Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE9141

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
00/1962
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft duurzaam tehuis in zowel Nederland als Verenigd Koninkrijk, maar middelpunt levensbelangen ligt in Nederland. Belanghebbende is eigenaar gebleven van het op naam van een Liechtensteinse Stiftung gestelde vermogen, waaronder aandelen, en heeft inkomsten uit die aandelen genoten. Omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte leidt ertoe dat belanghebbende tevens als aandeelhouder in een andere buitenlandse vennootschap wordt aangemerkt. Ook de omvang van de voordelen uit de aandelen wordt met omkering van de bewijslast vastgesteld. Voorkoming van dubbele belasting ter zake van salaris uit dienstbetrekking in Verenigd Koninkrijk. Hof gaat na in hoeverre aldaar daadwerkelijk belasting is betaald. Hof toetst (1) of de inspecteur, uitgaande van de gegevens die hem ten tijde van het vaststellen van de voorlopige aanslag zich op een redelijk standpunt heeft gesteld en (2) is voor vermindering in verband met naderhand aangevoerde feiten en omstandigheden slechts plaats indien en voor zover die feiten en omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat de voorlopige aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1789 met annotatie van De redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belas-ting-dienst Grote ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

(…)

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Hier geldt als ingelast hetgeen onder 2.1.1. tot en met 2.9.6. is opgenomen in de uitspraak in de zaak met kenmerk 00/01956.

2.10.1 De onderhavige voorlopige aanslag is met dagtekening 12 juni 1998 vastgesteld naar een belastbaar inkomen van f (..). De inspecteur heeft geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend.

2.10.2. Belanghebbende heeft op of omstreeks 3 juli 1998 aangifte gedaan als buitenlands belastingplichtige met een binnenlands verlies van f (..). Als adres is vermeld: X, (..)London.

2.10.3. In een brief van 28 september 1999 aan de gemachtigde heeft de inspecteur meegedeeld dat het inkomen over 1996 ambtshalve zal worden vastgesteld op f (..).

2.10.4. Met dagtekening 8 juli 2000 heeft de inspecteur de (definitieve) aanslag over het onderhavige jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen van f (..), zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. De onderhavige voorlopige aanslag is daarbij geheel verrekend.

3. Geschil en conclusies van partijen

3.1. In de eerste plaats is in geschil of, zoals de inspecteur stelt, het beroep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang doordat de onderhavige voorlopige aanslag geheel is verrekend met de definitieve aanslag.

3.2. In de tweede plaats is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar voor de toepassing van artikel 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en van het Belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk (hierna: het Verdrag) inwoner van Nederland en dientengevolge binnenlands belastingplichtig was of dat hij slechts als buitenlands belastingplichtige in de heffing van inkomstenbelasting kan worden betrokken voor zijn binnenlandse inkomen.

3.3. In de derde plaats is in geschil op welk bedrag het belastbare inkomen, casu quo het belastbare binnenlandse inkomen, dient te worden vastgesteld.

Het geschil over het bedrag van het belastbare (binnenlandse) inkomen spitst zich toe op de volgende punten:

- Aftrek ter voorkoming van dubbele belasting

- Inkomsten ter zake van G en B.

3.3.1. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting omdat niet is aangetoond dat hij in het Verenigd Koninkrijk belasting heeft betaald, en dat belanghebbende bedragen tot een totaal van f (..) heeft onttrokken aan G (f (..)) en B (f (..)). De inspecteur wenst deze bedragen primair aan te merken als inkomsten uit vermogen, subsidiair als inkomsten uit arbeid. Meer subsidiair heeft hij aangevoerd (conclusie van dupliek, blz. 27) dat rekening moet worden gehouden met fictief rendement uit G en B.

3.3.2. Belanghebbende stelt zich uiteindelijk primair op het standpunt dat de aanslag moet worden vernietigd - waarmee hij kennelijk erop doelt dat het binnenlandse inkomen nihil bedraagt. Voor het geval hij binnenlands belastingplichtig zou zijn, stelt belanghebbende zich, subsidiair, op het standpunt dat het belastbare inkomen f (..) bedraagt en dat voor een bedrag van f (..) aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend.

3.4. Bij dit alles is in geschil of de bijzondere bewijsregel van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring bewijslast) van toepassing is op grond dat de vereiste aangifte niet is gedaan en/of omdat door de inspecteur gevraagde informatie niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is verstrekt.

3.5. Tenslotte is in geschil of terecht heffingsrente in rekening is gebracht.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de processen-verbaal van de zittingen van 16 januari 2002 en 24 april 2002.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen belang heeft bij (het bezwaar en) het beroep tegen de onderhavige voorlopige aanslag, ook al is deze - overigens nadat bezwaar was gemaakt - geheel verrekend met de definitieve aanslag. Het belang kan - bijvoorbeeld - bestaan in de claims die belanghebbende geldend zou kunnen maken indien vast zou komen te staan dat de onderhavige voorlopige aanslag onrechtmatig is opgelegd.

5.2. Op grond van hetgeen is overwogen onder 5.1. tot en met 5.1.25. in de uitspraak met kenmerk 00/01956 heeft te gelden dat belanghebbende ook in het onderhavige jaar als binnenlands belastingplichtige dient te worden aangemerkt.

