Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1338

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2002
Datum publicatie
02-12-2002
Zaaknummer
01/1167
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar ontvankelijk, nu de inspecteur bij de uitspraak heeft afgezien van niet-ontvankelijk-verklaring wegens het ontbreken van een motivering. Heffing ter zake van het ontvangen van steekpenningen. Boete van 100% gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1871
FutD 2002-2341
V-N 2003/7.8

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is een beroepschrift ontvangen op 9 april 2001, ingediend door mr. A, advocaat te Q, als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 2 maart 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992.

Aan belanghebbende is oorspronkelijk een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 79.389. De navorderingsaanslag, gedagtekend 21 mei 1997, werd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 109.389. In de navorderingsaanslag was een verhoging begrepen van ƒ 16.823 (100% van de nagevorderde belasting), van welke verhoging geen kwijtschelding werd verleend. Na bezwaar is de navorderings-aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en niet-ontvankelijkverklaring van belang-hebbende in zijn bezwaar en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 11 oktober 2001 zijn verschenen de advocaat mr. B namens belanghebbende, alsmede C en D namens de inspecteur. Namens de inspecteur is ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Het Hof rekent deze tot de gedingstukken.

Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van belanghebbende betreffende de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1992, 1993 en 1994 en de definitieve aanslag in die belasting en premie voor het jaar 1996, welke beroepen bij het Hof zijn geadministreerd onder de kenmerken 01/1167 tot en met 01/1170.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1945 en gehuwd, was in 1992 als technisch hoofd-ambtenaar werkzaam bij het vervoerbedrijf van de gemeente Q. Hij genoot in dat jaar een bruto-loon van ƒ 82.517.

2.2. De Tweede Meervoudige Strafkamer van het Hof heeft belanghebbende bij arrest van 26 februari 2001 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Het Hof heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:

"De verdachte heeft zich als leidinggevende bij het a-bedrijf van de gemeente Q gedurende een groot aantal jaren laten omkopen door met enige regelmaat aanzienlijke geldbedragen en goederen te accepteren van bedrijven die werkzaamheden verrichtten voor het a-bedrijf dan wel materieel aan het bedrijf leverden. De verdachte liet toe dat deze bedrijven te hoge prijzen in rekening brachten aan het a-bedrijf dan wel rekeningen indienden voor werkzaamheden die niet waren verricht of materiaal dat niet was geleverd en dus niet ten goede kwamen aan het a-bedrijf. Om deze gang van zaken mogelijk te maken heeft de verdachte zijn medewerking verleend aan het opmaken van valse facturen en daarmee samenhangende bescheiden en heeft hij valse opdrachtbonnen en werkbriefjes geaccordeerd door deze te voorzien van zijn handtekening of paraaf. De door de verdachte geaccepteerde giften werden door de leverancier en aannemer doorberekend aan het a-bedrijf. Aldus heeft de verdachte het a-bedrijf en derhalve ook de gemeenschap voor een groot bedrag benadeeld. (...)".

Uit het arrest blijkt dat de in deze overwegingen vermelde feiten hebben plaats-gevonden in de periode 1990 tot en met 1995.

2.3. De inspecteur heeft de door belanghebbende in de jaren 1992 tot en met 1996 ontvangen steekpenningen als bedoeld onder 2.2 bepaald op de volgende bedragen:

1992: ƒ 30.000

1993: ƒ 60.000

1994: ƒ 125.000

1995: ƒ 75.000

1996: ƒ 46.827.

De inspecteur heeft deze bedragen voor de onderscheidene jaren, met uitzondering van 1995, tot de inkomsten uit arbeid van belanghebbende gerekend.

2.4. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 1992 uitsluitend het onder 2.1 vermelde loon tot de inkomsten uit arbeid gerekend.

2.5. De Belastingdienst FIOD/Opsporing (hierna: de FIOD) heeft een onderzoek ingesteld tegen belanghebbende, omdat hij werd verdacht van het opzettelijk onjuist doen van de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 1993, 1994 en 1995. Van de bevindingen van dit onderzoek is op 17 februari 1999 een proces-verbaal opgemaakt.

