Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE8225

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2002
Datum publicatie
01-10-2002
Zaaknummer
01/03645
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een verwoed verzamelaar van grammofoonplaten. De inspecteur wist op grond van eerdere controle dat belanghebbende zeer aanzienlijke opbrengsten uit de verkoop van delen van zijn platencollectie had ontvangen. Toen is het standpunt ingenomen dat geen sprake was van een bron van inkomen in fiscale zin. De inspecteur kan daarop na nader onderzoek niet terugkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1931
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 oktober 2001, ingediend door A te P als gemachtigde van belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 17 september 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelas-ting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De oorspronkelijke aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van f 41.101. Met dagtekening 13 april 2000 is een navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 43.600. Deze staat onherroepelijk vast.

Met dagtekening 26 juni 2001 is de onderwerpelijke tweede navorderingsaanslag opgelegd, zonder verhoging, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.656.

Na bezwaar tegen laatstvermelde navorderingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak ge-handhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en primair tot vernieti-ging van de navorderingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair tot vernietiging van die uitspraak en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 66.101.

Ter zitting van 14 juni 2002 (…)

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende (…) ontvangt reeds vele jaren, en ook in de onderhavige jaren 1996 tot en met 1999, een invaliditeitspensioen van het ABP (USZO).

2.2. In de zeventiger jaren is belanghebbende met zijn partner begonnen met het verzamelen van grammofoonplaten. Zij hebben allengs een verzameling van vele duizenden singles en in mindere mate LP's ('vinyl') opgebouwd. Hij heeft met deze hobby enige bekendheid verwor-ven via kranten, radio en TV.

2.3. In 1995 heeft belanghebbende naar aanleiding van een waarneming ter plaatse op een beurs in Q, waar belanghebbende tweedehands singles te koop aanbood, een vragenformulier ingevuld (bijlage 1 bij het verweerschrift), waarin hij een uiteenzetting heeft gegeven van de wijze waarop hij zijn hobby beoefent.

2.4.1. In 1994 heeft belanghebbende een auto aangeschaft voor ƒ 57.200, waartoe een per-soonlijke lening werd aangegaan ten bedrage van ƒ 24.900. Deze is in 1994 en/of 1995 nage-noeg geheel afgelost.

In 1995 werd een appartement in R gekocht voor ƒ 335.000, waarvoor een hypothecaire lening van ƒ 250.000 werd aangegaan. Ultimo 1995 bedroeg deze schuld ƒ 196.447.

2.4.2. In augustus 1997 heeft de inspecteur schriftelijk vragen gesteld over de financiering van de auto en van het appartement. Vervolgens is de aanslag over 1995 overeenkomstig de aan-gifte vastgesteld.

2.5.1. In de jaren 1996 tot en met 1999 heeft belanghebbende achtereenvolgens ƒ 46.447, ƒ 50.000, ƒ 50.000 en ƒ 45.000 afgelost op de hypothecaire lening.

2.5.2. Op 14 februari 2000 heeft de belastingdienst (dhr. B) ten huize van belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de aangiften 1995 tot en met 1998.

De ter zitting overgelegde aantekeningen van B van het 'Inleidend gesprek' luiden onder meer als volgt:

" Grammofoonpl/ singles + hoesjes verzamelen - overtollige exemplaren verkocht op hobby-markten maar ook op andere markten (…) - vaak partijen ingekocht om enkele nrs zelf te krijgen (…)

Amerikaanse Elvis + ov. verzamel in '97 voor 50.000 (kostpr 1500) (van Amerik. militair) (…)

in verzamelaarswereld goed bekend, contacten met radio en TV wereld als archief voor pro-gramma's. Bp wil echter niets commercieel daarom geen CD's doel is voortzetting collectie (…)

partijen moeten worden meegekocht omdat de gewenste losse exemplaren niet afzonderlijk konden worden verkregen (…)

verk. tbv. auto, pand, afloss. hyp.

Amerikaanse Elvis verkoop 50.000 kas 1997.