5.3. Bij de beoordeling van de vraag of het belastbaar inkomen niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld zal het Hof, nu het gaat om een voorlopige aanslag en ter zake van de definitieve aanslag het belastbare inkomen over het onderhavige jaar volledig in rechte kan worden getoetst, slechts toetsen of de inspecteur, uitgaande van de gegevens die hem ten tijde van het vaststellen van de voorlopige aanslag ten dienste stonden, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belastbaar inkomen f (..) bedraagt en dat belanghebbende geen recht heeft op enige aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. In dit verband overweegt het Hof als volgt.

5.3.1. Op grond van hetgeen is overwogen onder 5.2. tot en met 5.2.7. in de uitspraak met kenmerk 00/01956 dient belanghebbende ook in het onderhavige jaar voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet als (enig) aandeelhouder van G te worden aangemerkt.

5.3.2. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn gereleveerd onder 5.4.2. tot en met 5.4.2.7. in de uitspraak met kenmerk 00/01959 en die mutatis mutandis ook van toepassing zijn in het onderhavige jaar kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat belanghebbende in het onderhavige jaar voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet als aandeelhouder van B dient te worden aangemerkt.

5.3.3. Op grond van de opstelling op blz. 12 van het proces-verbaal HA9728/3000 (bijlage 14 bij het verweerschrift) en de in dat proces-verbaal onder c.1 tot en met c.4 (blz. 13 e.v.) gegeven specificatie, met onderliggende bewijsstukken, alsmede met het overzicht in bijlage 18 bij het verweerschrift, en mede gelet op de in G en B gemaakte winsten en de invloedrijke positie die belanghebbende in deze beide vennootschappen innam, heeft de inspecteur in redelijkheid de inkomsten uit vermogen die belanghebbende in het onderhavige jaar uit G en B heeft genoten, op f (..) kunnen stellen. Voorts is op grond van de gedingstukken voldoende aannemelijk dat het genoemde bedrag van f (..) werd gedekt door in B aanwezige winst.

5.3.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.3.1. tot en met 5.3.3. volgt dat de inspecteur het belastbaar inkomen kon vaststellen zoals hij heeft gedaan. Voor een vermindering is - gelet op het karakter van een voorlopige aanslag als een redelijke schatting - slechts dan plaats indien en voorzover belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert die geen andere conclusie toelaten dan dat de voorlopige aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

5.3.5. Noch wat het aandeelhouderschap van B, noch wat - overigens - de hoogte van het belastbare inkomen betreft, heeft belanghebbende dergelijk bewijs bijgebracht.

5.3.6. Wel heeft belanghebbende bij zijn "Vertoog tegen de conclusies van repliek" stukken van A overgelegd waaruit genoegzaam blijkt van op het salaris van belanghebbende ingehouden bedragen aan belasting. Over het belastingjaar 6 april 1995 - 5 april 1996 is ingehouden £ (..) en over het belastingjaar 6 april 1996 - 5 april 1997 £ (..). Naar tijdsevenredigheid kan aan 1996 worden toegerekend (3/12 x (..) + 9/12 x (..)) = £ (..). Bij een benaderde gemiddelde jaarkoers van f 2,65 (waarvoor het Hof zich baseert op gegevens van de Pacific FX Database op internetsite http://blacktusk.commerce.ubc.ca/cgi.bin/fxdata) bestaat uit dezen hoofde recht op vermindering van Nederlandse belasting tot een bedrag van - afgerond - f (..). Niet gesteld of gebleken is dat de naar evenredigheid te berekenen Nederlandse belastingvermindering lager uitkomt dan het evengenoemde bedrag van f (..). Voor een preciezere berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ontbreken de gegevens, maar het Hof meent met de hier gevolgde globale berekening te kunnen volstaan nu het gaat om (de globale beoordeling van) een voorlopige aanslag en de mogelijkheid bestaat de definitieve aanslag in bezwaar en beroep te toetsen. Voor het bedrag van f (..) dient, op overeenkomstige gronden als vermeld in 5.6. tot en met 5.6.3. in de uitspraak met kenmerk 00/01959, vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te worden verleend. In zoverre is het beroep gegrond.

5.4. De vermindering van de verschuldigde belasting leidt tot een dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente. Voor het overige heeft belanghebbende geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat de heffingsrente niet volgens de wettelijke bepalingen is berekend.

5.5. Uit het voorgaande volgt dat de voorlopige aanslag dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f (..) onder vermindering van de daarover verschuldigde belasting met f (..).

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Als zodanig komen in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

Gelet op de totale omvang van de gevoegd behandelde zaken en de daardoor opgeroepen complexiteit - het Hof merkt dit aan als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit - zal het Hof bij de bepaling van de proceskostenveroordeling geen rekening houden met de omstandigheid dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit. Voor het overige wordt artikel 2, eerste lid, onderdeel a, toegepast.

Het voor proceshandelingen toe te kennen aantal punten wordt met toepassing van de Bijlage bij het Besluit gesteld op 3,5 (A1 sub 1, 2, 4, 8 en 9) en de wegingsfactor wegens het gewicht van de zaak op 2.

De te vergoeden proceskosten in deze zaak komen daarmee uit op € 322 x 3,5 x 2 = € 2254.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de voorlopige aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f (..) onder vermindering van de daarover verschuldigde belasting met f (..),

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 2254 te betalen door de Staat en

- gelast de Staat het griffierecht van € 27,23 (f 60) aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 11 september 2002 door mrs. Van Ballegooijen, voor-zit-ter, Den Boer en Faase, leden van de belas-ting-kamer, in tegen-woor-dig-heid van mr. Koning als grif-fier. De beslissing is op die datum ter open-bare zit-ting uit-ge-sproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.