Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF0428

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2002
Datum publicatie
13-11-2002
Zaaknummer
01/1501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hof acht aannemelijk dat iemand anders heeft gewerkt op naam en met sofinummer van werknemer wiens naam staat vermeld op ter inspectie ingekomen loonopgaaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1733
FutD 2002-2209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk P01/01501

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Y, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Y, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 9 mei 2001, ingediend door A (te Y) als gemachtigde en aangevuld bij brieven van 15 juni 2001, 10 juli 2001 en 7 maart 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 4 april 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Aan belanghebbende is een aanslag over 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ a. Vervolgens is een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ b met een boete van 25% van de nagevorderde belasting. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 19 maart 2002 zijn verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van B alsmede namens de inspecteur C.

Bij brief van 19 maart 2002 heeft het Hof nadere informatie gevraagd. Daarop zijn door de inspecteur bij brief van 3 april 2002 nadere gegevens verstrekt, welke in kopie aan de wederpartij zijn gezonden bij brief van de griffier van 8 april 2002. Gemachtigde heeft daarop gereageerd bij brief van 17 april 2002.

Ter zitting van 18 juni 2002 zijn verschenen de gemachtigde en belanghebbende tot bijstand vergezeld van G. X, echtgenote van belanghebbende en van D als getuige van belanghebbende. Tevens was aanwezig E als tolk. Namens de inspecteur is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren op 21 september 1971 en gehuwd, heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 25.686. In de aangifte zijn onder de post inkomsten uit arbeid, uitkeringen en pensioen opgenomen het loon van Uitzendbureau F ten bedrage van ƒ 20.790 en een uitkering van G ten bedrage van ƒ 12.736. De inspecteur heeft met dagtekening van 23 juni 2000 de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 conform de door belanghebbende opgestelde aangifte opgelegd.

2.2. Belanghebbende is vanaf het jaar 1996 via uitzendbureau K werkzaam geweest. Na het faillissement van K in het jaar 1999 heeft belanghebbende zijn werk tot en met oktober 2001 voortgezet via Uitzendbureau F dan wel F B.V..

2.3. Belanghebbende is in het onderhavige jaar gedurende de periode 11 januari 1999 tot 8 februari 1999 en de periode 20 april 1999 tot 16 augustus 1999 ziek geweest. Omdat K bij G een ziekteverzuimverzekering had afgesloten, heeft belanghebbende gedurende de ziekteperioden van G uitkeringen wegens ziekte genoten.

2.4. De inspecteur heeft op 16 juni 2000 een signaallijst ontvangen van het Computercentrum Apeldoorn dat belanghebbende niet alle loonbedragen zou hebben aangegeven. Naar aanleiding daarvan is met dagtekening 24 november 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 42.340. De navordering ziet op niet opgegeven looninkomsten van Uitzendbureau J te 's Gravenhage ten bedrage van ƒ 16.654 met verrekening van ¦ 4.311 loonbelasting. Tevens is een boete opgelegd van 25% van de nagevorderde belasting/premies volksverzekeringen. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2.5. De inspecteur heeft overgelegd een "Opgaaf gegevens uitbetaald loon", ingevuld namens J door K administraties en belastingen te Den Haag, waarin de hiervoor vermelde loongegevens staan vermeld.

2.6. Ook voor het jaar 2000 heeft belanghebbende geen aangifte gedaan van enige looninkomsten van J. Volgens de door de inspecteur ontvangen gegevens zou belanghebbende in dat jaar ¦ 25.592 bij J hebben verdiend.

2.7. Naar aanleiding van door het Hof nader gevraagde informatie, heeft de inspecteur overgelegd (1) een kopie van een loonbelastingverklaring voor het jaar 1999 en volgende welke uit de administratie van J afkomstig is; op deze verklaring zijn naam, adres, geboortedatum en sofi-nummer van belanghebbende ingevuld. Het formulier is te Y, zonder datum, ondertekend. (2) een loonbelastingkaart alsmede een loonstaat ten name van belanghebbende over het jaar 2000 welke afkomstig zijn uit de administratie van J, (3) een kopie van een (oud) Turkse paspoort van belanghebbende, tevens afkomstig uit de loonadministratie van J (4) en weekstaten van J over het jaar 2000 waarin is vermeld op welke dagen en gedurende hoeveel uren belanghebbende via J zou hebben gewerkt.

