Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1514

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
05-12-2002
Zaaknummer
01/1518
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OPG; Inspecteur had bekend kunnen zijn met renseignementen. Geen nieuw feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/21.4 met annotatie van Redactie
FutD 2002-2297 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

twee uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 11 mei 2001, ingediend door A (Y Belastingadviseurs) te Q als zijn gemachtigde. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur, beide met dagtekening 3 april 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderings-aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1993 en 1994.

1.2. De aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen voor het jaar 1993, gedagtekend 30 december 1995, en voor het jaar 1994, gedagtekend 31 oktober 1996, zijn berekend naar een belastbaar inkomen van respectievelijk

ƒ 467.425 en ƒ 365.958. De navorderingsaanslagen 1993 en 1994, beide gedagtekend 26 februari 1999, zijn berekend naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 478.321 en

ƒ 786.882. Na bezwaar tegen de navorderingsaanslagen zijn deze bij de bestreden beschik-kingen gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en van de navorderingsaanslagen.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraken.

1.5. Met toestemming van het Hof heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.6. Ter zitting van 9 april 2002 zijn verschenen namens belanghebbende voornoemde gemachtigde en L, alsmede namens de inspecteur drs. M. Van belanghebbende is vóór de zitting een pleitnota ontvangen. Van deze pleitnota en van de bij deze pleitnota behorende bijlage heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten.

1.7. Aan het slot van de zitting van 9 april 2002 heeft gemachtigde desgevraagd verklaard dat hij binnen een week na de zitting laat weten of hij zijn standpunt met betrekking tot het materiële geschil handhaaft.

1.8. Na de zitting is van gemachtigde een brief ontvangen, gedagtekend 10 april 2002. Een kopie van deze brief is aan de inspecteur toegezonden met het verzoek zich daarover uit te laten. Van de reactie van de inspecteur, gedagtekend 22 april 2002, is een kopie aan gemachtigde toegezonden. Deze heeft hierop bij brief van 14 mei 2002 gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven tot het achterwege laten van een nadere zitting.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren 20 maart 1928 en van beroep apotheker, heeft de door hem gedreven apotheek per 1 januari 1994 ingebracht in een commanditaire vennootschap, genaamd D C.V.

2.2. In 1993 heeft belanghebbende 381 participaties in de Onderlinge Pharmaceutische Groothandel (hierna: OPG), zogenoemde inleggelden, omgewisseld in certificaten van aandelen in OPG. De beurswaarde van de certificaten van aandelen in OPG bedroeg op het moment van omwisseling ƒ 14.706, terwijl de kostprijs van de inleggelden ƒ 3.810 bedroeg. Het verschil bedraagt ƒ 10.896.

2.3. In 1994 heeft belanghebbende 10.422 inleggelden OPG omgewisseld in certificaten van aandelen in OPG. De beurswaarde van de certificaten van aandelen in OPG bedroeg op het moment van omwisseling ƒ 605.431, terwijl de kostprijs van de inleggelden ƒ 184.507 bedroeg. Het verschil bedraagt ƒ 420.924.

2.4. Ter zake van de omwisseling van inleggelden OPG in certificaten van aandelen in OPG in 1993 en 1994 is door belanghebbende in zijn voor die jaren ingediende aangiften inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen geen winst verantwoord. In het biljet dat bestemd is voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 en vermogens-belasting 1994 is het privé-bezit aan 'overige effecten' (vraag 31f van het aangiftebiljet) onder meer als volgt gespecificeerd:

"31f Overige effecten

aand. OPG ƒ 104.220"

In het biljet voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 en vermogensbelasting 1995 is het privé-bezit aan 'overige effecten' (vraag 35f van het aangiftebiljet) onder meer als volgt gespecificeerd:

"Overige effecten

10.803 cert. Apothekers OPG a f 43 ƒ 464.529"

2.5. Het belastbare inkomen van belanghebbende voor het jaar 1993 is door een aanslagregelend ambtenaar van de Belastingdienst te E vastgesteld op 7 november 1995. Na verdere administratieve verwerking is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 gedagtekend 30 december 1995. In het bij deze aanslag vastgestelde belastbaar inkomen is geen bijtelling begrepen ter zake van de omwisseling van inleggelden OPG.

