Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2198

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
02/03834 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / relevant tijdsverloop.

Eiser is afkomstig uit Somalië en verblijft sedert 31 januari 1995 in Nederland. Op 1 februari

1995 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van

een vtv. Bij beschikking van 23 oktober 1995 heeft verweerder de aanvraag om toelating

als vluchteling niet ingewilligd en hem een vtv geweigerd. Bij beschikking van 6 juni 1996

heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking in primo d.d. 23 oktober

1995 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk primair besluit d.d. 6 juni 1996 is aan eiser een

voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 1 februari 1995. Het

beroep gericht tegen de beschikking op bezwaar d.d. 6 juni 1996 is bij uitspraak van 24 juni

1998 ongegrond verklaard.

Bij beschikking van 13 november 1997 heeft verweerder de laatstelijk tot 1 februari 1998 verlengde vvtv ingetrokken. Eiser heeft op 9 december 1997 tegen de beschikking d.d. 13 november 1997 bezwaar ingediend. Bij besluit van 5 juli 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 2 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Tussen partijen is in het kader van het beroep op het driejarenbleid, neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 Vc-1994, met name in geschil of het tijdsverloop in de asielprocedure en in de procedure met betrekking tot de intrekking van de vvtv bij elkaar opgeteld dienen te worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit in het onderhavige geval niet dient te gebeuren. De rechtbank verwijst in dit kader naar de REK-uitspraken AWB 00/7754 en AWB 00/7749 d.d. 1 november 2000. Nu de beschikking op bezwaar in de asielprocedure reeds was genomen vóór de intrekking van de vvtv, is na de intrekking van de vvtv een nieuwe periode gaan lopen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/42.4 met annotatie van Redactie
FutD 2002-2430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur, gedagtekend 2 mei 2002, betreffende de voorlopige aanslagen in de premie Ziekenfondswet zelfstandi-gen voor het jaar 2000 met codes S.00 en S.01.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 november 2002.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op het bezwaar tegen de beschikking van 15 november 1999;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag met code S.00;

- acht zich onbevoegd te oordelen over de voorlopige aanslag met code S.01;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 5 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden; en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoe-den.

Gronden

1. Belanghebbende heeft in het jaar 2000 de leeftijd van 55 jaar bereikt. Volgens zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft hij in dat jaar zijn onderneming gestaakt. De inspecteur heeft met dagtekening 15 november 1999 ten aanzien van belanghebbende een beschikking op de voet van artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet genomen. Hij heeft belanghebbende daarin medegedeeld dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering in het jaar 2000.

2. De inspecteur heeft met dagtekening 5 oktober 2001 voor het jaar 2000 een voorlopi-ge aanslag in de premie Ziekenfondswet met code S.00 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.000. Belanghebbende is tegen deze aanslag in bezwaar gekomen. De inspecteur heeft het bezwaar op 23 november 2001 gegrond verklaard en het belastbare inkomen nader vastgesteld op nihil.

3. Belanghebbende heeft met dagtekening 18 januari 2002 voor het jaar 2000 een tweede voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet - met code S.01 - ontvangen naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.169. Hij heeft op 20 februari 2002 tegen deze voorlopige aanslag bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de voorlopige aanslag in de bestreden uitspraak in behandeling genomen. Uit de bestreden uitspraak blijkt dat de inspecteur het bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag tevens heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking van 15 november 1999. Hij verklaart het bezwaar tegen de beschikking niet-ontvankelijk en overweegt vervol-gens ambtshalve onder meer:

"Gebleken is dat u aan het eind van het jaar waarin u uw onderneming heeft gestaakt 55 jaar of ou-der was. Volgens artikel 1, onderdeel q het Aanwijzingsbesluit verzekerden Ziekenfondswet, blijft u onder voorwaarden verzekerd krachtens de Ziekenfondswet. (...)

Besluit.

Ik trek de eerder afgegeven verklaring verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen in en ver-strek u hierbij een nieuwe verklaring.

Verklaring

Uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat u ook na uw bedrijfsbeëindiging voldoet aan de voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering."

4. Belanghebbende vermeldt in zijn beroepschrift van 10 juni 2002 dat zijn beroep ziet op de voorlopige aanslag met code S.00. Nu de grondslag van de voorlopige aanslag met code S.00 conform de wensen van belanghebbende tot nihil is teruggebracht, ligt het niet voor de hand dat belanghebbendes beroep uitsluitend betrekking heeft op deze aanslag. Het Hof kan het beroepschrift dan ook niet anders begrijpen dan dat het mede betrekking heeft op de voorlopige aanslag met code S.01. De inspecteur behandelt deze aanslag immers in de overgelegde bestreden uitspraak. Het Hof gaat er voor de behan-deling van het geding van uit dat het beroep ten minste betrekking heeft op de voorlopige aanslagen met codes S.00 en S.01.

5. Ten aanzien van de voorlopige aanslag met code S.00 overweegt het Hof dat de inspecteur reeds op 23 november 2001 uitspraak op het bezwaarschrift heeft gedaan. Het beroepschrift is niet binnen de wettelijke termijn van zes weken door het Hof ontvangen, zodat belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep dient te worden verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. De aanwezigheid van verschoonbare omstandigheden is niet aannemelijk geworden. Indien het beroep wel ontvankelijk zou zijn geweest, had het Hof het beroep ongegrond moeten verklaren wegens gebrek aan belang.