2.8. Ter zitting van 18 juni 2002 heeft belanghebbende twee loonopgaven overgelegd van F B.V. te Den Haag waaruit blijkt dat belanghebbende in het jaar 2000 per 31 augustus 2000 op 130 werkdagen totaal 1040 uur, en per 30 september op 151,67 dagen en 1213,33 uur had gewerkt.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende enig inkomen heeft genoten van Uitzendbureau J.

4. Standpunten van partijen

4.1. Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld.

4.2. Ter zitting van 19 maart 2002 hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende: Ik heb nooit voor J gewerkt, ik heb ook geen idee hoe J aan mijn gegevens is gekomen. Het uitzendbureau waar ik voor werkte heeft misschien mijn gegevens aan J verstrekt, maar dat kan ik niet bewijzen. Vanaf het jaar 1996 tot en met het jaar 2001 heb ik via K elke dag in Z gewerkt. Ik heb geen jaaropgaven over het jaar 1999 van K ontvangen. In het jaar 1999 heb ik ook voor L gewerkt, ik denk dat dat de boekhouder van K is geweest. L werkte ook samen met K. Nadat K failliet is gegaan ben ik via F uitzendbureau gaan werken bij hetzelfde bedrijf in Z. Ik heb geen aangifte bij de politie gedaan voor het feit dat aan een werknemer van J mijn sofi-nummer ter beschikking is gesteld. Mijn schulden bij de ABN Amro zijn afgelost door middel van een lening van mijn schoonmoeder. Ik heb van verschillende personen renteloos geld geleend.

De inspecteur: Belanghebbende kan zijn sofi-nummer ter beschikking hebben gesteld. Het is een bekend probleem dat illegalen werken op naam en nummer van een ander. L heeft een ander loonbelastingnummer dan K.

4.3. Ter zitting van 18 juni 2002 hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd.

Namens belanghebbende: D heeft bij hetzelfde bedrijf S in Z gewerkt als belanghebbende. S is de echte inlener, maar ontkent alles. De handtekening op de door de inspecteur overgelegde loonbelastingverklaring is niet van belanghebbende. Uit de loonberekening ten name van belanghebbende van F B.V. van de maand september volgt dat door belanghebbende vanaf januari 2000 tot en met eind september 2000 op 151 dagen heeft gewerkt. Bij het invullen van de aangifte inkomstenbelasting bleek dat K failliet was. Daarom is er ook geen jaaropgaaf. De curator had ook geen papieren. Belanghebbende heeft gedurende het jaar 1999 gedacht dat hij voor K is blijven werken, omdat hij ook op de plek waar K gevestigd was uitbetaald kreeg. Belanghebbende heeft er geen bezwaar tegen dat D als bijstand gehoord wordt en niet als getuige. Belanghebbende stemt er mee in dat de gegevens over het jaar 2000 tevens worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in 1999.

Ter zitting heeft D het volgende verklaard: Ik werk bij S vanaf het jaar 1988 tot en met het jaar 2001. Vanaf het jaar 1999 tot en met de tiende maand van het jaar 2001 heb ik daar met belanghebbende samengewerkt.

Ter zitting heeft de echtgenote van belanghebbende het volgende verklaard: We zijn in het jaar 1993 gehuwd. Ik heb ook bij S gewerkt. Na mijn tweede kind ben ik gestopt. Mijn echtgenoot heeft daar tot het moment dat S failliet ging gewerkt. Pas op het moment dat we de aangifte inkomstenbelasting wilde invullen bleek dat K failliet te zijn. We vonden dat vreemd omdat mijn echtgenoot nog steeds op het adres van K zijn salaris uitbetaald kreeg.