2.6. Een notitie van de Belastingdienst luidt onder meer als volgt:

"Nota Toelichting OPG-schema

Aan Portefeuillehouder IB-winst/digra

(...)

Datum 13 juni 1996

(...)

1. Inleiding

Deze notitie met de daarbij behorende gegevens maakt het voor de klantmanager mogelijk de belastingheffing met betrekking tot de belangen van apothekers in de groothandel OPG toe te passen aan de hand van de behandelstrategie zoals die is opgenomen in onderdeel 95.34 van het LOIB-winst/digra van 15 juni 1995. Met nadruk wijzen wij erop dat het onderstaande slechts van toepassing is in het kader van de winstbepaling, dus wanneer de stukken tot een ondernemingsvermogen behoren (IB = verplicht of Vpb).

Afzonderlijk zal nog een standpuntbepaling geformuleerd moeten worden voor die situaties waarbij de stukken terecht tot een privévermogen behoren (...).

In de onderstaande notitie wordt aan de hand van een voorbeeld het OPG-schema stap voor stap ingevuld. Met behulp van dit schema en de daarbij behorende bijlagen kunnen de aangiften inkomstenbelasting 1992 tot en met 1995 op het onderdeel OPG gecontroleerd worden. (...)

U treft bij de brief van de portefeuillehouder de volgende bijlagen aan:

1 - BVR-uitdraai

2 - Schema OPG blanco (...)

3 - Brief OPG 9 juli 1991

4 - Mutatielijst (...) Op deze lijst dient u het registratienummer van uw klant op te zoeken en zijn gegevens in uw schema te verwerken.

5 - Jaaroverzicht OPG 1992

6 - Jaaroverzicht OPG 1993

7 - Jaaroverzicht OPG 1994

(...)

Voor een algemene toelichting op de gang van zaken bij OPG wordt verwezen naar Agendapunt 95.34 van het LO IB winst/digra (15-6-95) waarin de behandelstrategie is opgenomen. (...)

De adressen die u aantreft op de OPG-jaaroverzichten zijn de bij OPG laatstelijk bekende adressen. De overzichten zijn medio mei 1996 door OPG op verzoek van de FIOD\Informatie Vestiging Eindhoven geproduceerd."

De hiervoor aangehaalde notitie is bij brief van de Directie Ondernemingen-Zuid van 4 juli 1996, en vergezeld van daarbij behorende renseignementen, toegezonden aan de eenheden van de Belastingdienst, waaronder de destijds ter zake van belanghebbende competente eenheid Belastingdienst te E.

2.7. Op verzoek van de inspecteur heeft een aanslagregelend ambtenaar van de Belastingdienst te E hem op 17 januari 2000 onder meer het volgende bericht:

"Met dagtekening 4 juli 1996 (vakantieperiode!!) is door Mr. (...) namens de directeur Directie ondernemingen Zuid een brief (...) verzonden aan de Vaco IB-winst/digra van elke O en waarschijnlijk ook groot O eenheid.

Hierin wordt verzocht de bijgevoegde notitie met bijlages (...) alsmede de renseignementen aan het team, welke de apothekers behandelt, te overhandigen.

(Daar elke O eenheid gemiddeld zo'n 40 a 50 apotheken heeft resulteert dit in een groot pak papier dat elke Vaco heeft ontvangen.)

Een soortgelijke brief met hetzelfde kenmerk maar dan afkomstig van de Directie Particulieren is gedagtekend 24 juli 1996. Deze brief is gericht aan Teamleider technisch team."

2.8. Op 26 augustus 1996 is ten aanzien van belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd met als doel onder meer het onderzoeken van de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 1993 en 1994. Op 25 september 1996 is ten aanzien van belanghebbende aangekondigd dat het evenvermelde boekenonderzoek in verband met een wijziging van de bevoegde inspecteur geen doorgang zou vinden.

