Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7954

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
23-001479-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Cocaïne op verschillende tijdstippen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen; 2) deelname aan een criminele organisatie; 3) voorhanden hebben van pistool met munitie; 4) voorhanden hebben van geluiddemper;

5) de verlenging door de rechter-commissaris van de machtiging ex artikel 126 m van het Wetboek van Strafvordering niet onrechtmatig geoordeeld.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-08-15
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-08-15
Wet wapens en munitie 13, geldigheid: 2002-08-15
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2002-08-15
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2002-08-15
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2002-08-15
Wetboek van Strafvordering 359a, geldigheid: 2002-08-15
Wetboek van Strafvordering 126m, geldigheid: 2002-08-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001479-01

datum uitspraak 15 augustus 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem

van 27 april 2001in de strafzaak onder parketnummer 15/035266-00

tegen

[verdachte]

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op 12 augustus 1970

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Beperkt appel

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de mededeling ter terechtzitting op 26 april 2002 niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1B ten laste gelegde.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 28 februari 2001, 10 en 13 april 2001 en in hoger beroep van 26 april 2002, 5 juni 2002, 14 juni 2002 en 1 augustus 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op 10 april 2001 op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen omdat het zich daarmee niet geheel verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 aanhef en onder A en C, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd, met dien verstande dat verdachte:

1. op verschillende tijdstippen gelegen in de periode van 1 juli 2000 tot en met 8 september 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

A.

op 6 augustus 2000, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

C.

op 30 augustus 2000, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. in de periode van 1 juli 2000 tot en met 8 september 2000 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die werd gevormd door verdachte en zijn mededaders, waaronder [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het telkens opzettelijk verrichten van handelingen zoals omschreven in de Opiumwet artikel 10a, eerste lid, zulks om een feit als bedoeld in de Opiumwet artikel 10, derde of vierde lid, voor te bereiden en/of te bevorderen en binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en plegen van handelingen, gericht op het verdere vervoer en/of de opslag en/of de aflevering en/of de ontvangst en/of de overdracht van binnen het grondgebied van Nederland gebrachte hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming bestond uit het ontwikkelen van plannen om voornoemde misdrijven te plegen en het leggen van contacten en het maken van afspraken met betrekking tot deze misdrijven en uit het medeplegen van voornoemde misdrijven en uit het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van deze misdrijven;

3. op 8 september 2000 te Diemen een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Pietro Beretta, model 950B, kaliber 6.35 mm Browning en voorzien van serienummer BP38121 en munitie van categorie III, te weten zeven patronen van het kaliber 6.35 mm Browning, voorhanden heeft gehad

4. op 8 september 2000 te Diemen een wapen van categorie I, onder 3e, te weten een geluiddemper voor een pistool voorhanden heeft gehad

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders onder 1 aanhef, onder A en C, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ter terechtzitting gevoerd verweer en bewijsoverweging

1. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat de verlenging door de rechter-commissaris van de machtiging ex artikel 126 m van het Wetboek van Strafvordering na 22 augustus 2000 onrechtmatig is. Dat moet zijns inziens tot gevolg hebben, dat de op basis van die verlengde machtiging verkregen informatie buiten beschouwing blijft en niet voor het bewijs van tenlastgelegde feiten mag dienen.

Hij voert daartoe het volgende aan.

Uit de weergave van telefoongesprekken gevoerd en afgeluisterd in de periode van 25 juli tot 22 augustus 2000 blijkt niet dat voldaan is aan de eisen gesteld in artikel 126 m van het Wetboek van Strafvordering om bedoelde verlenging af te geven. Uit die gesprekken blijkt met name niet dat de deelnemers aan die gesprekken zich bezig hielden met misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, zoals gesuggereerd is in het rapport van 15 augustus 2000, welk rapport aan de basis van de verlenging van de afgegeven machtiging heeft gelegen. Evenmin kan uit die gesprekken de conclusie worden getrokken, dat het onderzoek die verlenging dringend vorderde.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de gesprekken, die na voornoemde onrechtmatig gegeven verlenging zijn afgeluisterd, ten onrechte voor het bewijs van aan verdachte tenlastgelegde feiten heeft gebruikt. Het afleiden van de identiteit van verdachte, dat eveneens op basis van bedoelde afgeluisterde gesprekken heeft plaatsgevonden, dient volgens de raadsman om dezelfde reden buiten beschouwing te blijven.

Het hof verwerpt het beroep op bewijsuitsluiting.

Het beroep richt zich tegen het oordeel van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, dat er voldoende gronden waren om positief te beslissen op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de machtiging.

