Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7961

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
23-001480-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Cocaïne op verschillende tijdstippen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen. 2) deelname aan een criminele organisatie; 3) voorhanden hebben van revolverl met munitie.

4) Verwerping beroep op nietigheid van de dagvaarding.

5) Verwerping beroep op toepassing 359a Sv. wegens tijdsverloop.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-08-15
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-08-15
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2002-08-15
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2002-08-15
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2002-08-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001480-01

datum uitspraak 15 augustus 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 27 april 2001

in de strafzaak onder parketnummer 15/035285-00

tegen

[verdachte]

geboren in het district Marowijne (Suriname) op 9 augustus 1961,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. De Stadspoort, locatie De Havenstraat te Amsterdam.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 28 februari, 10 april en 13 april 2001 en in hoger beroep van 26 april, 5 juni, 14 juni en 1 augustus 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de dagvaarding zowel ten aanzien van feit 1 als ten aanzien van feit 2 nietig dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de tenlastelegging in het geheel niet blijkt aan welke concrete handelingen verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt, zodat daarmee de tenlastelegging voldoende feitelijke omschrijving ontbeert.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

De tenlastelegging ten aanzien van feit 1 en 2 omschrijft op voldoende feitelijke wijze de aan verdachte verweten gedragingen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat het onder 2 tenlastegelegde wordt gelezen in samenhang met het onder 1 tenlastegelegde. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep er blijk van gegeven dat hij begreep wat hem in die dagvaarding wordt verweten en heeft hij zich daartegen kunnen verdedigen en zich ook verdedigd. Aldus voldoet de dagvaarding aan de eisen, die daaraan worden gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet geheel verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 aanhef en onder A, B en C, 2 en 3 is tenlastegelegd, met dien verstande dat verdachte:

1. op verschillende tijdstippen gelegen in de periode van 1 juli 2000 tot en met 8 september 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht

A. op 6 augustus 2000 een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en

B. op 17 augustus 2000 ongeveer 5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en

C. op 30 augustus 2000 een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. in de periode van 1 juli 2000 tot en met 5 september 2000 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een bestendig samenwerkingsverband om een drugslijn van de Nederlandse Antillen naar Nederland in stand te houden en het verspreiden van ingevoerde harddrugs in Nederland, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk telkens het invoeren van harddrugs in Nederland en het verkopen en/of afleveren en/of vervoeren van harddrugs in Nederland;

3. op 8 september 2000 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een revolver van het merk Fabrique Nationale, model Barracuda met het kaliber .357 Magnum en voorzien van het serienummer PZ05249 en munitie van categorie III, te weten drie patronen van het merk Israeli Military Industries van het kaliber .38 Special en drie patronen van het merk Sellier en Bellot van het kaliber .38 Special, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Het hof verklaart hieronder wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig heeft gehouden met het per vliegtuig invoeren vanuit Curaçao in Nederland van de stof cocaïne als bedoeld in de Opiumwet. Uit de voor die bewezenverklaring gebruikte bewijsmiddelen vloeit voort dat bij het transport van 6 augustus 2000 (feit 1 aanhef en onder A van de tenlastelegging) dezelfde groep personen betrokken is geweest, die heeft deelgenomen aan die criminele organisatie en die tevens verantwoordelijk was voor de door het hof bewezen geachte invoer van cocaïne op 30 augustus 2000.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat die groep zich ook bezig heeft gehouden met de invoer van iets anders dan cocaïne. Het hof acht op grond van het vorenoverwogene dan ook wettig en overtuigend bewezen dat met het transport van 6 augustus 2000 de stof cocaïne als bedoeld in de Opiumwet Nederland is binnengebracht.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit begaan wordt met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden alsmede tot een geldboete van € 18.000, bij niet betaling te vervangen door 6 maanden hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die gedurende geruime tijd aanzienlijke hoeveelheden cocaïne per vliegtuig vanuit de Nederlandse Antillen binnen Nederland heeft gebracht. Deze hoeveelheden waren kennelijk bestemd voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is voor de gezondheid van gebruikers daarvan een zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Verdachte fungeerde binnen de organisatie als uitvoerder in Nederland en was met name verantwoordelijk voor het werven en aansturen van degenen die de drugs uit de vliegtuigen haalden.

In de woning van de verdachte is aangetroffen een geladen vuurwapen en zes

patronen. Het voorhanden hebben van vuurwapens (met bijbehorende munitie) brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

Uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 24 januari 2002 blijkt dat verdachte onder meer reeds meermalen is veroordeeld tot gevangenisstraf wegens het overtreden van de Opiumwet.

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 359a Wetboek van Strafvordering de op te leggen straf gematigd dient te worden, nu de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep door omstandigheden die niet aan verdachte zijn toe te rekenen eerst op 26 april 2002, een jaar na het vonnis in eerste aanleg van 27 april 2001, heeft kunnen aanvangen.

Het hof verwerpt dit standpunt.

Artikel 359a Wetboek van Strafvordering regelt de gevolgen die de rechter kan verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek van een strafzaak. Het door de raadsman bedoelde tijdsverloop is niet als een zodanig vormverzuim aan te merken. Nu de duur van de door de raadsman bedoelde periode niet heeft geleid tot een overschrijding van de in artikel 6 lid 1 EVRM bedoelde redelijke termijn van behandeling van de zaak in hoger beroep, terwijl de totale duur van de behandeling in twee instanties evenmin een overschrijding van die termijn oplevert, levert het door de raadsman bedoelde tijdsverloop geen grond op die tot matiging van de op te leggen straf noopt. In dit oordeel wordt geen wijziging gebracht door de omstandigheid dat de aanvulling van het verkorte vonnis niet is geschied binnen de in artikel 365a lid 3 Wetboek van Strafvordering genoemde termijn. Aan niet-inachtneming van laatstgenoemde termijn heeft de wetgever immers welbewust geen sanctie verbonden, terwijl daartoe in het onderhavige geval - waarin als overwogen geen sprake is van schending van de redelijke termijn van behandeling - ook anderszins geen aanleiding bestaat.

Het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf als na te noemen passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen, genoemd onder de nummers 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 25 en 26 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

De inbeslaggenomen voorwerpen, genoemd onder de nummers 20, 21, 52 en 53 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen feit 3 is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Het inbeslaggenomen voorwerp genoemd onder nummer 63 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst, dat aan de verdachte toebehoort en dat bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane strafbare feit is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dat voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als bewezenverklaard onder 1 en 2 en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 aanhef en onder A, B en C, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 aanhef en onder A, B en C, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd onder de nummers 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 25 en 26 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst

Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen genoemd onder de nummers 20, 21, 52, 53 en 63 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen genoemd onder de nummers 11, 15, 16, 17, 18, 23, 24 en 55 t/m 58 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast teruggave aan de uitgevende instantie van de voorwerpen genoemd onder de nummers 10, 59 en 60 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst

Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen genoemd onder de nummers 12 t/m 14, 19 en 54 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. IJland-Van Veen, Brilman en De Vries, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 augustus 2002.

De oudste raadsheer, de jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.