2.9. Het belastbare inkomen van belanghebbende voor het jaar 1994 is door een aanslag-regelend ambtenaar van de Belastingdienst te E vastgesteld op 11 september 1996. Na verdere administratieve verwerking is de aanslag inkomstenbelas-ting/premie volksverzekeringen 1994 gedagtekend 31 oktober 1996. In het bij deze aanslag vastgestelde belastbaar inkomen is geen bijtelling begrepen ter zake van de omwisseling van inleggelden OPG.

2.10. Na het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 is de competentie voor de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de inspecteur geattribueerde bevoegdheden ten aanzien van belanghebbende overgegaan van het hoofd van de Belastingdienst te E naar de inspecteur.

2.11. Met dagtekening 26 februari 1999 heeft de inspecteur ten name van belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor de jaren 1993 en 1994. Deze navorderingsaanslagen zijn berekend naar de aangegeven belastbare bedragen, vermeerderd met - naar de inspecteur stelt - door belanghebbende genoten inkomsten uit hoofde van de omwisseling van inleggelden OPG in certificaten van aandelen in OPG. De vastgestelde belastbare inkomens luiden als volgt:

1993 1994

Aangegeven belastbaar inkomen ƒ 467.425 ƒ 365.958

bijtelling omwisseling inleggelden 10.896 420.924

Nader vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 478.321 ƒ 786.882

3. Het geschil

In geschil zijn de volgende vragen:

1. Beschikte de ambtsvoorganger van de inspecteur ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 en 1994 over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR.

2. Met betrekking tot het jaar 1994, indien de ambtsvoorganger van de inspecteur over een nieuw feit beschikte, of de inleggelden OPG die in dat jaar zijn omgewisseld tot het verplicht ondernemingsvermogen van belanghebbende behoorden en bij de omwisseling van die inleggelden in certificaten van aandelen een belastbaar voordeel is gerealiseerd.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de onder 1.6 vermelde pleitnota.

4.2. Namens belanghebbende is ter zitting - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende naar voren gebracht. Het in augustus 1996 aangekondigde boekenonderzoek is kort na het regelen van de aanslag 1994 afgeblazen. De notitie inzake de fiscale behandeling van participaties OPG is op 4 juli 1996 naar de Belastingdienst te E verzonden. In de aangifte vermogensbelasting 1994 worden naast inleggelden niet tevens certificaten van aandelen in OPG vermeld, omdat ook de inleggelden als aandelen worden aangemerkt. Alleen in de jaren 1993 en 1994 heeft er een omwisseling van inleggelden in aandelen plaatsgevonden. Onderdeel 95.34 van het LO IB-winst/digra van 15 juni 1995 - het Hof begrijpt dat deze aanduiding betrekking heeft op het verslag van een landelijk overleg van de Belastingdienst dat op 15 juni 1995 heeft plaatsgevonden - is mij niet bekend. De aanwezig-heid van een nieuw feit wordt zowel voor het jaar 1993 als voor het jaar 1994 betwist. De inspecteur had de aangifte 1993 niet zonder nadere vragen mogen regelen. Er is wel goed naar deze aangifte gekeken. Er is een compromis gesloten over de aftrekbare kosten van levens-onderhoud. Nadat belanghebbende per 1 januari 1994 toetrad tot de commanditaire vennoot-schap is hij wel ondernemer gebleven. Het toetreden tot de commanditaire vennootschap had voor de inspecteur een extra reden moeten zijn om grondig naar de aangifte te kijken. Voor

wat betreft de rechten die verbonden zijn aan het houden van inleggelden OPG mag het Hof ervan uitgaan dat deze feiten overeenkomen met de feiten die zijn beschreven in het Besluit van 8 april 1997, nr. DB97/410.

