Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE9151

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
01/3047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk gemaakt dat de aftrekbare kosten het arbeidskostenforfait te boven gaan, zodat de inspecteur de aftrekbare kosten terecht op dit bedrag heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/12.2.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

ter vervanging van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 13 september 2001.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 21 augustus 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomsten-belasting/pre-mie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.072. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 44.872.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 13.616.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Van het verhandelde ter zitting van 28 mei 2002 heeft de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Op 11 juni 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 17 juni 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief van 15 juli 2002, ter griffie ingekomen op 15 juli 2002, heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het verschuldigde griffierecht van € 41 is tijdig betaald.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Belanghebbende, geboren in 1945, en ongehuwd is in dienstbetrekking werkzaam als consulent kunsteducatie en heeft daarnaast een beroepspraktijk als beeldend kunstenaar.

In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 heeft belanghebbende als aftrekbare kosten ter zake van zijn dienstbetrekking de volgende kosten vermeld:

Tijdschriften en vakbladen ƒ 1801,85

Foto/Film/Video ƒ 1.775,84

Diversen ƒ 3.886,98

Telewerkplek ƒ 8.100,00

Atelier/Studio ƒ 11.200,00

Telefoon/porti ƒ 1.600,00

Vervoer 10.000 km ´ ƒ 0,60 ƒ 6.000,00

ƒ 34.364,67

3. Geschil

In geschil is de hoogte van de aftrekbare kosten ter zake van de dienstbetrekking van belanghebbende als docent kunsteducatie.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Niet in geschil is dat de kosten die belanghebbende maakt voor zijn beroepspraktijk als beeldende kunstenaar (kunstfotograaf) in beginsel kunnen worden aangemerkt als aftrekbare kosten ter zake van zijn dienstbetrekking als consulent kunsteducatie. In geschil is de hoogte van deze kosten.

5.2. Belanghebbende stelt een bedrag van ƒ 1.801,85 te hebben uitgegeven aan tijdschriften en vakbladen. Deze kosten zijn slechts aftrekbaar als het vakliteratuur betreft. Belanghebbende heeft betalingsbewijzen overgelegd. Een van de betalingsbewijzen (ƒ 39,95) betreft het boek "De huid van onze cultuur" door D. de Kerckhove. Dit is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval vakliteratuur. Voor zover de aangeschafte tijdschriften en vakbladen verband houden met computers is het Hof van oordeel dat zij voor belanghebbende geen vakliteratuur zijn. Voor het overige geven de betalingsbewijzen een te algemene omschrijving om te kunnen concluderen dat zij vakliteratuur betreffen. Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende de kosten van vakliteratuur niet tot een hoger bedrag dan ƒ 39,95 aannemelijk heeft gemaakt.

5.3. Belanghebbende stelt tot een bedrag van ƒ 1.775,84 kosten te hebben gemaakt die betrekking hebben op foto, film en video. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt voor zijn beroepspraktijk als kunstfotograaf. Naar het oordeel van het Hof behoren deze uitgaven tot de aftrekbare kosten.

5.4. Belanghebbende stelt tot een bedrag van ƒ 3.886,98 diverse kosten te hebben gemaakt. Daaronder begrepen zijn kosten tot een bedrag van ƒ 1.910,01 voor computerapparatuur en computersupplies. Indien deze kosten zijn gemaakt ter wille van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking - het Hof zal daarvan veronderstellenderwijs uitgaan - behoort van dat bedrag ƒ 800 niet tot de aftrekbare kosten, zodat ƒ 1.110,01 resteert. Voor het overige heeft belanghebbende tegenover de weerspreking door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij de vermelde kosten heeft gemaakt ter wille van een behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking.

5.5. Belanghebbende stelt tot een bedrag van ƒ 8.100 kosten te hebben gemaakt voor een telewerk-plek, tot een bedrag van ƒ 11.200 voor een atelier/studio, tot een bedrag van ƒ 1.600 voor telefoon en porti en tot een bedrag van ƒ 6.000 voor vervoer. Belanghebbende beschikt niet over een aparte werkkamer. Belanghebbende heeft gesteld dat de woonruimte mede als atelier wordt gebruikt, maar heeft geen inzicht gegeven in de inrichting of de mate waarin de woon-ruimte aan het persoonlijk leven is onttrokken. Het Hof is van oordeel dat belanghebben-de niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woonruimte niet uitsluitend of nagenoeg uitslui-tend voor het persoonlijk leven van belanghebbende en zijn zoon in gebruik is. Bovendien zijn van de hier genoemde kosten geen betalingsbewijzen overgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat het geschatte bedragen zijn. Tegenover de weerspreking door de in-spec-teur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij de vermelde kosten heeft ge-maakt ter verwerving, inning of behoud van de inkomsten uit zijn dienstbetrekking als consulent kunsteducatie.

5.6. Het vorenoverwogene brengt mee dat naar het oordeel van het Hof als aftrekbare kosten geen hoger bedrag kan worden aangemerkt dan (ƒ 39,95 + ƒ 1.775,84 + ƒ 1.110,01 =) ƒ 2.925,80. Daaruit volgt naar 's Hofs oordeel dat niet is gebleken dat de op de inkomsten uit arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten ƒ 3.108 (het arbeidskostenforfait) te boven gaan, zodat de inspecteur de aftrekbare kosten terecht op dit bedrag heeft gesteld. Het beroep is derhalve ongegrond.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is ter vervanging van de mondelinge uitspraak vastgesteld op 30 september 2002 door mr. Beukers-Van Dooren, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.