting op aangifte voldaan. De inspecteur, van mening zijnde dat die belasting wel verschuldigd is, heeft te dier zake de onderwerpelijke naheffingsaan-slag opgelegd.

4. Geschil

In geschil is of de aan de inrichting van belanghebbende afgegeven stoffen waar de onderhavige naheffingsaanslag betrekking op heeft, afvalstoffen zijn in de zin van artikel 12, aanhef en onderdeel a, van de Wbm.

5. Standpunten van partijen

5.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht:

Ik trek mijn beroep op de ongeldigheid van de afvalstoffenbelasting in.

Het door particulieren aangeboden puin wordt in een aparte container gestort. Grote delen worden in de puinbreker verwerkt tot kleinere stukken, de rest kan direct als wegverharding worden gebruikt.

We krijgen van particulieren en derden onvoldoende materiaal voor erfverharding, we moeten bijkopen.

Voor E NV is het aantrekkelijk om bakovenpuin aan belanghebbende te leveren. Weliswaar krijgt ze slechts ƒ 1 per ton maar ze heeft nagenoeg geen trans-portkosten omdat het bedrijf naast de vuilstortplaats van belanghebbende ligt. Van de cementindustrie kan E NV ƒ 9 per ton krijgen, maar dan heeft ze veel hogere transportkosten.

5.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

De boete kan vervallen omdat sprake is van een verdedigbaar standpunt.

Puin bevat giftige stoffen (verfresten, behangerslijm, etc.). Dat geldt ook voor bak-ovenpuin.

Voor de afvalstoffenbelasting is het tijdstip van afgifte van de stoffen het uitgangs-punt.

6. Beoordeling van het geschil

6.1.1. In artikel 12 van de Wbm, in de tot 1 januari 2000 geldende tekst, is bepaald dat voor de toepassing van hoofdstuk III van die wet onder 'afvalstoffen' wordt ver-staan: huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer. Blijkens artikel 1.1, lid 1, van laatstvermelde wet wordt onder 'afvalstoffen' verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voor-nemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

6.1.2. Naar de bedoeling van de wetgever heeft het begrip 'afvalstoffen' in de Wbm geen andere inhoud dan dat begrip heeft voor de toepassing van de kaderrichtlijn afvalstoffen (richtlijn 75/442/EEG), zoals deze richtlijn is herzien bij richtlijn 91/156/EEG (verder de kaderrichtlijn). In artikel 1 van de kaderrichtlijn wordt het begrip afvalstof omschreven als elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I bij die richtlijn genoemde categorieën, waarvan de houder zich ontdoet voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder het Hof van Justitie) van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97, gepubliceerd in Administratiefrechtelijke Beslissingen 2000, 311, blijkt, voorzover hier van belang,

- dat bij de uitleg van het begrip afvalstof voor de kaderrichtlijn afvalstof-fen de toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof niet van invloed is op het karakter van afvalstof van die stof (par. 64),

- dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daar-onder niet vallen stoffen en voorwerpen die op milieuhygiënisch verant-woorde wijze en zonder ingrijpende bewerking nuttig kunnen worden toegepast als brandstof (par. 65), en

- dat maatschappelijke opvattingen niet ter zake dienend zijn, doch wel een aanwijzing kunnen zijn dat sprake is van een afvalstof (par. 71).

6.1.3. Het Hof van Justitie heeft tevens overwogen dat, gelet op de doelstelling van de kaderrichtlijn, het begrip afvalstof niet restrictief moet worden uitgelegd en dat de vraag of inderdaad sprake is van een afvalstof in de zin van de kaderrichtlijn, moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de kaderrichtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

Met betrekking tot het puin

6.2.1. Op basis van de feiten, tezamen genomen en in hun onderling verband bezien, is aannemelijk dat het puin ontstaan is bij de afbraak of verwoesting van bouwwer-ken en dergelijke, dat de particulieren die houders waren van dit materiaal het niet verder konden gebruiken en dat zij het naar de vuilstortplaats brachten om zich ervan te ontdoen. Tevens is aannemelijk dat belanghebbende het puin niet aanwendt over-eenkomstig de bestemming die dit materiaal oorspronkelijk had. Puin wordt voorts naar maatschappelijke op-vattingen als afvalstof opgevat.

6.2.3. In het licht van hetgeen het Hof van Justitie in zijn voormelde arrest voor recht heeft verklaard, liggen in het hiervoor onder 6.2.1 overwogene diverse aanwijzingen besloten dat de vorige houders van het puin - de eerder genoemde particulieren - zich van dat materiaal hebben ontdaan in de zin van art. 1 aanhef en onder a van genoemde richtlijn. Dat het puin zonder ingrijpende bewerking en zonder dat de samenstelling ervan veranderde door belanghebbende nuttig is toegepast, doet aan het vorenstaande niet af. Verder is het Hof niet gebleken van feiten of omstandig-heden die moeten leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een zich ontdoen, een voornemen zich te ontdoen of een noodzaak zich te ontdoen.