De inspecteur: Ik twijfel niet aan de juistheid van de loonopgaven van F over augustus en september 2000. Het is merkwaardig dat belanghebbende in 1999 is ziekgemeld door K terwijl hij daar blijkbaar al niet meer werkte. Ik stem er mee in dat de gegevens over het jaar 2000 tevens worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in 1999.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ter zitting zijn partijen het er over eens geworden dat de gegevens over het jaar 2000 tevens beslissend zijn voor het onderhavige jaar. Het Hof zal daar derhalve van uit gaan.

5.2. De inspecteur heeft een kopie overgelegd van een op naam van belanghebbende gestelde loonbelastingverklaring, afkomstig uit de administratie van J. De daarop geplaatste handtekening vertoont naar het oordeel van het Hof wel enige gelijkenis met de handtekening die staat op de uit diezelfde administratie afkomstige kopie van het paspoort van belanghebbende maar komt er niet geheel mee overeen. Ter zitting heeft belanghebbende op verzoek van het Hof zijn naam, adres en handtekening op papier gezet. Naar het oordeel van het Hof wijken het handschrift en de handtekening van belanghebbende op de onder 2.5. genoemde loonbelastingverklaring zozeer af van hetgeen belanghebbende ter zitting heeft geschreven, dat het Hof concludeert dat de onder 2.5. genoemde loonbelastingverklaring niet door belanghebbende ingevuld dan wel ondertekend kan zijn.

5.3. Uit de door belanghebbende ter zitting overhandigde loonberekening per loondatum 30 september 2000 van uitzendbureau F B.V. volgt dat belanghebbende gedurende het jaar 2000 tot aan de loondatum 151 werkdagen en 1213 werkuren heeft gehad. Hieruit volgt dat belanghebbende van januari 2000 tot en met september 2000 per week circa 38 uur via F gewerkt heeft. Uit de weekstaten van J blijkt dat op naam van belanghebbende in de periode van 1 januari 2000 tot en met augustus 2000 op 76 dagen op naam van belanghebbende is gewerkt, waarbij regelmatig werkweken werden gemaakt van meer dan 50 uur. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende in staat zou zijn geweest de werkzaamheden bij F B.V. te combineren met de op zijn naam geregistreerde werkzaamheden bij J. Dit klemt temeer nu belanghebbende, naar hij ter zitting heeft verklaard welke verklaring het Hof, mede op grond van de verklaring van D, geloofwaardig acht, zijn werkzaamheden voor F B.V. heeft verricht in Z terwijl de werkzaamheden voor J blijkens de overgelegde weekstaten onder meer werden verricht voor T in U, zodat belanghebbende, die woonachtig is in Y, ook nog eens met (lange) reistijden zou zijn geconfronteerd indien hij beide soorten werkzaamheden zou hebben willen combineren. Het Hof tekent hierbij aan dat niet gesteld of gebleken is, dat de werkzaamheden van werknemers van J voor T eveneens in Z of rond de woonplaats van belanghebbende plaatsvonden

5.4. Gelet op de gemotiveerde ontkenning van belanghebbende dat hij via Uitzendbureau J werkzaamheden heeft verricht, alsmede de door hem en zijn echtgenote ter zitting gegeven uitleg van hetgeen in het onderhavige jaar alsmede het jaar 2000 gebeurd is en het onder 5.2 en 5.3. overwogene, oordeelt het Hof dat aannemelijk is dat een ander dan belanghebbende gebruik heeft gemaakt van het sofi-nummer van belanghebbende. Gelet op alle feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband bezien, komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende niet heeft gewerkt bij Uitzendbureau J. Het gelijk is aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures komt in het onderhavige geval voor vergoeding in aanmerking € 322 x 3 (proceshandelingen: beroepschrift + schriftelijke behandeling + tweemaal verschijnen ter zitting) x 1 (gewicht van de zaak) = € 966 alsmede de reiskosten van belanghebbende à € 9,50 en verletkosten van belanghebbende en R. D (8 uur resp. 4 uur à 7,44 = € 89,28) in totaal (afgerond) € 1.065, welke kosten door verweerder niet zijn weersproken en het Hof redelijk voorkomen.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- gelast de inspecteur het gestorte griffierecht ad € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden, en;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.065 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 16 september 2002 door mr. Beukers-van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Goedhart als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.