2.6. De gemachtigde van belanghebbende heeft in het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar vermeld. Het bezwaarschrift gaf de inspecteur aanleiding tot het vragen van nadere informatie aan de gemachtigde bij brief van 21 juli 2000. Omdat een reactie op die brief uitbleef herhaalde de inspecteur zijn verzoek bij brieven van 26 september 2000 en 14 november 2000. De gemachtigde heeft op deze brieven evenmin gereageerd. Bij brief van 15 december 2000 kondigde de inspecteur aan dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk zou verklaren. De inspecteur heeft het bezwaar bij de bestreden uitspraak afgewezen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil

a. of de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslag, nu het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de hem door de inspecteur geboden gelegenheid dit verzuim te herstellen;

b. of de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag de door belanghebbende aangegeven inkomsten uit arbeid heeft verhoogd met ontvangen steekpenningen;

c. of de inspecteur de in de navorderingsaanslag begrepen belasting terecht met 100% heeft verhoogd.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting nog het volgende verklaard.

De inspecteur was niet verplicht om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Wegens de tegen hem ingestelde strafvervolging heeft belanghebbende niet gereageerd op de verzoeken van de inspecteur om het bezwaar te motiveren en nadere gegevens te verstrekken. Dit had immers zijn positie in de strafzaak kunnen verzwakken.

Ik ga thans uit van het standpunt dat belaste steekpenningen zijn genoten. Belang-hebbende heeft in de aangifte van die inkomsten geen melding gemaakt om zichzelf niet te belasten bij een eventuele strafvervolging. Ik heb geen opmerkingen over de door de inspecteur en de FIOD gemaakte vermogensvergelijkingen.

Rekening moet worden gehouden met een schuld van belanghebbende aan de gemeente. Deze is reeds in de onderscheidene belastingjaren ontstaan. De gemeente eist volledige vergoeding van de schade.

Belanghebbende woont in R maar verblijft vaak in b-land.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende verklaard.

Belanghebbende heeft geen bewijs geleverd dat hij met de gemeente afspraken heeft gemaakt omtrent terugbetaling van de steekpenningen. Van een schuld uit dien hoofde is dan ook geen sprake.

Als gevolg van een fout is een correctie over 1995 achterwege gebleven.

Het onderzoek van de FIOD heeft op grond van het una-via-beginsel niet geleid tot strafvervolging van belanghebbende voor een fiscaal delict. Ik weet niet wanneer dat onderzoek is begonnen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In de bestreden uitspraak komt de inspecteur tot de conclusie dat de aanslag juist is en wijst hij het bezwaar af. Hij overweegt daarbij onder meer dat niet bekend is tegen welk onderdeel van de aanslag bezwaar is gemaakt en ook de gestelde vragen niet, althans onvoldoende, zijn beantwoord. Anders dan is aangekondigd in de onder 2.6 vermelde brief van 15 december 2000, is in de uitspraak niet-ontvankelijk-verklaring van het bezwaar evenwel achterwege gebleven.

5.2. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van die wet, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. In laatstgenoemd artikel is onder meer bepaald dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. Gelet hierop en op de onder 2.6 beschreven gang van zaken had de inspecteur in beginsel de bevoegdheid het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag niet-ontvankelijk te verklaren. De inspecteur was daartoe echter geenszins verplicht. In het onderhavige geval heeft de inspecteur kennelijk besloten geen gebruik te maken van de hem in artikel 6:6 van de Awb toegekende bevoegdheid. In een zodanig geval kent de wet niet de mogelijkheid bij een latere uitspraak of in beroep van die beslissing terug te komen. Wat betreft het eerste geschilpunt is dus het gelijk aan belanghebbende. In het midden kan blijven of belanghebbende de motivering van het bezwaar achterwege mocht laten in verband met de tegen hem ingestelde strafvervolging.

5.3. Uit de onder 2.2 aangehaalde overweging van het Hof blijkt dat belanghebbende gedurende een reeks van jaren van leveranciers en aannemers geldbedragen en goederen heeft ontvangen, doordat hij ten nadele van zijn werkgever medewerking verleende aan het opmaken van valse bescheiden. Deze ontvangsten zijn aan te merken als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden. Belanghebbende heeft van die inkomsten geen melding gemaakt in zijn aangifte.

