Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE8428

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2002
Datum publicatie
08-10-2002
Zaaknummer
01/1694
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB: Belanghebbendes activiteiten als fotograaf zijn niet aan te merken als onderneming of als zelfstandig uitgeoefend beroep. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat meer kosten in aftrek moeten komen dan de inspecteur heeft toegestaan. OB: Geen forfaitaire 13% aftrek van voorbelasting voor een door belanghebbende zelf gebruikte auto. Geen vertrouwen gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/13.1.5
V-N 2002/50.2.14
FutD 2002-1978
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

ter vervanging van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 23 mei 2001.

Het beroep is gericht tegen

- de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 20 april 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 en 1997;

- de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 april 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1996 tot en met 31 december 1999, nummer …; en

- de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2000, nummer ….

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.063. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.591.

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.875. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 62.617.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1996 tot en met 31 december 1999 opgelegd tot een bedrag van ƒ 11.311. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot ƒ 1.344.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2000 opgelegd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur, tot vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 406, tot vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van negatief ƒ 1.915 en tot vernietiging van de in geding zijnde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot nietontvankelijk-verklaring van het beroep voor zover het betreft de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2000 en tot ongegrondverklaring van het beroep voor het overige.

Van het verhandelde ter zitting van 15 mei 2002 heeft de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Bij brief van 21 mei 2002 heeft de inspecteur ongevraagd nadere stukken ingezonden. Het Hof slaat op deze stukken geen acht.

Op 29 mei 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 6 juni 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief van 1 juli 2002, ter griffie ingekomen op 1 juli 2002, heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het verschuldigde griffierecht van € 41 is tijdig betaald.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1956, was in de onderhavige jaren fulltime in dienstbetrekking werkzaam bij A te B en werkte in de avonduren bij een supermarkt in Z. Daarnaast werkte hij voor eigen rekening als fotograaf. Zijn omzet uit de activiteiten als fotograaf bedroeg in 1996 ƒ 557,50 en in 1997 ƒ 870. Belanghebbende maakt voor deze activiteiten gebruik van een auto. Hij brengt ter zake van het gebruik van de auto ten laste van het resultaat van de activiteiten als fotograaf ƒ 0,60 per kilometer die hij heeft gereden ten behoeve van deze activiteiten. Niet in geschil is dat belanghebbende voor zijn hiervoor omschreven activiteiten als fotograaf voor de heffing van omzetbelasting is aan te merken als ondernemer.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbendes activiteiten als fotograaf zijn aan te merken als een onderneming als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Voorts is in geschil tot welk bedrag door belanghebbende gemaakte kosten aftrekbaar zijn. Ook is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van buitengewone lasten ter zake van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn moeder en ter zake van studie. Ten slotte is in geschil of belanghebbende bij de heffing van omzetbelasting recht heeft op aftrek van voorbelasting in verband met de kosten van het gebruik van zijn auto ten behoeve van zijn activiteiten als fotograaf.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Inkomstenbelasting

5.1.1. In de jaren van 1998 tot en met 2001 bedraagt de omzet van belanghebbende, naar de inspecteur in zijn pleitnota heeft gesteld, onderscheidenlijk ƒ 1005,47, ƒ 854,62, ƒ 866,15 en ƒ 1.709,00. Deze bedragen heeft de inspecteur, naar hij stelt, ontleend aan de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting van belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de opbrengsten, na aftrek van kosten, inmiddels ƒ 4.000 à ƒ 5.000 per jaar bedragen. Het Hof acht de door de inspecteur gestelde bedragen aannemelijk.

5.1.2. Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes activiteiten als fotograaf niet zijn aan te merken als onderneming of als zelfstandig uitgeoefend beroep. Daarbij acht het Hof met name van belang dat de omzet, ook na enkele jaren, beperkt is gebleven, de door belanghebbende gestelde kosten die omzet verre overtreffen en dat de door belanghebbende aan deze activiteiten bestede tijd, naast het vervullen van twee dienstbetrekkingen, noodzakelijkerwijs gering moet zijn.

