Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2405

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
23-12-2002
Zaaknummer
02/01755
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvallen van de grondslag van de overeenkomst leidt tot ontbinding van die overeenkomst onder na te noemen omstandigheden. Erflaatster en zoon weten dat overdracht van aanzienlijk deel van de in erflaatsters bezit zijnde aandelen niet heeft plaatsgevonden. Geen bewijs dat zij deze overdracht alsnog wensten dan wel anderszins enige betekenis toekenden aan de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21592
V-N 2003/4.2.10
V-N 2003/13.23 met annotatie van Redactie
FutD 2003-0045
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de eenheid Registratie en successie P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. De Hoge Raad heeft op 22 maart 2002 onder nummer 36 619 arrest gewezen op het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 september 2000, nr. 99/01130, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak van de inspecteur gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij voormelde uitspraak de uitspraak waarvan beroep bevestigd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van genoemd hof vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

1.3. Bij brief van 2 april 2002 heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke toelichting te geven omtrent het geschil na verwijzing. De inspecteur heeft bij brief van 3 mei 2002 van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

1.4. Ter zitting van 3 oktober 2002 zijn verschenen namens belanghebbende A.hierna: gemachtigde, en namens de inspecteur B.

2. Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest onder 3.3 en 3.4 overwogen:

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat bij de aanslagregeling terecht de verplichting tot levering van de aandelen niet in aanmerking is genomen en dat terecht het saldo van de nalatenschap is verminderd met de in de aangifte opgenomen vordering op belanghebbende. Het heeft daartoe redengevend geacht dat erflaatster en belanghebbende geen uitvoering hebben gegeven aan de hiervoor in 3.1 vermelde overeenkomst.

3.4. De omstandigheid dat partijen ten tijde van het overlijden van erflaatster nog geen uitvoering hadden gegeven aan die overeenkomst, brengt op zich niet mee dat de uit die overeenkomst voor erflaatster voortvloeiende rechten en verplichtingen geen deel uitmaken van de nalatenschap. Daarvoor is nodig dat de partijen bij die overeenkomst ofwel, zoals in de stellingen van de Inspecteur ligt besloten, in weerwil van hun verklaringen in de akte van 19 september 1992 niet de bedoeling hebben gehad een overeenkomst als hiervoor onder 3.1 vermeld te sluiten, ofwel deze overeenkomst na 19 september 1992 hebben ontbonden. Dit een of ander heeft het Hof evenwel niet vastgesteld, zodat 's Hofs oordeel hetzij berust op een onjuiste rechtsopvatting hetzij onvoldoende is gemotiveerd.

De tegen dit oordeel gerichte klachten treffen in zoverre doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

Voor de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het Hof naar de door de Hoge Raad onder 3.1 van zijn arrest omschreven feiten.

4. Geschil

In geschil is of uit de akte van 19 september 1992 rechten en verplichtingen voortvloeiden welke deel uitmaken van de nalatenschap, en zo ja of erflaatster tot haar overlijden het vruchtgebruik van de bij die akte verkochte aandelen heeft genoten.

5. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken, waaronder de onder 1.3 vermelde brief van de inspecteur, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"Tijdens de mondelinge behandeling op het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 6 april 2000 heeft de gemachtigde van de erfgenaam uitleg gegeven over de achtergrond van de aandelenoverdracht van zijn moeder aan hem. Er dreigde een overname van de onderneming door een externe partij en om die overname het hoofd te bieden diende de erfgenaam een zeker percentage aandelen te bezitten waaraan hij niet voldeed. Door de aandelen van zijn moeder te kopen werd zijn aandelenpakket voldoende uitgebreid. Kort na het sluiten van de overeenkomst was de noodzaak een zeker pakket aandelen te bezitten niet langer aanwezig, waardoor het uitvoering geven aan de koopovereenkomst op de achtergrond is geraakt.

Voor zover Uw Hof van oordeel is dat de koopovereenkomst wel over en weer rechten en plichten heeft geschapen blijf ik subsidiair van mening dat ten aanzien van de aandelenoverdracht artikel 10 Successiewet toepassing dient te vinden."

Ter zitting heeft gemachtigde het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aan zijn standpunt toegevoegd:

Ik heb mij niet schriftelijk uitgelaten over het arrest van de Hoge Raad omdat het een vrij helder arrest is. Er is een overeenkomst, daar vloeien verbintenissen uit voort.