Jazz via tussenpersoon in Japan op 50/50 basis periode 82-92 afrekeningen kas

78 toeren verkocht in delen jaren 80 tot begin '90

In 98 en 99 ten-inches en lp's geschift uit verzameling in delen steeds verkocht totale op-brengst 50.000 p.j. opbr. kas

1996 afloss + inrichting

grote jaarbeurs ---> verkopen (einde jr)

moet aansluiten met aflossingen

Kluisje daaruit betaald:

auto

deel aankoop pand

inrichting (…) "

2.5.3. Bij brief van 16 februari 2000 (bijlage 5 bij het verweerschrift) schrijft B aan belang-hebbende:

"Tijdens het onderzoek van 14 februari l.l. is gebleken, dat u uw hobby, het verzamelen van vinyl singles, mede bekostigt uit de verkoop van singles die buiten de collectie vallen, doch die u vaak in partijen mee moet kopen. Doordat u bij de aankoop en verkrijging van partijen, waarvan u slechts enkele stuks voor uw hobby nodig heeft, weet dat u de overige exemplaren via beurzen en markten met winst kunt verkopen, is sprake van zgn. "andere inkomsten uit arbeid". Deze aankopen duid ik hierna aan als handelswaar. Dit ondanks het feit dat u stelt dat u zich niet wilt gedragen als een handelaar omdat u dan ten opzichte van collega verzamelaars in een vreemd daglicht komt te staan.

Ter afbakening van uw hobby geef ik hieronder de omschrijving daarvan.

De singles die in Hitdossier staan en dus in de top 40 of de tipparade hebben gestaan in de periode vanaf 1955 tot medio 1992 betreffen. Het gaat naast Nederland tevens om de soortge-lijke hitlijsten in Engeland en USA. Het betreft geen CD's.

Verkopen van (onderdelen van) uw verzameling, zoals volgens uw mededeling de Ameri-kaanse Elvis collectie in 1997, betreft een in de inkomstenbelasting onbelaste transactie. Dit omdat de toenmalige aankoop was gericht op uitbreiding van de collectie, en niet op het be-halen van voordeel. Zo een toekomstig voordeel zou zijn te voorzien, dan was dat in die fase speculatief en niet beoogd."

2.5.4. In het rapport van het boekenonderzoek d.d. 29 maart 2000 (bijlage 6 bij het verweer-schrift) schrijft B; "(...) In de tot privé museum verbouwde garage is de verzameling op geor-dende wijze in schappen opgeslagen. (…) Van de verzameling is wel een beschrijving. Er wordt constant gewerkt aan documentatie. (…)

De activiteiten die belastingplichtige ontplooit, de inkoop en verkoop van de singels, die niet voor de verzameling bestemd zijn, zijn aan te merken als andere inkomsten uit arbeid. Door-dat bij inkoop het veruit grootste deel van de kostprijs wordt betaald voor die onderdelen (vaak enkele stuks) van de partij die voor de verzameling bestemd zijn, is voor de singles die het resterende deel van het opgeofferde bedrag betreffen bekend dat die op markten en beur-zen met winst verkocht kunnen worden. Daardoor is voor dat deel van de activiteiten sprake van een bron van inkomsten, waarvan de opbrengst moet worden aangegeven voor de inkom-stenbelasting."

2.5.5. Belanghebbende en B zijn er het blijkens voormeld rapport over eens geworden dat de belaste opbrengsten, berekend naar een vast bedrag per markt/beurs (ƒ 750), na aftrek van de in onderling overleg vastgestelde kosten, waren te stellen op respectievelijk:

1995: ƒ 9.000 minus ƒ 6.000 ;

1996 : ƒ 7.500 minus ƒ 5.000 ;

1996 : ƒ 6.000 minus ƒ 4.000 ;

1998 : ƒ 4.500 minus ƒ 3.000.

Belanghebbende is met die correcties akkoord gegaan. Op basis daarvan zijn navorderings-aanslagen over de jaren 1995 tot en met 1997 opgelegd (zonder verhoging) en is de aangifte 1998 gecorrigeerd.