5.1.3. De inspecteur heeft de opbrengsten van de activiteiten van belanghebbende als fotograaf aangemerkt als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten. Als aftrekbare kosten heeft hij in 1996 en 1997 telkens ƒ 2.000 afschrijvingskosten, ƒ 500 autokosten en ƒ 750 overige kosten in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft gesteld dat een hoger bedrag aan kosten in aftrek moet worden gebracht, zoals reiskosten voor een tweede dienstbetrekking en studiekosten. Tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, naar 's Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt dat meer kosten in aftrek moeten komen.

5.1.4. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld op te komen tegen het niet aanvaarden van de door hem vermelde buitengewone lasten ter zake van levensonderhoud van zijn in a-land wonende moeder, is het Hof van oordeel dat aftrek niet mogelijk is, omdat deze uitgaven - naar belanghebbende in zijn pleitnota en ter zitting heeft toegegeven - niet met schriftelijke bescheiden zijn aangetoond.

5.1.5. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep inzake de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ongegrond is.

5.2. Omzetbelasting (1996 tot en met 1999)

5.2.1. Belanghebbende heeft van het ter zake van het gebruik van de auto ten laste van het resultaat van de activiteiten als fotograaf gebrachte bedrag - met analoge toepassing van het bepaalde in artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 - 13% als voorbelasting in aftrek gebracht. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende deze aftrek ten onrechte toegepast, aangezien de bedoelde regeling slechts kan worden toegepast indien een werknemer van zijn werkgever een onkostenvergoeding ontvangt.

5.2.2. Belanghebbende stelt nog dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij de in artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 neergelegde regeling naar analogie mocht toepassen, omdat de fiscus dit jaren heeft geaccepteerd en tevens altijd telefonisch advies is ingewonnen bij de klantmanager. Belanghebbende heeft tegenover de weerspreking door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hem is toegezegd dat hij deze regeling mocht toepassen. Voor het overige begrijpt het Hof belanghebbendes stelling aldus dat hij deze aftrek heeft toegepast in zijn aangiften en dat de inspecteur ter zake niet eerder naheffingsaanslagen heeft opgelegd of opmerkingen heeft gemaakt. Door die enkele omstandigheid wordt evenwel niet een in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de gevolgde handelwijze de instemming van de inspecteur heeft. Andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de door belanghebbende gevolgde handelwijze de instemming van de inspecteur heeft, zijn niet gesteld. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij belanghebbende het door hem gestelde vertrouwen is gewekt.

5.2.3. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende in verband met de gemaakte autokosten slechts voorbelasting in aftrek brengen, indien deze in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur (artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968). Belanghebbende heeft dergelijke facturen niet overgelegd. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat omzetbelasting in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, zodat ter zake geen omzetbelasting als voorbelasting in aftrek kan brengen.

5.2.4. De onderhavige naheffingsaanslag heeft slechts betrekking op de hiervoor onder 2.1 vermelde aftrek van voorbelasting die belanghebbende heeft toegepast. Nu deze aftrek, naar hiervoor is overwogen, ten onrechte is toegepast, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep in zoverre ongegrond.

5.3. Omzetbelasting (2000)

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 14 november 2000 bezwaar gemaakt tegen, onder meer, de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2000, nummer …. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift, 23 mei 2001, had de inspecteur op dit bezwaar nog geen uitspraak gedaan. De uitspraak is eerst op 29 oktober 2001 gedaan. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan belanghebbende ten tijde van de indiening van het beroepschrift op 23 mei 2001 redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak reeds was gedaan. Dat brengt mee dat belanghebbende in zijn beroep niet ontvankelijk is.

5.4. Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2000 niet ontvankelijk is en dat het voor het overige ongegrond is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is ter vervanging van de mondelinge uitspraak vastgesteld op 2 september 2002 door mr. Bijl, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.