Nu rest alleen nog de vraag of er een ontbinding is geweest. Wij beantwoorden die vraag ontkennend, dus blijven de overeenkomst en de verbintenissen bestaan. Daar is verder weinig over te zeggen. Er is ooit gevraagd naar het waarom van de overeenkomst. Indertijd speelde een mogelijke overname van de aandelen C. Belanghebbende was daar directeur en aandeelhouder. Hij had meer aandelen nodig, erflaatster had die, dus hebben ze een overeenkomst gesloten en de bank opdracht gegeven de aandelen over te boeken. Het precieze waarom is mij ook niet duidelijk. Het ging om de zeggenschap. Zowel voor als na de overdracht bezat hij minder dan 5% van de aandelen van deze beursgenoteerde vennootschap. Achteraf bleek dat die extra aandelen niet nodig waren, maar niemand heeft eraan gedacht deze transactie weer terug te draaien. Ik veronderstel dat de overboekingsopdracht aan de bank telefonisch is doorgegeven, ik heb namelijk geen bewijs dat de opdracht op een andere wijze is verstrekt. De bank laat zich hier niet over uit. Noch erflaatster noch belanghebbende heeft gecontroleerd of de bank deze opdracht heeft uitgevoerd. Ze zijn er beiden van uitgegaan dat dit wel het geval was. Daarom hebben ze ook niet eerder actie ondernomen. De overeenkomst is opgesteld door de toenmalige accountant van erflaatster. Toen wij haar belangen gingen behartigen in 1993/1994 bevond zich in het overgedragen dossier geen - afschrift van de desbetreffende - overeenkomst; ik wist dus van niets. Erflaatster heeft de door mij ingevulde aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting weliswaar gezien, maar het is haar daarbij niet opgevallen dat de desbetreffende aandelen zijn aangegeven als haar bezitting en het daaruit ontvangen dividend als door haar genoten inkomsten. Ze was alleen, had nog meer aandelen C en een goed pensioen, dus ze hoefde er ook niet op te letten. Het is haar gewoon niet opgevallen. Wij hebben haar ook adviezen gegeven omtrent vermogensoverheveling, maar over deze overdracht is niet gesproken, omdat we daar niets vanaf wisten. Pas toen ik de concept-aangifte voor het recht van successie aan belanghebbende liet zien, heeft hij mij gewezen op de overeenkomst.

De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd.

Ik meen dat belanghebbende en zijn moeder de aandelen bij de overeenkomst, gedagtekend 19 september 1992 hebben verkocht. Daarna is de overeenkomst evenwel ontbonden. Ik verwijs naar mijn brief van 3 mei 2002. Als de dreiging van een overname van de onderneming de reden was voor het sluiten van de overeenkomst, is er na het verdwijnen van die dreiging geen grond meer voor de overeenkomst; het was ook niet langer de bedoeling van erflaatster en belanghebbende deze in stand te laten; er is dus sprake van een ontbonden overeenkomst. Dat blijkt ook uit hun gedragingen naderhand. Het aandelenkapitaal van de vennootschap beliep DDD miljoen gulden.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De Hoge Raad heeft in onderdeel 3.4 van het verwijzingsarrest geoordeeld dat de uit de verkoopovereenkomst voor erflaatster voortvloeiende rechten en verplichtingen slechts dan geen deel uitmaken van de nalatenschap, indien partijen bij die overeenkomst ofwel, in weerwil van hun verklaringen in de akte van 19 september 1992, niet de bedoeling hebben gehad een overeenkomst te sluiten, ofwel deze overeenkomst na 19 september 1992 hebben ontbonden.

6.2. Gelet op het door de inspecteur ingenomen standpunt, zoals is verwoord in zijn brief van 3 mei 2002 en ter zitting is aangevuld en bevestigd, is tussen partijen niet langer in geschil dat erflaatster en belanghebbende de bedoeling hebben gehad de verkoopovereenkomst te sluiten. Voor de beantwoording van de onder 6.1. opgeworpen vraag behoeft derhalve nog slechts beoordeeld te worden of de overeenkomst na 19 september 1992 is ontbonden.

6.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de reden voor het sluiten van de overeenkomst was gelegen in het vergroten van zijn zeggenschap in C in verband met een dreigende overname van die vennootschap. De inspecteur heeft deze stelling niet betwist, zodat ervan mag worden uitgegaan dat het vergroten van de zeggenschap door belanghebbende in verband met een dreigende overname aan de overeenkomst ten grondslag heeft gelegen. Voorts kan ervan worden uitgegaan dat - naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld - vrij snel na het sluiten van de overeenkomst deze grondslag aan de overeenkomst is ontvallen.