4.3. Ter zitting is door de inspecteur - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. De behandelend inspecteur was bij het opleggen van de aanslagen niet op de hoogte van de stukken die begin juli 1996 zijn toegezonden. Bij de beoordeling van wat als redelijke termijn voor verspreiding van die renseignementen heeft te gelden, moet in aanmerking worden genomen dat bij de Belastingdienst 2000 apotheken bekend zijn. De vakgroepcoördinator kreeg de renseignementen in vakantietijd. In dit geval was er bij het opleggen van de aanslag nog niet een redelijke termijn voor de juiste deponering van het renseingement verstreken. De overdracht van de competentie van de eenheid Hilversum naar de eenheid Grote ondernemingen Utrecht heeft ruim na het regelen van de aanslag Ib/Ph 94 plaatsgevonden. De notitie inzake de fiscale behandeling van participaties OPG is op 4 juli 1996 naar de Belastingdienst te E verzonden. Alleen in de jaren 1993 en 1994 heeft er een omwisseling van inleggelden in aandelen plaatsgevonden. In de aangiften 92 en 93 is ook het bezit van aandelen OPG vermeld. Deze aangiften bevonden zich bij het regelen van de aanslag 94 in het dossier. Hetgeen is beschreven in onderdeel 95.34 van het LO IB-winst/digra van 15 juni 1995 loopt vooruit op het Besluit van 8 april 1997, nr. DB97/410. Het Hof mag ervan uitgaan dat ook in het stuk uit 1995 aandacht is besteed aan de etikettering van de inleggelden. Dit stuk is niet onder alle aanslagregelende ambtenaren verspreid. Mij is niet bekend wat een segmentbehandelplan inhoudt. De apotheek van belang-hebbende is per 1 januari 1994 doorgeschoven zonder afrekening van goodwill en stille reserves. De inspecteur behoefde daaraan niet bijzondere aandacht te besteden. Belang-hebbende bleef ondernemer. Met betrekking tot het materiële geschilpunt ging ik ervan uit dat algemeen bekend was welke rechten een houder van inleggelden OPG dan wel van certificaten van aandelen in OPG heeft. Voor wat betreft de rechten die verbonden zijn aan het houden van inleggelden OPG mag het Hof ervan uitgaan dat deze feiten overeenkomen met de feiten die zijn beschreven in het Besluit van 8 april 1997, nr. DB97/410.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Aanwezigheid van een nieuw feit bij het opleggen van de aanslag 1993.

5.1.1. Vaststaat dat in het biljet waarmee belanghebbende aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 en de vermogensbelasting 1994, als speci-ficatie van het privé-vermogen onder meer het volgende is vermeld: 'Overige effecten aand. OPG ƒ 104.220'. Vaststaat voorts dat belanghebbende in 1993 381 inleggelden OPG heeft omgewisseld in certificaten van aandelen in OPG en dat belanghebbende hiermee een voordeel heeft gerealiseerd van ƒ 10.896, bestaande uit het verschil tussen de kostprijs van de inleggelden en de waarde van de certificaten van aandelen in OPG.

5.1.2. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inleggelden die belanghebbende bezat verplicht tot zijn ondernemingsvermogen dienden te worden gerekend en dat derhalve het bij de omwisseling van die inleggelden behaalde voordeel als winst uit de door hem gedreven onderneming in aanmerking dient te worden genomen. Belanghebbende stelt daarentegen dat de ambtsvoorganger van de inspecteur, te weten het hoofd van de Belastingdienst te E (hierna eveneens: de inspecteur), niet bevoegd was tot het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 1993, omdat hij op het moment dat de aanslag werd vastgesteld, niet beschikte over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR. De inspecteur heeft gesteld dat de notitie als vermeld onder 2.6 een nieuw feit inhoudt dat het opleggen van de in geschil zijnde navorderingsaanslag over het jaar 1993 rechtvaardigt.