6.2.4. Belanghebbende heeft gesteld dat het puin het product is van een bewerkings-proces om het als bouwstof geschikt te maken. Naar het oordeel van het Hof ziet belanghebbende hierbij over het hoofd dat het puin geen product is dat in de inrich-ting is ontstaan, maar materiaal is dat door particulieren bij de vuilstortplaats is af-gegeven.

6.2.5. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat het puin, zo dit al het karakter van afvalstof zou hebben gehad, dit karakter door de bewerking ervan in de puinbreker heeft verloren.

In geval het puin bij de afgifte aan de vuilstortplaats een afvalstof is, is het naar het oordeel van het Hof, gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof en gelet op rechtsoverweging 3.3.4. van de Hoge Raad in het verwijzingsarrest, niet meer van belang of dat puin daarna door de genoemde bewerking het karakter van afvalstof heeft verloren.

Met betrekking tot het bakovenpuin

6.3.1. Vaststaat dat het bakovenpuin als zogenoemd productresidu bij E NV is ontstaan. Dit betekent dat het productieproces bij E NV gericht was op het produ-ceren van andere stoffen dan bakovenpuin en dat het bakovenpuin het niet-beoogde en onvermijdelijke gevolg was van het productieproces van E NV.

6.3.2. Op basis van de feiten tezamen genomen en in hun onderling verband bezien is aannemelijk dat E NV het bakovenpuin niet verder in haar bedrijf kon aanwenden en dat zij haar productieproces op basis van marktoverwegingen met betrekking tot het produceren van bakovenpuin niet bewust en direct kon of wilde sturen.

Daarbij komt dat het bakovenpuin valt onder categorie Q8 van bijlage I behorende bij de kaderrichtlijn. Voorts kan het bakovenpuin naar maatschappelijke opvattingen als afvalstof kan worden opgevat.

6.3.4. In het licht van hetgeen het Hof van Justitie in zijn voormelde arrest voor recht heeft verklaard, liggen in het hiervoor onder 6.3.1 en 6.3.2 overwogene diverse aan-wijzingen besloten dat de vorige houder van bakovenpuin - het eerdergenoemde E NV - zich van die stof heeft ontdaan in de zin van art. 1 aanhef en onder a van genoemde richtlijn. Dat er, zoals de inspecteur heeft gesteld, geen storttarief voor het bakovenpuin aan E NV in rekening is gebracht en E NV ook geen vergoeding voor het bakovenpuin heeft ontvangen, dan wel dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, E NV een vergoeding van ƒ 1 per ton van belanghebbende ontvangen heeft of meer dan ƒ 1 per ton van anderen kon ontvangen (waarbij in aanmerking genomen moet worden dat de transportkosten voor E NV bij het afleveren aan belanghebbende, haar buurman, beduidend lager zijn dan bij aflevering aan derden) doet hier niet aan af, nu aannemelijk is dat het bakovenpuin een productresidu is, E NV van het bakovenpuin afwilde en zich ervan ontdaan heeft door het aan de vuilstortplaats af te geven. Voorts doet aan het vorenstaande niet af dat het bakoven-puin door belanghebbende zonder enige bewerking nuttig is toegepast. Verder is het Hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat geen sprake is van zich ontdoen, een voornemen zich te ontdoen of een noodzaak zich te ontdoen.

6.3.5. Belanghebbende heeft gesteld dat het bakovenpuin overeenkomstig zijn oor-spronkelijk bestemming kon worden toegepast. Kennelijk meent belanghebbende dat de oorspronkelijke bestemming van het bakovenpuin de wegverharding op de vuil-stortplaats was. Dit standpunt is niet verder toegelicht en ook onbegrijpelijk. Immers belanghebbende heeft zelf opgemerkt dat het bakovenpuin een productresidu is en uit de feiten en uit de rechtsoverwegingen - en dan met name uit rechtsoverweging 6.3.4 - blijkt dat de leverancier het bakovenpuin niet verder kon gebruiken en van het bak-ovenpuin afwilde. Alsdan kan niet gezegd worden dat de oorspronkelijke bestem-ming van het bakovenpuin de wegverharding op de vuilstortplaats is.

6.4. Met betrekking tot het puin en het bakovenpuin heeft belanghebbende ook ge-steld dat het schone stoffen waren en dus als primaire stoffen konden worden beschouwd. Belanghebbende heeft zich daarbij beroepen op de uitspraak van de Af-deling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2001, Nr. E03.97.1224/1, gepubliceerd in Administratiefrechtelijke Beslissingen 2001,159.