2.6.1. Op 18 januari 2001 is een nieuw onderzoek ingesteld naar aanleiding van gegevens die waren ontvangen van USZO, via welke instelling belanghebbende zijn WAO-uitkering ont-vangt. Uit onderzoek van USZO was gebleken dat belanghebbende adverteerde in het Duitse blad Oldie-Markt, een blad voor verzamelaars van oude platen waarin via een veilingsysteem platen te koop worden aangeboden. Analyse van de door belanghebbende via Oldie-Markt gerealiseerde opbrengsten wees uit dat hij de volgende opbrengsten had verworven:

1991: ƒ 22.602

1992: ƒ 20.063

1993: ƒ 88.675

1994: ƒ 91.797

1995: ƒ 64.567

1996: ƒ 43.903

1997: ƒ 26.919

1998: ƒ 8.676

1999: ƒ 6.108

2000: ƒ 5.430.

2.6.2. Vorenvermelde gegevens hebben de inspecteur aanleiding gegeven terug te komen van de afspraken die door B waren gemaakt. Daarbij heeft de inspecteur de belaste inkomsten voor de jaren 1996 tot en met 1999 gesteld op de onder 2.5.1. vermelde bedragen waarmee de hypothecaire lening in die jaren is afgelost. Na aftrek van de in die opbrengsten begrepen om-zetbelasting (dienaangaande zijn naheffingsaanslagen opgelegd, waartegen bezwaar is inge-diend; met de uitspraak wordt gewacht op de uitkomst van de onderwerpelijke procedures) resulteerde zulks in de navolgende thans bestreden (navorderings-)aanslagen:

1996: vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 43.601

correctie netto omzet ƒ 39.555

reeds belast na eerder onderzoek ƒ 2.500

ƒ 37.055

nader vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 80.656

1997: vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 49.955

correctie netto omzet ƒ 42.554

reeds belast na eerder onderzoek ƒ 2.000

ƒ 40.554

nader vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 90.509

1998: vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 52.503

correctie netto omzet ƒ 42.554

reeds belast na eerder onderzoek ƒ 1.500

ƒ 41.054

nader vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 93.557

1999: aangegeven belastbaar inkomen ƒ 56.526

correctie netto omzet ƒ 38.298

reeds aangegeven ƒ 1.000

ƒ 37.298

nader vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 93.824

2.6.3. Op 19 februari 2001 hebben belanghebbende en zijn partner ten kantore van de belas-tingdienst een gesprek gehad met de belastingambtenaren C en D. Volgens hun ambtsedige verklaring hebben zij zich tenslotte kunnen vinden in het belasten van de onder 2.6.2. vermel-de bedragen.

Op 26 februari 2001 is hun daartoe een vaststellingsovereenkomst ter tekening toegezonden. Aan het slot van de begeleidende brief van D is meegedeeld: "Indien u niet tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst wilt overgaan behoud ik mij het recht voor om de aange-kondigde aanslagen op te leggen. In dit geval zullen de naheffings- en navorderingsaanslagen worden opgelegd met een boete van 50% en met heffingsrente. Tegen deze dan op te leggen aanslagen staan u de normale rechtsmiddelen (bezwaar en beroep) open."

Een raadsman van belanghebbende heeft bericht dat de vaststellingsovereenkomst door be-langhebbende en zijn partner niet zal worden ondertekend.

2.7. Ter zitting heeft belanghebbende uitvoerig zijn hartstochtelijke verzamelliefde uiteenge-zet en heeft hij nader toegelicht dat van elke grammofoonplaat verschillende persingen be-staan (die aanvankelijk allemaal verzamelde), dat hij zich noodgedwongen is gaan beperken -en daarom delen van zijn collectie in de loop der jaren heeft verkocht, dat hij ook platen heeft verkocht omdat hij een gaver exemplaar (bijvoorbeeld zonder aantekeningen op de hoes) had verworven, en dat hij via Oldie Markt behalve deze verkopen ook aankopen voor zijn collectie heeft verricht.

