Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7664

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-001407-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) moord en voorhanden hebben pistool met munitie;

2) beroep op psychische overmacht verworpen: ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een sterke externe sociale aandrang op de verdachte, waardoor deze tot zijn daad zou zijn gekomen.

13 jaar gevangenisstraf + schadevergoeding

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2002-07-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001407-01

datum uitspraak 16 juli 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 19 april 2001 in de strafzaak onder parketnummer 13-037741-00

tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [...] 1960,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Almere Binnen te Almere.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 april 2001 en in hoger beroep van 2 juli 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij op of omstreeks 12 november 2000 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet telkens met kracht met een fles op en tegen het hoofd en het gezicht van die [slachtoffer] geslagen en meermalen met een mes in de borst en in de buik en in de hals van die [slachtoffer] gestoken en is verdachte met zijn voet op de keel van voornoemde [slachtoffer] gaan staan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep doen instellen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een hem oppervlakkig bekende man, die hem hulp had geboden door hem na detentie in huis op te nemen, op zeer wrede en brute wijze van het leven beroofd. Verdachte - die hunkerde naar heroïne - heeft het slapende slachtoffer wakker gemaakt en deze - toen die zich met een mes verweerde - met grote kracht enkele malen met een met water gevulde fles op diens hoofd geslagen.

Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer met een andere fles opnieuw meermalen tegen het hoofd geslagen, met een keukenmes diens keel trachten door te snijden, met een fles ammoniak in diens mond gegoten en met nog een ander mes in diens buik gestoken.

Tenslotte is hij met een voet op de keel van het slachtoffer gaan staan net zo lang tot deze geen beweging meer maakte.

Dit feit levert een zeer ernstige schending van de rechtsorde op. Tevens heeft verdachte hierdoor de nabestaanden van het slachtoffer - onder wie een jonge dochter - onherstelbaar leed toegebracht.

Verdachte is veelvuldig eerder veroordeeld, onder meer voor misdrijven met een geweldcomponent, zoals blijkt uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 14 mei 2002.

Voorts heeft het hof gelet op de inhoud van de zich in het strafdossier bevindende, omtrent de verdachte uitgebrachte rapporten, waaronder:

* een rapport d.d. 30 mei 1994 door drs. A.D. Wallace (psycholoog);

* een voorlichtingsrapportage d.d. 22 oktober 1998 door B. Bölle (Hoofd Afdeling Reclassering) en M. Jabboury (Reclasseringsmedewerker), beiden werkzaam bij Centrum Maliebaan Utrecht;

* een rapport d.d. 25 maart 2000 door Th. W. Bos (psychiater);

* een rapport d.d. 30 maart 2001 door drs. R.J. van Dijk (psychiater);

* een rapport d.d. 20 juni 2002 door E.H. Ameling (psycholoog), S. Schreuder (psychiater) en A.A.R. de Kom (psychiater) verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Het rapport d.d. 20 juni 2002 van het Pieter Baan Centrum houdt onder meer en zakelijk weergegeven als conclusie op basis van het verrichte onderzoek het volgende in.

Verdachte heeft ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende aan een zodanige ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat dit feit hem in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

Bij verdachte is sprake van een persoonlijkheidsverandering voortkomende uit en versterkt door de jarenlange afhankelijkheid van alcohol, cocaïne, cannabis, amfetaminen en benzodiazepinen. De huidige persoonlijkheid van betrokkene is ernstig aangetast en laat zich beschrijven als een terugkerend patroon van instabiele intermenselijke relaties gekenmerkt door overmatig idealiseren dan wel devalueren, impulsiviteit die zichzelf of anderen kan schaden, voorbijgaande aan stress gebonden paranoïde ideeën, het onvermogen zich te conformeren aan de maatschappelijke normen, prikkelbaarheid en agressiviteit, onverschilligheid ten aanzien van de veiligheid van anderen, het grotendeels ontbreken van spijt, het gevoel bijzondere rechten te hebben, anderen te gebruiken om zijn doeleinden te bereiken en gebrek aan invoelend vermogen.

De verwenning door vader tijdens de jeugd van betrokkene heeft wel geleid tot een verminderd vermogen bij betrokkene om met frustraties om te gaan. Hierdoor was betrokkene enigszins in zijn keuzevrijheid beperkt toen hij aan alcohol en drugs verslaafd raakte.

Ten tijde van het tenlastegelegde was betrokkene geprikkeld vanwege zijn hunkering naar drugs, met name heroïne. Vervolgens bleek dat het slachtoffer hem had bedrogen en hem mogelijk bedreigde. Op welke manier de persoonlijkheid van verdachte is aangesproken door het slachtoffer waardoor betrokkene tot een zodanige geweldsexplosie is gekomen, is achteraf niet betrouwbaar vast te stellen. Er is namelijk geen zicht op wat zich werkelijk heeft afgespeeld behoudens de verklaring van verdachte. Gezien dit gegeven en vanwege de vaststelling dat verdachte enigszins beperkt was in zijn keuzevrijheid om alcohol en drugs te gaan gebruiken, zijn wij van mening dat verdachte het ten laste gelegde feit in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

Aangezien het verband tussen de pathologie van verdachte en het tenlastegelegde gering is, kunnen we vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen uitspraak doen over de verwachte kans op herhaling, vanuit de pathologie, van soortgelijke delicten. Derhalve zien wij af van het uitbrengen van een advies tot behandeling binnen een strafrechtelijk kader.

Het hof neemt vorengenoemde conclusies over en maakt deze tot de zijne. Ook al brengt dit mee dat het bewezenverklaarde aan verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend, is het hof van oordeel dat de ernst van het delict en de omstandigheden waaronder dit delict is gepleegd, een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigen. Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren passend en geboden.

De vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 6942,39 (fl. 15.299,02) ingediend.

De rechtbank heeft in eerste aanleg de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3697,86 (fl. 8.149,02) en de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw voor het volledige bedrag gevoegd.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij deels betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 3697,86 (( 8.149,02), nu aannemelijk is dat door hem tengevolge van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag. De vordering is voor het overige als niet eenvoudig van aard niet ontvankelijk in dit strafgeding.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 13 (DERTIEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] een bedrag van € 3697,86 (fl. 8.149,02) te betalen, vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Bockwinkel, Van Asperen en Van der Lugt, in tegenwoordigheid van mr. Van Essen als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2002.

Mr. Van der Lugt is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.