Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1331

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
02-12-2002
Zaaknummer
00/03581
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT7209
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Instellingen met een statutaire doelstelling als het Prins Bernhard Cultuurfonds zijn niet vergelijkbaar met dat fonds als nog niet aannemelijk is geworden dat ook hun feitelijke werkzaamheid vergelijkbaar is. Vrijstelling van schenkingsrecht is dan ook niet op voorhand te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1903 met annotatie van Monteiro
FutD 2002-2333
V-N 2002/61.1.16

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van Stichting X/Y te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Registratie en successie P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Mr. A heeft als gemachtigde van belanghebbende op 18 oktober 2000 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur gedagtekend 7 september 2000 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van schenking ter zake van een verkrijging in het jaar 1999. De gemachtigde heeft het beroep aangevuld in een stuk van 15 januari 2001.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een schenking op 13 september 1999 ad f 10.000 in contanten, gedaan door X; in de aangifte heeft belanghebbende zich beroepen op een bijzondere vrijstelling met de woorden "Analoog aan vrijstelling voor Prins Bernard Fonds". De inspecteur heeft een aanslag opgelegd met dagtekening 2 december 1999 en wel naar een belaste verkrijging van f 10.000. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt op 10 januari 2000. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende concludeert in het beroepschrift tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot nihil.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarin concludeert hij tot bevestiging van de uitspraak. De gemachtigde heeft op 31 januari 2002 aanvullende stukken toegezonden die bekend zijn bij de inspecteur.

Ter zitting van 14 februari 2002 is de gemachtigde verschenen, tot bijstand vergezeld van mr. AA, alsmede B namens de inspecteur. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en deze behoort tot de gedingstukken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 30 december 1998 heeft X belanghebbende bij notariële akte opgericht. Artikel 2 van de statuten bepaalt het volgende

De stichting heeft ten doel het doen van uitkeringen, in de vorm van subsidie of anderszins:

a. aan instellingen die zich richten op doeleinden van culturele, medisch-wetenschappelijke en weg- en waterbouwkundige aard;

b. ten behoeve van projecten van culturele, medisch-wetenschappelijke en wegen- en waterbouwkundige aard;

c. aan instellingen van wetenschappelijk onderwijs in het kader van de financiering van een leerstoel in de wegen- en waterbouwkunde,

zomede al hetgeen daarmee in de ruimste zin verband houdt.

Artikel 4 bevat de bepaling dat het bestuur moet bestaan uit drie bestuurders: een jurist, een medicus of ingenieur en een persoon die actief is in de kunstwereld. Voor de eerste maal zijn als zodanig benoemd mr. C, prof. dr. ir. D en Y, de echtgenote van X.

2.2. Op 8 juni 1999 heeft de inspecteur kenbaar gemaakt dat belanghebbende valt aan te merken als een instelling als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Successiewet 1956 (tekst 1999, hierna de Wet).

2.3. Op 13 september 1999 heeft X een bedrag van f 10.000 geschonken aan belanghebbende. Blijkens de jaarstukken 1999 en 2000 is dit bedrag gereserveerd voor de financiering van een leerstoel in de weg- en waterbouwkunde aan de Technische Universiteit van R. Ultimo 2001 heeft X belanghebbende een lijfrente geschonken van vijf jaarlijkse termijnen van elk € 225.000.

2.4. Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur de schenking belast naar het tarief van 11%.

2.5. Het Prins Bernhard Cultuurfonds (PBCF) is in 1940 opgericht onder de naam Prins Bernhard Fonds. Na de tweede wereldoorlog kreeg het PBCF een culturele doelstelling, welke op het moment van de onderhavige schenking statutair als volgt verwoord was

de ondersteuning van projecten, activiteiten en instellingen van zowel professionele aard als op amateurgebied, met als doel de cultuur en het natuurbehoud in Nederland te bevorderen of de Nederlandse cultuur in het buitenland uit te dragen.

