Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2408

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
23-12-2002
Zaaknummer
02/02652 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hof onderzoekt ingevolge artikel 6:15 Awb de ontvankelijkheid van belanghebbende in beroep. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/25.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur, gedagtekend 22 februari 2002, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 december 2002.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gronden

1. Met dagtekening 13 juli 2001 is aan belanghebbende, overeenkomstig de ingediende aangifte, een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 33.260.

2. In de bezwaarfase doet belanghebbende alsnog beroep op een aftrek ter zake van ziektekosten, levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar, levensonderhoud van overige naaste verwanten, alsmede op aftrek van giften. De inspecteur accepteert een aftrek ter zake van ziektekosten ten bedrage van ¦ 2.226 (na drempel) alsmede een aftrek ter zake van levensonderhoud van een kind jonger dan 27 jaar ten bedrage van ¦ 5.400, waarna hij het belastbaar inkomen bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 22 februari 2002, vermindert tot ¦ 25.634.

3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak een beroepschrift ingediend, gedagtekend 18 april 2002, hetgeen terzelfder dag ter griffie van het Gerechtshof is ingekomen. Met zijn beroep beoogt belanghebbende de aftrek van ¦ 5.400 te verhogen tot ¦ 8.100. Aan het beroepschrift is behalve de uitspraak op bezwaar, een afschrift van een brief van de inspecteur gehecht, gedagtekend 5 april 2002, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

"Geachte heer X,

Naar aanleiding van uw brief van 30 maart 2002 moet ik u mededelen dat u mij de gevraagde bewijsstukken (…) niet heeft overgelegd. U deelt mij slechts mede dat uw dochter uitwonend is en dat u f 76 per week heeft overgemaakt. (…) Overigens wil ik erop wijzen dat ik de brief van 30 maart 2002 niet als beroepschrift in aanmerking kan nemen. Een beroepschrift dient u in te dienen bij het Gerechtshof en niet bij de inspecteur."

In zijn verweerschrift concludeert de inspecteur primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens termijnoverschrijding en subsidiair tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Gelet op de dagtekening van 22 februari 2002 van de bestreden uitspraak, moest het beroepschrift uiterlijk zijn ingediend op 5 april 2002. Nu het beroepschrift is ingediend op 18 april 2002 en belanghebbende niets heeft aangevoerd dat toepassing van artikel 6:11 van de Awb rechtvaardigt, is het beroep mitsdien in zoverre te laat en daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de brief van belanghebbende van 30 maart 2002, waarnaar wordt verwezen in de onder 3 vermelde brief van de inspecteur van 5 april 2002, moet worden aangemerkt als een overeenkomstig artikel 6:15 van de Awb door te zenden beroepschrift waarop het beroepschrift van 18 april 2002 alsdan een aanvulling vormt, zal het Hof onderzoeken of voor dat geval sprake is van een tijdig ingesteld beroep.

5. Voor de vraag of het als vorenbedoeld verondersteld aanwezige beroepschrift tijdig is ingediend is van belang dat het bepaalde in artikel 6:15, derde lid, van de Awb met ingang van 1 april 2002 is gewijzigd.

Als de inspecteur de brief van 30 maart 2002 heeft ontvangen vóór 1 april 2002, is het volgende in aanmerking te nemen. Er is gesteld noch gebleken dat met betrekking tot de brief van 30 maart 2002 zich een van de omstandigheden als bedoeld in de toenmalige tekst van evengenoemd derde lid heeft voorgedaan. In zoverre is van tijdige indiening van de brief van 30 maart 2002 geen sprake. Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1999, nr. 34.984, gepubliceerd in BNB 2000/39, kan niettemin de niet doorgezonden brief van 30 maart 2002 worden geacht te zijn ingediend bij het Hof twee weken na 30 dan wel 31 maart 2002, dat wil zeggen op 13 dan wel 14 april 2002. Dit is ruimschoots na de einddatum van 5 april 2002 en ook met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb te laat.

6. Als de inspecteur de brief van 30 maart 2002 heeft ontvangen op of na 1 april 2002 geldt op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan - in casu de inspecteur - bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Evenwel blijft blijkens artikel VII, eerste lid, van de Eerste evaluatiewet Awb de wijziging van artikel 6:15, derde lid, van de Awb buiten toepassing ten aanzien van de doorzending van een beroepschrift tegen een besluit - in casu de bestreden uitspraak - dat vóór de datum van de inwerkingtreding van de Eerste evaluatiewet Awb is bekendgemaakt. De datum van de bestreden uitspraak is 22 februari 2002 en ligt vóór de datum van inwerkingtreding van 1 april 2002, zodat deze wetswijziging voor dit geval toepassing mist. Het Hof ziet daarom ervan af de inspecteur alsnog om overlegging van de brief van 30 maart 2002 te verzoeken.

7. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van één van de partijen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 17 december 2002 door mr Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Jonk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het door belanghebbende verschuldigd geworden griffierecht ad € 29 wordt door de griffier teruggegeven na onherroepelijk vaststaan van de uitspraak.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.