Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE8443

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
01/4237 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is werkloos en ontvangt een utkering krachtens een afvloeiingsregeling. Hij verricht onbetaald arbeid op zijn vakgebied. Het arbeidskostenforfait bij inkomsten uit vroegere dienstbetrekking is van toepassing. De inspecteur heeft het gewekte vertrouwen in de loop van het belastingjaar opgezegd. Dat brengt mee dat belanghebbende er niet meer op mocht vertrouwen dat het eerdere, onjuiste standpunt ook bij de aanslagregeling voor dit jaar zou worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1518
V-N 2003/21.3 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1983
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 16 oktober 2001, betreffende aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 september 2002.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende is b-kundige. Hij was tot 30 september 1995 werkzaam in dienstbetrekking bij A in B (A). Per 1 oktober 1995 is belanghebbende ontslagen. Op grond van een door A getroffen afvloeiingsregeling ontvangt belanghebbende een uitkering. Na de beëindiging van de dienstbetrekking heeft belanghebbende met behoud van zijn uitkering een gastovereenkomst gesloten met de Faculteit der B-kunde van de D-Universiteit voor wetenschappelijke werkzaamheden binnen het C-Instituut. Blijkens de gastovereenkomst ontvangt belanghebbende voor zijn werkzaamheden geen vergoeding. Ten behoeve van het werk gemaakte kosten worden door het Instituut vergoed.

2. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2000 aftrek beroepskosten geclaimd met toepassing van het arbeidskostenforfait bij inkomsten uit tegenwoordige arbeid, zijnde ¦ 3.538. De inspecteur heeft dit bij aanslagregeling gecorrigeerd en slechts aftrek toegestaan van het forfait bij inkomsten uit vroegere arbeid, zijnde ¦ 1.073. De aangifte is ingediend op 29 maart 2001.

3. Ook in voorgaande jaren heeft belanghebbende het arbeidskostenforfait beroepskosten geclaimd met toepassing van het arbeidskostenforfait bij inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Bij de aanslagregeling voor 1996 is dit punt uitdrukkelijk aan de orde geweest en heeft de inspecteur belanghebbendes standpunt geaccordeerd. Bij de aanslagregeling voor 1999 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld het geclaimde kostenforfait voor dat jaar nog wel te accepteren in verband met opgewekt vertrouwen maar voor het jaar 2000 niet meer.

4.1. Belanghebbende's inkomsten uit arbeid, uitkeringen en pensioen bestaan in het jaar 2000 blijkens de aangifte uitsluitend uit de uitkering van A. Nu dat een uitkering is op grond van een afvloeiingsregeling en belanghebbende geen werkzaamheden hoeft te verrichten teneinde de uitkering te ontvangen, is naar het oordeel van het Hof tegenwoordige arbeid geen bron van inkomen voor belanghebbende. Aangezien geen sprake is van aanwezigheid van inkomsten uit tegenwoordige arbeid, heeft belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 37, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 recht op aftrek van het forfaitaire bedrag van ¦ 1.073.

4.2. Aan het bovenoverwogene doet niet af dat belanghebbende de werkzaamheden uit de gastovereenkomst verricht om zijn kennis op zijn vakgebied en zijn netwerk op peil te houden en aldus zijn kansen op een dienstbetrekking zo optimaal mogelijk te houden.

4.3. Belanghebbende heeft zich beroepen op in rechte honoreren vertrouwen dat zijns inziens is gewekt door de bewuste standpuntbepaling van de inspecteur bij de aanslagregeling voor het jaar 1996. Nu, zoals het Hof in 4.1. heeft overwogen, dit standpunt van de inspecteur rechtens onjuist was en de inspecteur belanghebbende in het kader van de aanslagregeling voor 1999 bij brief van 2 oktober 2000 heeft geïnformeerd over zijn standpuntwijziging, is de inspecteur bij de aanslagregeling voor het jaar 2000 naar het oordeel van het Hof niet meer aan zijn eerdere, onjuiste standpunt gebonden. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur belanghebbende met zijn brief van 2 oktober 2000 tijdig over zijn standpuntwijziging heeft geïnformeerd en dat belanghebbende er daardoor niet meer op mocht vertrouwen dat het eerdere, onjuiste standpunt ook bij de aanslagregeling voor het jaar 2000 zou worden gehandhaafd. Het Hof tekent hierbij aan dat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende, op grond van de verwachting dat ook voor het jaar 2000 het arbeidskostenforfait voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid zou worden toegepast, vóór ontvangst van de brief van 2 oktober 2000 iets heeft gedaan of nagelaten en aldus enige schade heeft geleden door de standpuntwijziging van de inspecteur.

4. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 24 september 2002 door mr. Beukers-Van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.