3. Geschil

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

3.1. Heeft belanghebbende tot de thans gecorrigeerde bedragen belaste inkomsten genoten uit het handelen in grammofoonplaten ?

3.2. Beschikt de inspecteur te dien aanzien over een 'nieuw feit' ?

3.3. Moet de correctie beperkt blijven tot de opbrengsten via Oldie Markt en dienen daarop nog kosten in aftrek te worden gebracht ?

4. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

Ter zitting is daaraan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

4.1.1. door de gemachtigde van belanghebbende:

B heeft uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt in twee soorten verkopen. Hij was met beide bekend. Hij heeft bewust niet doorgevraagd over de verkopen van delen van de collectie.

4.1.2. door belanghebbende in persoon, naast hetgeen onder 2.7. is vermeld:

Ik voel mij onbehoorlijk behandeld. C en D kraakten het onderzoek van B af. Mijn partner en ik zijn al heel lang verzamelaars. Dat is begonnen met een collectie LP's die mijn partner van haar ouders kreeg. Deze bleek heel waardevol te zijn en is in de jaren '84-'87 verkocht. De platen van Elvis en Buddy Holly hebben we toen gehouden. De rest is verkocht voor zo'n ƒ 75.000. De Elviscollectie is in '97 verkocht voor ƒ 45.000.

Voor de controles heb ik al verschillende brieven gekregen die ik steeds netjes heb beant-woord. Daarop is toen nooit gereageerd.

De hobby heeft een enorme omvang gekregen. Dat heeft mij ook overeind gehouden toen ik in de WAO kwam. Ik was ontzettend fanatiek en deed alles om aan platen te komen. Via Oldie Market heb ik aanvankelijk veel platen gekocht. Later ben ik dubbele exemplaren via Oldie Market gaan verkopen, bijvoorbeeld omdat ik een gaver exemplaar had gekocht. Ik heb alleen verkocht wat ik over of dubbel had. Van handel was geen sprake.

B heeft niet specifiek naar Oldie Markt gevraagd. Er is wel gesproken over het bezit aan con-tanten voor de hypotheekaflossingen, maar niet over de wijze van verkopen. Ik heb hem als voorbeeld een exemplaar van Record Collector laten zien waarin voor een volgens mij waar-deloos singletje 500 pond werd geboden.

B heeft zich verder niet over de verkoop van delen van de collectie bekommerd en daarover geen verdere vragen gesteld. Dat vond hij niet interessant. Er is wel gevraagd naar het bezit aan contanten, maar niet naar de wijze van verkopen. Dergelijke verkopen vonden vaak plaats na schiftingen in de collectie. We hadden destijds zo'n 25.000 LP's. Die zijn uit de collectie gehaald en zijn bijna allemaal verkocht via Oldie Market.

Ik ben geen handelaar en koop in beginsel geen partijen, maar soms moet dat wel om enkele waardevolle exemplaren in bezit te krijgen. De rest was dan een bende die ik in een 'pieken-bak' via beurzen probeerde te verkopen.

De Jazz-collectie was van mijn partner. Elvis behoorde tot onze gezamenlijke platenpot; de opbrengst daarvan lag in de kluis. ABN/Amro kan bevestigen dat er een kluis was.

C en D hebben gedreigd dat zij ƒ 250.000 zouden belasten en bovendien een boete zouden opleggen. Ook dreigden zij met de FIOD en de Officier van Justitie. Onder die druk heeft mijn partner zich aanvankelijk akkoord verklaard. De vaststellingsovereenkomst hebben we niet getekend.

Toen A zich ermee ging bemoeien is de boete eraf gegaan.

4.2.1. door de inspecteur:

In de gesprekken met B zijn de verkopen via Oldie Markt nooit door belanghebbende ter sprake gebracht. Alleen de verkoop via markten en beurzen van ƒ 750 per keer was toen be-kend.