6.4. Voorts moet worden aangenomen dat de uit de overeenkomst voortvloeiende aan de bank gegeven opdracht tot overboeking van de aandelen niet is uitgevoerd. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan erflaatster en hij er redelijkerwijs van konden uitgaan dat dit wel het geval was. De enkele verklaring van belanghebbende dat er geen aandacht meer aan werd besteed omdat de oorzaak aan de overeenkomst was ontvallen acht het Hof daartoe onvoldoende. Mede gelet op de hierna onder 6.5 opgenomen omstandigheden hecht het Hof geen geloof aan de ter zitting afgelegde verklaring van gemachtigde dat zowel erflaatster als belanghebbende ervan zijn uitgegaan dat de overboeking door de bank is uitgevoerd.

6.5.1. De inspecteur heeft gewezen op de gedragingen van erflaatster zoals deze tot uiting zijn gekomen in de door haar gedane aangiften voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

6.5.2. In de aangifte voor het recht van successie is opgenomen dat de verkrijging betrekking heeft op 8.879 aandelen C ter waarde van ƒ a.aaa.aaa. Voorts is een leveringsverplichting aangegeven ter zake van 6.500 aandelen C met een waarde van ƒ b.bbb.bbb, dat is 73% van evenbedoelde verkrijging. Het totaal van de in de verkrijging begrepen effecten is aangeven naar een waarde van ƒ d.ddd.ddd. De gestelde overdracht had mitsdien betrekking op ruim 43% van het totale effectenbezit van erflaatster.

6.5.3. Erflaatster heeft in geen van de door haar ondertekende aangiftebiljetten voor de vermogensbelasting over de jaren 1994 en volgende op enigerleiwijze kenbaar gemaakt dat haar in aandelen belegde vermogen bijna de helft kleiner zou zijn dan aangegeven. Voorts zijn in de aangiften voor de inkomstenbelasting voor de jaren 1993 en 1994 door haar genoten dividenden ter zake van de aandelen C aangegeven tot een bedrag van ƒ ee.eee, welk bedrag in de jaren 1995 en 1996 respectievelijk ƒ gg.ggg en hh.hhh beliep. Uit geen van deze aangiften blijkt dat de desbetreffende dividenden voor 73% niet aan erflaatster, maar aan haar zoon zouden toekomen. Gemachtigde heeft verklaard dat hij de desbetreffende aangiften voor de erflaatster heeft ingevuld en deze ter goedkeuring aan haar heeft voorgelegd. Mede gelet op de met erflaatster gevoerde gesprekken omtrent vermogensoverheveling naar de zoon, hecht het Hof geen geloof aan de stelling van gemachtigde dat erflaatster ten aanzien van de genoemde punten geen aandacht heeft besteed aan deze aangiften.

6.6. Voorts volgt uit hetgeen gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat hij bij de overname van het dossier van erflaatster niets heeft aangetroffen wat kon wijzen op het bestaan van die overeenkomst. Ook moet er - gelet op hetgeen gemachtigde ter zitting heeft verklaard - van worden uitgegaan dat erflaatster gedurende de met gemachtigde gevoerde gesprekken in het kader van vermogensoverheveling naar haar zoon, het bestaan van deze overeenkomst niet ter sprake heeft gebracht.

6.7. Nu belanghebbende geen enkel bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat zijn moeder ervan is uitgegaan dat de verkoopovereenkomst in de jaren volgend op 1992 nog bestond en voornoemde gedragingen van erflaatster op het tegendeel wijzen, acht het Hof het gestelde niet aannemelijk. Ook acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende er zelf steeds van is uitgegaan dat deze overeenkomst nog bestond, te meer nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in enige voor de jaren 1993 en volgende gedane aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting melding heeft gemaakt van dividendinkomsten ter zake van deze 6.500 aandelen C, van renteverplichtingen of van bezittingen en schulden ter zake van deze aandelen.

6.8. Op grond van voormelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is aannemelijk dat zowel erflaatster als belanghebbende er - kennelijk stilzwijgend - van zijn uitgegaan dat het ontvallen van de oorzaak aan de overeenkomst heeft geleid tot ontbinding van die overeenkomst.

6.9. Nu het beroep reeds op grond van het vorenoverwogene ongegrond is, komt het Hof niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire standpunt van de inspecteur.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit oordeel betreft zowel de kosten van het geding na verwijzing als de kosten van het geding voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 10 december 2002 door mrs. Onnes, Goes en Van Vijfeijken, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief)

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.