5.1.3. Bij de beoordeling van de vraag of de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993, dat is op 7 november 1995, be-kend was met het door belanghebbende behalen van het onder 5.1.1 genoemde voordeel dan wel of de inspecteur daarmee op voornoemd moment redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geldt in beginsel als uitgangspunt dat de inspecteur mag vertrouwen op de juistheid van de ingediende aangifte. Als ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende op 1 januari 1994 nog in het bezit was van 10.422 inleggelden als vermeld onder 2.3 die hij tot zijn ondernemings-vermogen diende te rekenen, alsmede van certificaten van aandelen in OPG die hij tot zijn privé-vermogen rekende, dan is hiervan in de door belanghebbende ingediende aangifte niet op een juiste wijze melding gemaakt. Nu deze aangifte overigens een goed verzorgde indruk maakt bestond er naar het oordeel van het Hof niettemin voor de inspecteur onvoldoende reden te twijfelen aan de juistheid van de ingediende aangifte. Indien dan de aanslagregelend ambtenaar na het vaststellen van de aanslag en nadat met een mogelijk nieuw feit redelijkerwijs vóór de bekendmaking van de aanslag nog rekening kan worden gehouden, informatie bereikt die hem noopt tot het opleggen van een navorderingsaanslag dan vormt die informatie een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR. Zodanige informatie is in het onderhavige geval aanwezig in de onder 2.6 vermelde notitie welke aan de inspecteur is toegezonden ruim nadat de aanslag 1993 is opgelegd.

5.1.4. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 redelijkerwijs ermee bekend was dat de aangifte van belanghebbende voor het jaar 1993 ter zake van participaties in OPG bijzondere aandacht behoefde. In dat verband verwijst belanghebbende naar landelijk overleg van de Belastingdienst IB winst/digra van 15 juni 1995 en naar overleg tussen het OPG en het Ministerie van Financiën inzake de fiscale behandeling van participaties in OPG dat in de jaren 1991 en 1992 heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Hof is uit deze omstandigheden, gelet ook op de door belanghebbende ingediende aangifte, het ontbreken van een nieuw feit niet af te leiden. Hierbij geldt in het bijzonder met betrekking tot het gestelde overleg tussen het Ministerie van Financiën en het OPG dat niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur daarvan op de hoogte behoorde te zijn en evenmin dat daarin ook de etikettering van de inleggelden OPG aan de orde is gekomen.

5.1.5. Voorts geldt met betrekking tot de wetenschap die zou zijn te ontlenen aan het landelijk overleg van de Belastingdienst IB winst/digra van 15 juni 1995, in welk overleg - naar het Hof de inspecteur begrijpt - ook aandacht is besteed aan de kwestie van de etikettering van de inleggelden OPG, dat daaruit niet zonder meer is af te leiden dat belanghebbende in 1993 een belastbaar voordeel heeft behaald. De notitie van juni 1996 als vermeld onder 2.6 vormde in dit verband een - naar het Hof aannemelijk acht - noodzakelijke concretisering, gericht op de individuele aanslagregelaar, van een kennelijk in juni 1995 ingezette beleidslijn. Dat de wetenschap die is te ontlenen aan het landelijk overleg van de Belastingdienst IB winst/digra van 15 juni 1995 bij de aanslagregelend ambtenaar bekend behoorde te zijn en dat deze wetenschap hem redelijkerwijs had moeten doen beseffen dat belanghebbende ten onrechte geen voordeel uit hoofde van de omwisseling van inleggelden OPG had verantwoord, acht het Hof, gelet ook op hetgeen in de aangifte ter zake van het bezit van participaties OPG was vermeld, niet aannemelijk.

5.1.6. Het vorenstaande leidt ertoe dat het Hof met betrekking tot de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR, aanwezig acht. Nu belanghebbende door middel van de brief van zijn gemachtigde van 10 april 2002 zijn standpunt inzake de navorderingsaanslag 1993 tot de kwestie van het nieuwe feit heeft beperkt, volgt hieruit dat deze belastingaanslag gehandhaafd dient te worden.

5.2. Aanwezigheid van een nieuw feit bij het opleggen van de aanslag 1994.

5.2.1. Vaststaat dat in het biljet waarmee belanghebbende voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 en de vermogensbelasting 1995 aangifte heeft gedaan, als specificatie van zijn privé-vermogen onder meer het volgende is vermeld: '10.803 cert. Apothekers OPG a f 43 ƒ 464.529'. Vaststaat voorts dat belanghebbende in 1994 10.422 inleggelden OPG heeft omgewisseld in certificaten van aandelen in OPG en dat belanghebbende hiermee een voordeel heeft gerealiseerd van ƒ 420.924, bestaande uit het verschil tussen de kostprijs van de inleggelden en de waarde van de certificaten van aandelen in OPG.