5.4. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking in het geding gebracht waaruit blijkt, dat belanghebbende in 1992 onbenoemde privé-uitgaven zou hebben gedaan tot een bedrag van ƒ 30.399 negatief. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard over die vermogensvergelijking geen opmerkingen te hebben. Voorts heeft de inspecteur de voor belanghebbende en zijn gezin benodigde onbenoemde privé-uitgaven geschat op ƒ 30.000. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur door middel van die vergelijking en schatting aannemelijk heeft gemaakt dat de onder 5.3 bedoelde inkomsten in 1992 ten minste ƒ 30.000 hebben bedragen.

5.5. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat hij het aan zijn werkgever berokkende nadeel zal dienen te vergoeden en dat die vergoeding aanzienlijk hoger zal zijn dan wat hij aan steekpenningen heeft ontvangen. Het bestaan van een zodanige vergoedingsplicht staat evenwel niet in de weg aan de belastbaarheid van de in geding zijnde inkomsten. Een mogelijke latere terugbetaling doet niet af aan het ontvangen zijn van deze inkomsten in 1992. Wat betreft het tweede geschilpunt is dus het gelijk aan de inspecteur.

5.6. De inspecteur heeft de nagevorderde belasting verhoogd met 100%, omdat het naar zijn mening aan opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft gesteld dat hij in de aangifte geen melding heeft gemaakt van de onderwerpelijke inkomsten om zichzelf niet te belasten in een eventuele strafzaak. Het Hof verwerpt deze stelling. De ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen bestaande verplichting tot het tijdig doen van een juiste en volledige, bij de belastingwet voorziene, schriftelijke aangifte geldt onverkort ook indien en voor zover de belastingplichtige door daaraan te voldoen mogelijk de verdenking op zich laadt een strafbaar feit te hebben gepleegd (zie onder andere Hoge Raad 11 december 1991, BNB 1992/243).

5.7. Uit de verklaring die belanghebbende heeft gegeven voor het niet in de aangifte opnemen van de ontvangen steekpenningen volgt, dat het aan zijn opzet is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De inspecteur heeft de belasting derhalve terecht met 100% verhoogd. Uit de onderhavige uitspraak en uit de uitspraken van het Hof van heden met de kenmerken 01/1168, 01/1169 en 01/1170 blijkt, dat belanghebbende over de jaren 1992, 1993, 1994 en 1996 steekpenningen heeft genoten tot bedragen van onderscheidenlijk ten minste ƒ 30.000, ƒ 60.000, ƒ 87.000 en ƒ 46.827 welke hij niet heeft aangegeven. Voorts blijkt uit die uitspraken dat de belastbare inkomens van belanghebbende met inbegrip van de steekpenningen in die jaren onderscheidenlijk ƒ 109.389, ƒ 133.746, ƒ 168.589 en ƒ 133.702 beliepen. Gelet op deze bedragen is het Hof van oordeel dat hier sprake is van een ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude. Het Hof acht de verhoging qua omvang passend bij de ernst van de belanghebbende verweten feiten.

5.8. Hoewel belanghebbende daaromtrent niets heeft aangevoerd, zal het Hof nog ingaan op de vraag of aanleiding bestaat de verhoging te verminderen op grond van het tijdsverloop sedert de aankondiging daarvan. Het Hof is van oordeel dat geen termen aanwezig zijn om de verhoging op die grond te verminderen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende, in weerwil van zijn aankondiging van een nadere motivering van het bezwaar en ondanks de schriftelijke herinneringen van de inspecteur, geen nadere gegevens heeft ingestuurd, ook niet na het uitbrengen van de rapportage van de FIOD. In zoverre is voormeld tijdsverloop toe te rekenen aan belanghebbende. Ook de periode tussen het indienen van het beroepschrift en de uitspraak van het Hof is niet dermate lang dat deze zou moeten leiden tot enige vermindering van de verhoging.

5.9. Ook wat betreft het derde geschilpunt is het gelijk aan de inspecteur. Het beroep is dus ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 13 juni 2002 door mrs. Onnes, Boersma en Goes, in aanwezigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.