Het is mogelijk door middel van "fondsen op naam", die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, aan het PBCF schenkingen te doen voor specifieke deelprojecten die ook plaatselijk gebonden kunnen zijn.

2.6. Bij beschikking van 5 juni 1946 heeft de staatssecretaris kwijtschelding van schenkingsrecht verleend voor schenkingen verricht of nog te verrichten aan het Prins Bernhard Fonds. Bij beschikking van 6 november 1963 heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat het doen van aangifte achterwege kan blijven.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat de inspecteur ook ten aanzien van belanghebbende moet afzien van het opleggen van een aanslag.

4. Standpunten van partijen en verklaringen ter zitting

Voor de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken.

Ter zitting heeft de gemachtigde (kort weergegeven) nog verklaard dat de leerstoel binnenkort ingesteld gaat worden maar dat hij niet weet of de universiteit al op de hoogte is van deze voornemens; dat een deel van de middelen ook besteed zal worden aan een cultureel doel; dat uit de website van het PBCF blijkt dat er ook grote schenkingen gedaan worden, met name bij een fonds op naam; dat het aan hem toegezonden exemplaar van de bestreden uitspraak is gedagtekend 7 september 2000.

Ter zitting heeft de inspecteur nog verklaard dat het PBCF veelal kleine bedragen geschonken krijgt en dat daarom het doen van aangifte door het PBCF om doelmatigheidsredenen achterwege kan blijven; dat belanghebbende grote schenkingen ontvangt en daarom niet vergelijkbaar is met het PBCF; dat hij in afwachting van deze procedure nog geen besluit heeft genomen op het verzoek ex artikel 67, eerste lid, ten 3o, van de Wet en dat hij in dat kader de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende zal beoordelen; dat de statutaire doelstelling qua strekking niet afwijkt van die van het PBCF; dat hij het bezwaarschrift heeft ontvangen op 11 januari 2000.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De gemachtigde heeft gesteld dat de statutaire doelstelling van belanghebbende vergelijkbaar is met die van het PBCF. De inspecteur heeft erkend dat de statutaire doelstelling van belanghebbende qua strekking niet afwijkt van die van het PBCF. Het hof leidt hieruit af dat tussen partijen niet in geschil is dat schenkingen aan belanghebbende en aan het PBCF voor de heffing van het recht van schenking moeten worden aangemerkt als gelijke gevallen indien uitsluitend wordt gelet op hun statutaire doelstellingen. Het hof sluit zich bij deze opvatting van partijen aan.

5.2. De omstandigheid dat aan het PBCF bij voorbaat kwijtschelding op de voet van artikel 67, eerste lid, ten derde, van de Wet is verleend en dat deze rechtspersoon van ontvangen schenkingen geen aangifte behoeft te doen berust, naar het hof aannemelijk acht, op het vertrouwen van de staatssecretaris van Financiën dat het PBCF overeenkomstig zijn doelstelling werkzaam is en overeenkomstig die doelstelling werkzaam zal blijven. Dit vertrouwen is kennelijk gebaseerd op de wijze waarop het PBCF zijn middelen aanwendt. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheid een rechtens relevant verschil is met de situatie van belanghebbende, nu belanghebbende alleen nog maar gelden ontvangen heeft en nog geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht ter bevordering van kunst en wetenschap. Daaraan doet niet af dat de intentie tot het verrichten van deze werkzaamheden wel aanwezig is en ook in bestuursnotulen is vastgelegd.

5.3. Het hof acht in dezen mede van belang dat de generieke kwijtschelding voor schenkingen aan het PBCF pas 6 jaren na de oprichting van het fonds verleend is, enige jaren na de oprichting en de aanvang van de werkzaamheden.

5.4. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel kan daarom in dit geval niet worden gehonoreerd omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Voor dat geval staat tussen partijen vast dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

6. Proceskosten

Het hof acht geen gronden aanwezig enige partij te veroordelen in de proceskosten.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan op 6 juni 2002 door mrs. Onnes, Boersma en Holdert, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a- de naam en het adres van de indiener;

b- een dagtekening;

c- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.