5.2.2. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inleggelden die belanghebbende bezat verplicht tot zijn ondernemingsvermogen dienden te worden gerekend en dat derhalve het bij de omwisseling van die inleggelden behaalde voordeel als winst uit de mede door hem gedre-ven onderneming in aanmerking dient te worden genomen. Belanghebbende bestrijdt het stand-punt van de inspecteur, primair door te stellen dat de inspecteur niet bevoegd was om ter zake van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 een navorderingsaanslag op te leggen, omdat het daarvoor vereiste nieuwe feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR ontbrak. Subsidiair heeft belanghebbende uiteindelijk gesteld, zoals ook moet worden afgeleid uit de brief van zijn gemachtigde van 10 april 2002, dat de inleggelden die belanghebbende in 1994 heeft omgewisseld niet verplicht tot zijn ondernemingsvermogen dienden te worden gerekend. Met betrekking tot het primaire standpunt van belanghebbende heeft de inspecteur gesteld dat de notitie als vermeld onder 2.6 een nieuw feit vormt dat het opleggen van de in geschil zijnde navorderingsaanslag over het jaar 1994 rechtvaardigt. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van belanghebbende volgt de inspecteur de zienswijze van de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 8 april 1997, nr. DB97/410, inhoudende dat de inleggelden OPG, zowel van vóór als na de beursgang van OPG in 1992, tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren. Hierna zal het Hof eerst het primaire standpunt van belanghebbende beoordelen.

5.2.3. Bij de beoordeling van de vraag of de aanslagregelend ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, dat is op 11 september 1996, bekend was met het door belanghebbende behalen van het onder 5.2.1 genoemde voordeel dan wel of de inspecteur daarmee op voornoemd moment redelijkerwijs

bekend had kunnen zijn, geldt in beginsel als uitgangspunt dat de inspecteur mag vertrouwen op de juistheid van de ingediende aangifte. Naar het oordeel van het Hof bood de ingediende aangifte, bezien ook in onderling verband en samenhang met de aangifte over het jaar 1993, op

zichzelf niet voldoende aanleiding om aan de juistheid van die aangifte te twijfelen. Uit de enkele vermelding in de aangifte over het jaar 1994 dat belanghebbende in privé beschikte over 10.803 certificaten OPG behoefde de inspecteur niet af te leiden dat deze stukken verkregen waren uit de omwisseling van inleggelden die belanghebbende tot zijn ondernemingsvermogen had behoren te rekenen en dat daarbij een voordeel van ƒ 420.924 was behaald.

5.2.4. Van de afwezigheid van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR is ook sprake indien de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan doordat hij de aangifte niet voldoende heeft onderzocht, terwijl voor een nader onderzoek van de aangifte gerede aanleiding bestond. Naar het oordeel van het Hof zou er ten tijde van het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 voldoende reden zijn geweest tot een nader onderzoek van de aangifte 1994, indien de aanslagregelend ambtenaar op dat moment de beschikking zou hebben gehad over het renseignement als vermeld onder 2.6. Uit hetgeen onder 2.6 omtrent dat renseignement is vermeld, leidt het Hof af dat dit stuk een nadere concretisering bevat van beleidsopvattingen die - naar het Hof uit hetgeen de inspecteur ter zitting heeft verklaard begrijpt - ook reeds op het landelijk overleg van de Belastingdienst IB winst/digra van 15 juni 1995 aan de orde zijn geweest, en is gericht op de behandeling van individuele belastingplichtigen. In het evenvermelde overleg is, naar de inspecteur heeft verklaard, ook reeds aandacht besteed aan de etikettering van inleggelden OPG.