Ik bestrijd belanghebbendes stelling dat hij via Oldie Markt alleen zijn verzameling LP's heeft verkocht. Gelet op de opbrengsten moet hij ook platen speciaal voor de verkoop hebben inge-kocht.

Ik leg een ambtsedige verklaring over van het gesprek op 19 februari 2001, waarbij belang-hebbendes partner heeft verklaard dat er ten tijde van de aankoop van het appartement onvol-doende middelen aanwezig waren en dat latere aflossingen uit platenverkoop zijn betaald.

Bovenaan blz. 3 van het verweerschrift staat dat in de jaren 80 een Jazz-collectie volgens be-langhebbende zou zijn verkocht voor ƒ 10.000. Volgens de geraadpleegde aantekeningen is gesteld: 'tienduizenden'. Belanghebbende stelt thans dat het ƒ 100.000 is.

Het strafrechtelijke onderzoek van USZO bevindt zich nog in de voorbereidende fase.

De vragenbrief naar aanleiding van de aangifte 1995 en het onderzoek in 1997 hebben niet tot correcties geleid. De verstrekte informatie maakte de aflossingen aannemelijk. Belanghebben-de heeft toen de verkopen via Oldie Market niet genoemd.

Bij het onderzoek van B is het verhaal van belanghebbende over de verkoop van delen van de collectie aanvaardbaar geacht. Ook is toen gezien dat verkoop via verzamelaarsbladen veel geld opbracht. Hij hoefde niet te kijken of belanghebbende ook zelf in die bladen stond. Ik erken wel dat belanghebbende dat niet heeft verstopt.

Bij de aanvang van het gesprek zijn open vragen gesteld en is de collectie bezichtigd. Ook is de aflossing van de hypotheek ter sprake gebracht. Een en ander blijkt uit de overgelegde aantekeningen van het inleidende gesprek.

4.2.2. door B:

Ik wil de aantekeningen van het inleidende gesprek van 14 februari 2000 overleggen. Ik ben die dag bij belanghebbende thuis geweest en heb duidelijk kunnen constateren dat hij een ver-zamelaar is. Er is toen ook gesproken over de verkoop van verzamelobjecten: onder meer de Jazz-collectie in de jaren '80, 78-toerenplaten en de Elviscollectie in 1997. Over de verkopen zijn toen verder geen gegevens verstrekt. Ik heb daar ook niet naar gevraagd. Belanghebbende voerde daarvan ook geen administratie; voor de privé-collectie was dat ook niet nodig. Afge-sproken is dat belanghebbende vanaf 2000 een administratie zou gaan bijhouden.

Ik nam aan dat belanghebbende de opbrengsten in een kluis bewaarde; hoeveel dat was, weet ik niet, maar ik nam aan dat het voldoende was om de hypotheekaflossingen te kunnen beta-len.

Ik achtte het toen niet redelijk om ondernemerschap aan te nemen. In mijn rapport heb ik een onderscheid gemaakt tussen de (belaste) handel via beurzen en de (onbelaste) verkoop van de collectie.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In de brief van 16 februari 2000 (zie 2.5.3.) en het rapport van 29 maart 2000 (zie 2.5.4.) heeft B uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat het verkopen van (onderdelen van) de enorme verzameling grammofoonplaten voor de heffing van inkomstenbelasting niet als een belaste bron van inkomen werd aangemerkt.

B heeft dat standpunt ingenomen na een gesprek met belanghebbende, waarin deze volgens de aantekeningen van B (zie onder 2.5.2.) onder meer heeft verklaard dat verkopen hebben plaatsgevonden ten behoeve van aankoop van een auto en het appartement en de aflossingen van de hypotheek, dat in 1997 de 'Amerikaanse Elvis'-collectie is verkocht voor ƒ 50.000, dat in 1998 en 1999 'ten-inches' en LP's uit de verzameling zijn geschift en voor ƒ 50.000 per jaar zijn verkocht.