Naar het oordeel van het hof heeft de raadsman van verdachte onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat verlenging door de rechter-commissaris onrechtmatig is; het enkele feit dat de verdediging informatie, die aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt, anders beoordeelt dan de rechter-commissaris destijds, is daarvoor onvoldoende.

2. Het hof verklaart hieronder wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig heeft gehouden met het per vliegtuig invoeren vanuit Curaçao in Nederland van de stof cocaïne als bedoeld in de Opiumwet. Uit de voor die bewezenverklaring gebruikte bewijsmiddelen vloeit voort dat bij het transport van 6 augustus 2000 (feit 1 aanhef en onder A van de tenlastelegging) dezelfde groep personen betrokken is geweest, die heeft deelgenomen aan die criminele organisatie en die tevens verantwoordelijk was voor de door het hof bewezen geachte invoer van cocaïne op 30 augustus 2000.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat die groep zich ook bezig heeft gehouden met de invoer van iets anders dan cocaïne. Het hof acht op grond van het vorenoverwogene dan ook wettig en overtuigend bewezen dat met het transport van 6 augustus 2000 de stof cocaïne als bedoeld in de Opiumwet Nederland is binnengebracht.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit begaan wordt met een vuurwapen van categorie III;

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie;

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 10 maanden

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die gedurende geruime tijd aanzienlijke hoeveelheden cocaïne per vliegtuig vanuit de Nederlandse Antillen binnen Nederland heeft gebracht. Deze hoeveelheden waren kennelijk bestemd voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Verdachte fungeerde binnen de organisatie als belangrijkste contactpersoon in Nederland en was verantwoordelijk voor de ontvangst van de drugstransporten in Nederland.

Bij zijn aanhouding was verdachte in het bezit van een geladen vuurwapen en zeven patronen, terwijl in zijn woning een geluiddemper is aangetroffen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen (met bijbehorende munitie) brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

Uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 24 januari 2002 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld onder meer ter zake van Opiumwetdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie.

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 359a Wetboek van Strafvordering de op te leggen straf gematigd dient te worden, nu de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep door omstandigheden die niet aan verdachte zijn toe te rekenen eerst op 26 april 2002, een jaar na het vonnis in eerste aanleg van 27 april 2001, heeft kunnen aanvangen.

Het hof verwerpt dit standpunt.

Artikel 359a Wetboek van Strafvordering regelt de gevolgen die de rechter kan verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek van een strafzaak. Het door de raadsman bedoelde tijdsverloop is niet als een zodanig vormverzuim aan te merken. Nu de duur van de door de raadsman bedoelde periode niet heeft geleid tot een overschrijding van de in artikel 6 lid 1 EVRM bedoelde redelijke termijn van behandeling van de zaak in hoger beroep, terwijl de totale duur van de behandeling in twee instanties evenmin een overschrijding van die termijn oplevert, levert het door de raadsman bedoelde tijdsverloop geen grond op die tot matiging van de op te leggen straf noopt. In dit oordeel wordt geen wijziging gebracht door de omstandigheid dat de aanvulling van het verkorte vonnis niet is geschied binnen de in artikel 365a lid 3 Sv genoemde termijn. Aan niet-inachtneming van laatstgenoemde termijn heeft de wetgever immers welbewust geen sanctie verbonden, terwijl daartoe in het onderhavige geval - waarin als overwogen geen sprake is van schending van de redelijke termijn van behandeling - ook anderszins geen aanleiding bestaat.

Al het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf als na te noemen passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen genoemd onder de nummers 27 en 65 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezenverklaarde onder 1 en 2 is begaan.

De inbeslaggenomen voorwerpen, genoemd onder de nummers 1, 2 en 20 van de bedoelde beslaglijst, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen de feiten 3 en 4 zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Het inbeslaggenomen voorwerp, genoemd onder nummer 34 van de bedoelde beslaglijst, dat aan verdachte toebehoort en dat bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane strafbare feiten is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dat voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als onder 1 en 2 bewezenverklaard en dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 aanhef en onder A en C, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder onder 1 aanhef en onder A en C, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES JAREN en ZES MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

en voorts

Verklaart verbeurd: een vluchtschema van Martin air, genoemd onder nummer 27 en 3 stk drukwerk, zijnde 2 roosters en 1 kopie binnenkant deur vliegtuig, genoemd onder nummer 65 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen genoemd onder de nummers 1, 2, 20 en 34 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen genoemd onder de nummers 36, 40, 41, 46 en 50 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen genoemd onder de nummers 21 en 64 van de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. IJland-van Veen, Brilman en De Vries, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 augustus 2002.

De oudste raadsheer, de jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.