5.2.5. Vaststaat dat het hiervoor genoemde renseignement op 4 juli 1996 aan de inspecteur is toegezonden, waaruit het Hof, nu partijen daaromtrent geen nader standpunt hebben ingenomen, afleidt dat het renseignement binnen enkele dagen na 4 juli 1996 door de inspecteur is ontvangen. Bij de beoordeling van de vraag of de aanslagregelend ambtenaar op 11 september 1996 redelijkerwijs met de inhoud van evenvermeld renseignement bekend behoorde te zijn, dient een redelijke verwerkingstermijn van dat renseignement op de betreffende eenheid in aanmerking te worden genomen. Bij de vraag wat in een situatie als de onderhavige als een redelijke verwerkingstermijn heeft te gelden dienen voorts de aard van het renseignement, de hoeveelheid renseignementen en eventuele overige bijzondere omstandig-heden in aanmerking te worden genomen. Wat betreft de aard van het renseignement is van belang dat het, naar het Hof afleidt uit hetgeen is vermeld onder 2.6, een renseignement betreft dat gedetailleerde informatie bevat betreffende een specifieke belastingplichtige. Wat de hoeveelheid renseignementen betreft gaat het Hof ervan uit dat er op de eenheid te E zo'n 40 à 50 renseignementen zijn binnengekomen. Het Hof baseert zich hier op de verklaring van de aanslagregelend ambtenaar als vermeld onder 2.7. Van belang daarbij is dat deze renseignementen aan een beperkt aantal personen ter kennis behoefden te worden gebracht, hetgeen is af te leiden uit de omstandigheid dat de apothekers op genoemde eenheid, zoals is vermeld in het onder 2.7 aangehaalde schrijven, door één team werden behandeld.

5.2.6. Naar het oordeel van het Hof had de aanslagregelend ambtenaar, onder de hiervoor vermelde omstandigheden, op 11 september 1996 redelijkerwijs met het bestaan en de inhoud van het op 4 juli 1996 toegezonden renseignement op de hoogte moeten zijn. Dit oordeel houdt in het onderhavige geval in dat een voor de verwerking van dat renseignement redelijk te achten termijn in ieder geval op 11 september 1996 was verstreken. Dat het renseignement,

zoals de inspecteur heeft gesteld, in een vakantieperiode is binnengekomen staat aan dit oordeel niet in de weg, omdat van de inspecteur mocht worden verwacht dat ook in de periode die lag tussen de ontvangst van het renseignement en de datum waarop de aanslag werd vastgesteld een adequate verwerking van informatie was gewaarborgd. Voorzover al in enige mate rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat ten tijde van de ontvangst van het renseignement sprake was van een vakantieperiode, moet ook in dat geval op 11 september 1996, ruim twee maanden na ontvangst van het renseignement, de redelijke termijn voor de verwerking daarvan geacht worden te zijn verstreken.

5.2.7. Van belang is voorts dat op 26 augustus 1996 door de inspecteur een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting 1994 is aangekondigd, terwijl de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 is vastgesteld zonder dat de resultaten van dat onderzoek zijn afgewacht, ofschoon daarvoor op 11 september 1996 nog ruimschoots gelegenheid bestond.

5.2.8. Door de in aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 op 11 septem-ber 1996 vast te stellen zonder daarbij een nader onderzoek naar de juistheid van de aangifte te verrichten, terwijl de inspecteur redelijkerwijs bekend had moeten zijn met de inhoud van een daartoe strekkend renseignement en evenmin door de resultaten van een op 11 september 1996 aangekondigd boekenonderzoek af te wachten, heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 1994 in de weg staat. Deze belastingaanslag kan derhalve niet in stand blijven. Aan een beoordeling van de subsidiaire stelling van belanghebbende komt het Hof verder niet toe.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag als volgt vastgesteld: 2,5 (proceshandelingen: beroepschrift, conclusie van repliek en verschijnen ter zitting) x Euro 322 (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) = Euro 1.610.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep ongegrond voorzover het betreft de uitspraak van de inspecteur inzake

de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993,

- verklaart het beroep gegrond voorzover het betreft de uitspraak van de inspecteur inzake de

navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur voor het jaar 1994,

- vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het

jaar 1994,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van

Euro 1.610 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 (= Euro 27,33) aan belanghebbende te

vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 2 juli 2002 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Kostense en Smit, leden, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.