Ook heeft B, naar hij ter zitting heeft verklaard, aangenomen dat de verkoopopbrengsten van delen van de collectie in de onderwerpelijke jaren voldoende zijn geweest om daaruit de af-lossingen van de hypothecaire lening van het appartement te betalen. B wist dus dat belang-hebbende in de jaren 1996 tot en met 1998 respectievelijk ƒ 46.447, ƒ 50.000 en ƒ 50.000 had afgelost, naar hij stelde uit de verkoop van delen van de platencollectie. Ook had belangheb-bende verklaard dat in 1999 ƒ 50.000 aan opbrengsten was genoten.

Voorts was B ermee bekend dat belanghebbende in het toen tevens onderzochte jaar 1995 beschikte over zeer omvangrijke contante bedragen voor de gedeeltelijke betaling van de koopsom van het appartement in R en de gedeeltelijke aflossing van een persoonlijke lening en van de hypothecaire geldlening in het jaar 1995, waarover reeds eerder vragen waren ge-steld naar aanleiding van de aangifte over 1995, waarin de herkomst van de gelden met name was verklaard uit verkopen van delen van de collectie en waarin tevens ter sprake was ge-bracht dat belanghebbende in 1994, gedeeltelijk uit eigen middelen, een auto had gekocht.

5.2. Uit de gedingstukken en de verklaringen ter zitting leidt het Hof voorts af dat B zich reeds aanstonds heeft geconcentreerd op het deel van de activiteiten dat hij wel tot de belaste sfeer rekende (de verkoop via markten en beurzen van niet voor de verzameling bestemde en als 'handelswaar' aangeduide aankopen) en zich niet verder over de verkopen van delen van de collectie heeft bekommerd, omdat hij deze - ongeacht hun omvang en de wijze waarop zij tot stand kwamen - tot de onbelaste sfeer rekende.

5.3. Het vorenoverwogene voert tot de conclusie dat het B bekend was dat belanghebbende jarenlang zeer aanzienlijke opbrengsten uit de verkoop van delen van de platenverzameling had genoten en dat B niettemin het standpunt innam dat te dien aanzien geen sprake was van een bron van inkomen in fiscale zin.

Belanghebbende mag daaraan het vertrouwen ontlenen dat de inspecteur niet zonder vooraf-gaande aankondiging op dat standpunt terugkomt.

De omstandigheid dat belanghebbendes activiteiten in het kader van zijn hobby mede via een verzamelaarsblad als Oldie Markt plaatsvonden en dat B daarvan niet op de hoogte was, kan belanghebbende onder voormelde omstandigheden niet worden tegengeworpen.

5.4. Voor zijn nadere stelling ter zitting dat belanghebbende via Oldie Markt niet alleen delen van zijn collectie heeft verkocht, maar tevens speciaal daartoe aangekochte grammofoonpla-ten, zodat belanghebbende als handelaar in grammofoonplaten voordelen genoot, heeft de inspecteur, tegenover de ontkenning door belanghebbende, onvoldoende bewijs bijgebracht.

5.5. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat de inspecteur niet beschikt over een 'nieuw feit' ter rechtvaardiging van de onderwerpelijke navorderingsaanslag.

Dat belanghebbende te kwader trouw informatie heeft achtergehouden, acht het Hof door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt.

De onderwerpelijke navorderingsaanslag dient derhalve te worden vernietigd.

De overige stellingen behoeven dan geen bespreking meer.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurs-recht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op (A.1 en 8. = 2 punten; C1. factor 1,5; C2. factor voor 5 samenhan-gende zaken 1,5, € 322 per punt) € 1.449, waarvan aan de onderwerpelijke procedure wordt toegerekend 1/5 deel = € 298,80.

7. Beslissing

Het Hof

n verklaart het beroep gegrond;

n vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

n vernietigt de navorderingsaanslag;

n veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van € 298,80 aan proces-kosten en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

n gelast de Staat het betaalde griffierecht ad € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 30 augustus 2002 door mrs. Schaap, Steenbergen en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op die datum in het open-baar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechts-hof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.