In een geval als het onderhavige, waarin het Hof tot het oordeel is gekomen dat de particulieren en E NV zich met het oog op de verwijdering van het puin en het bakovenpuin hebben ontdaan, is het - gelet de jurisprudentie van het Hof van Justitie en gelet op rechtsoverweging 3.3.4 van de Hoge Raad in het verwijzingsarrest - voor het antwoord op de vraag of het puin en het bakovenpuin afvalstoffen zijn, niet van belang of deze stoffen als schone of primaire stoffen konden worden beschouwd.

6.5. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het de afvalstoffenbelasting niet kan doorberekenen en dat daarom de onderhavige naheffingsaanslag ten onrechte is op-gelegd. Die stelling berust naar het oordeel van het Hof op een juridisch onjuist uit-gangspunt.

6.6. Belanghebbendes verweer dat het tarief voor het storten niet van toepassing is omdat het puin en het bakovenpuin niet zijn gestort maar 'op een milieuhygiënische verantwoorde wijze nuttig zijn gebruikt zonder nadere bewerking te ondergaan en zonder dat daarvoor nadere voorzieningen zijn getroffen', faalt reeds omdat een der-gelijk verweer dat niet eerder in de loop van het geding is gevoerd, niet meer met succes in dit stadium van de procedure kan worden ingebracht.

6.7. Tot slot heeft belanghebbende gesteld dat het puin en het bakovenpuin geen af-valstoffen zijn, omdat het zogeheten positieve-prijs-beginsel van toepassing is. Genoemd beginsel houdt gelet op de bijlagen die belanghebbende bij zijn pleitnota gevoegd heeft, naar de mening van belanghebbende kennelijk in dat van een afval-stof geen sprake is indien de houder van de inrichting voor de stoffen die hij bijvoor-beeld voor een weg of een afdichtlaag gebruikt betaalt in plaats van dat hij daar een (eventueel verlaagd) storttarief in rekening brengt. Voorzover belanghebbende zijn stelling op de uitleg van het begrip afvalstoffen in de zin van artikel 12, aanhef en onderdeel a, van de Wbm baseert, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de uitleg van dat begrip is immers niet van belang of de houder van de inrichting voor de stoffen betaalt.

Voorzover belanghebbende met zijn beroep op het positieve-prijs-beginsel stelt dat de aanslag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder met het vertrouwensbeginsel, faalt het omdat een dergelijk verweer dat niet eerder in de loop van het geding gevoerd, is niet meer met succes in dit stadium van de procedure kan worden ingebracht.

6.8. Ook al het overige door belanghebbende aangevoerde houdt niet in dat het puin of het bakovenpuin geen afvalstoffen in de zin van artikel 12, aanhef en onderdeel a, van de Wbm zijn. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

6.9. Ter zitting bleken partijen het erover eens te zijn dat in de naheffingsaanslag ten onrechte ƒ 13.169 is begrepen dat betrekking heeft op 451,26 ton aan de inrichting van belanghebbende afgegeven lichtverontreinigde grond.

6.10. In zijn pleitnota voor het Hof heeft de inspecteur geconcludeerd dat belangheb-bendes standpunt onjuist maar verdedigbaar is en dat om die reden ten onrechte een verhoging is opgelegd.

6.11. Op grond van hetgeen onder 6.8 tot en met 6.10 is overwogen, is het beroep gegrond en moet de aanslag met ƒ 13.169 tot ƒ 97.994 worden verminderd en dient de verhoging te vervallen.

7. Proceskosten

Gelet op artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten

- in de kosten van het geding voor het gerechtshof te `s-Gravenhage, en

- in de kosten van het geding voor het Hof.

Het Hof schat de kosten van het geding voor het gerechtshof te `s-Gravenhage op grond van het Besluit pro-ceskosten fiscale procedures op [1 (voor het beroepschrift) + 0,5 (voor het schrijven van een conclusie van repliek) + 1 (voor het verschijnen bij de mondelinge behan-deling)] x 2 (voor het gewicht van de zaak) x ƒ 710, zijnde ƒ 3.550.

De kosten van het geding voor het Hof schat het Hof op [(1 voor het verschijnen bij de mondelinge behandeling + 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen) x 2 (voor het gewicht van de zaak) x ƒ 710 =] ƒ 2.130.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een bedrag van ƒ 97.994 aan enkelvoudige belasting;

- vernietigt het besluit tot het opleggen van een verhoging;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.577,47 (¦5.680) en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 19 december 2002 door mrs. Onnes, voorzitter, Boersma en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.