6. De inspecteur stelt dat hij nog geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag met code S.01 (hierna: de voorlopige aanslag) en dat belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep dient te worden verklaard voor zover het beroep ziet op die voorlopige aanslag. Het Hof is van oordeel dat de beschikking van 15 november 1999 en de voorlopige aanslag twee aparte voor bezwaar vatbare beschikkingen zijn. De inspecteur heeft geen norm geschonden door het bezwaarschrift van belanghebbende als een bezwaarschrift tegen beide beschikkingen aan te merken (zie artikel 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Het staat de inspecteur voorts vrij om niet gelijktijdig op beide bezwaren te beslissen. Niet in geschil is dat de inspecteur in de bestreden uitspraak een beslissing heeft gegeven op het bezwaar tegen de beschikking van 15 november 1999 door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof is echter van oordeel dat de inspecteur nog niet heeft beslist op het bezwaar-schrift tegen de voorlopige aanslag. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de voorlopige aanslag weliswaar behandeld, maar hij heeft daarop nog niet een beslissing gegeven. Het Hof is in dat geval niet bevoegd het beroep inzake de voorlopige aanslag in behandeling te nemen. De inspecteur dient het beroepschrift aan te merken als een aanvulling op het tegen de voorlopige aanslag gerichte bezwaarschrift.

7. Nu de inspecteur wel een beslissing heeft gegeven ten aanzien van het bezwaar tegen de beschikking van 15 november 1999 is het Hof bevoegd over de juistheid van die beslissing te oordelen. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de beschikking van 15 november 1999 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Nu belang-hebbende hieromtrent niets heeft gesteld en dit ook niet op andere wijze aannemelijk is geworden, gaat het Hof er van uit dat de beschikking op 15 november 1999 aan belanghebbende bekend is gemaakt. Niet in geschil is dat belanghebbende voor 20 februari 2002 geen bezwaarschrift tegen de beschikking heeft ingediend. De inspecteur heeft het bezwaar van 20 februari 2002 tegen de beschikking van 15 november 1999 dan terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Dit is slechts anders als aannemelijk wordt dat belang-hebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft hieromtrent niets gesteld en ook overigens is dit niet aannemelijk geworden. Dit brengt mee dat de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat het beroep ongegrond is en dat het Hof niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep ten aanzien van de beschikking van 15 november 1999.

8. De inspecteur heeft gesteld dat het beroepschrift tevens kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen de in de bestreden uitspraak opgenomen nieuwe verklaring, de zogenoemde 55+ verklaring. Dit zou meebrengen dat het Hof het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht als bezwaarschrift zou moeten doorzenden naar de inspecteur. Het Hof volgt de inspecteur echter niet in deze visie. Immers, het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht brengt met zich dat tegen een beschikking alleen bezwaar mogelijk is indien de belastingwet expliciet die bezwaarmogelijkheid opent. Artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) koppelt de bezwaarmogelijkheid aan een aantal met name genoemde beschikkingen. Of een beschikking voor bezwaar vatbaar is, blijkt uit het voorschrift van de belastingwet waarop de beschikking is gebaseerd. Alleen als in dat voorschrift staat dat de beslissing genomen wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking, bestaat de mogelijkheid van bezwaar op de voet van artikel 23 van de AWR. Het tweede lid van artikel 3d van de Ziekenfondswet voorziet niet in de verstrekking van een tweede, vervangende verklaring bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dat de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 461 ingevolge het Koninklijk Besluit van 1 november 1999, Stb. 1999, 462, pas op 1 januari 2000 in werking is getreden en de beschikking van 15 november 1999 daardoor wellicht onbevoegd is genomen, kan hieraan niet afdoen. Doordat belanghebbende niet tijdig bezwaar tegen de beschikking heeft aangetekenend, heeft deze formele rechtskracht gekregen. Het Hof dient er dan van uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

Ook een (belasting)wet kan erin voorzien dat de aanwijzing van een beslissing als voor bezwaar vatbare beschikking bij ministeriële regeling kan geschieden. Van een dergelij-ke wettelijke delegatiebepaling is in het onderhavige geval echter evenmin sprake. De conclusie moet dan ook zijn dat de 55+ verklaring niet een voor bezwaar vatbare beschikking is.

9. De 55+ verklaring moet naar het oordeel van het Hof worden aangemerkt als onderdeel van de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar tegen de beschikking van 15 november 1999. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en de beschikking van 15 november 1999 moet geacht worden onder verbetering van gronden te zijn gehand-haafd. Tegen de hier bedoelde uitspraak op bezwaar stond op de normale wijze beroep open. Belanghebbende heeft daarom terecht beroep bij het Hof aangetekend. Gelet echter op het overwogene onder 7 - belanghebbende is niet-ontvankelijk in zijn bezwaar - kan het Hof de juistheid van de 55+ verklaring niet inhoudelijk beoordelen.

10. Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof zich niet bevoegd te beslissen over de juistheid van de voorlopige aanslag en kan het de juistheid van de 55+ verklaring niet inhoudelijk beoordelen. Partijen zijn ter zitting echter tot de conclusie gekomen dat belanghebbende zijn onderneming reeds in 1999 en derhalve voor zijn 55e verjaardag heeft gestaakt. De inspecteur heeft erkend dat de voorlopige aanslag ten onrechte is opgelegd en dat hij deze bij de uitspraak op het bezwaarschrift zal vernietigen. Hij heeft daarnaast toegezegd dat hij de 55+ verklaring (ambtshalve) zal vernietigen. Het Hof verstaat dat de inspecteur dit doet.

11. Nu belanghebbende inhoudelijk het gelijk aan zijn zijde heeft, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten gesteld op € 5, zijnde de helft van de reiskosten per openbaar vervoer. Het Hof houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat belangheb-bende ook in de gelijktijdig behandelde procedure met kenmerk 02/03835 een vergoeding voor reiskosten ontvangt. Tevens gelast het Hof de Staat het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 13 december 2002 door mr. Van Ballegooijen, lid van de belastingkamer in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.