Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7546

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-003742-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) opzetheling; 2) roofovervallen (gekwalificeerde diefstallen); 3) het door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van het medeplegen van het opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven van bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was.

6 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 209, geldigheid: 2002-07-23
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2002-07-23
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2002-07-23
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2002-07-23
Wetboek van Strafrecht 416, geldigheid: 2002-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrestnummer:

Rolnummer: 23-003742-00

Datum uitspraak: 23 juli 2002

Tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 6 november 2000 in de strafzaak onder parketnummer 14/010043-00 tegen

[verdachte],

geboren op [...] (Nederlandse Antillen) op [...] 1970,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. De IJssel i.o.,

2921 LR Krimpen aan den IJssel, Van der Hoopstraat 100.

De omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 5, 6 en 7 tenlastegelegde, van welke feiten de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 5 en 7 tenlastegelegde, doch wel tegen de vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 23 oktober 2000 en in hoger beroep van 9 juli 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 6, 8, 9 en 10 vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 juli 2000 op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair onder a en b, 2 primair onder b, 3 primair onder b, 4 primair onder b, 6 en 10 onder a is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair onder a, 3 primair onder a, 4 primair onder a, 8, 9 en 10 onder b is tenlastegelegd, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

hij op 30 oktober 1999 in Nederland een geldbedrag van ongeveer

fl. 400,- heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van dat geldbedrag wist dat het door een misdrijf verkregen geld betrof;

- ten aanzien van het onder 2 primair onder a tenlastegelegde:

hij op 10 november 1999 in de gemeente Hoorn (NH) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) zeshonderd gulden, toebehorende aan de Dekamarkt, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd B.M. [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, immers

heeft verdachte een pistool verschaft, en heeft verdachte de plaats van de te plegen overval aangewezen, en

heeft een van zijn mededaders een pistool op het lichaam van die [slachtoffer 1] gericht en gericht gehouden;

- ten aanzien van het onder 3 primair onder a tenlastegelegde:

hij op 10 november 1999 in de gemeente Hoorn (NH) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldkistje, toebehorende aan M.T. [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, immers

- heeft verdachte een pistool verschaft, en

- heeft verdachte de plaats van de te plegen overval aangewezen, en

- heeft verdachte zijn mededaders naar de plaats van de te plegen overval gestuurd, en

- heeft een van zijn mededaders die [slachtoffer 2] vastgepakt en vastgehouden, en

- heeft een van zijn mededaders een pistool op het lichaam van die [slachtoffer 2] gericht en gericht gehouden, en

- heeft een van zijn mededaders een pistool op het hoofd van die [slachtoffer 2] geplaatst, en

- heeft een van zijn mededaders aan die [slachtoffer 2] dreigend toegevoegd: "Geld of ik schiet je overhoop" en "Ik maak je dood", althans woorden van een dergelijke dreigende aard of strekking;

- ten aanzien van het onder 4 primair onder a tenlastegelegde:

hij op 12 november 1999 in de gemeente Hoorn (NH) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, telefoonkaarten en 9 pakjes sigaretten, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd M. [slachtoffer 3], en een persoon, genaamd H. [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en

hij op 12 november 1999 in de gemeente Hoorn (NH) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld M. [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, immers

- heeft verdachte een pistool verschaft, en

- heeft verdachte de plaats van de te plegen overval aangewezen, en

- heeft een van zijn mededaders een pistool op het lichaam van die [slachtoffer 3] gericht en gericht gehouden, en

- heeft een van zijn mededaders dat pistool op die [slachtoffer 3] geplaatst, en

- heeft een van zijn mededaders die [slachtoffer 4] vastgepakt en vastgehouden, en

- heeft een van zijn mededaders aan die [slachtoffer 3] dreigend toegevoegd: "Ik schiet je neer" en "Ik schiet je dood";

- ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 19 oktober 1999 tot en met 26 oktober 1999 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) halsketting, een portemonnee en geldbedragen, toebehorende aan G.M.G. [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde G.M.G. [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 5] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of met een hard voorwerp heeft/hebben geslagen en/of heeft/hebben geschopt en/of met een vuurwapen heeft/hebben bedreigd en/of die [slachtoffer 5] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "Waar is je geld, waar is je coke" en "Wanneer je naar de politie gaat, schiet ik je dood swa!" ;

- ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde:

hij op 28 december 1999 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (inhoudende een bankpas, een NS-kortingskaart en een geldbedrag van fl. 140,-) en een sleutelbos, toebehorende aan G.M.G. [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde G.M.G. [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) die [slachtoffer 5] bij zijn hals en bij zijn hoofd heeft/hebben vastgepakt en vastgehouden en tegen de grond heeft/hebben geduwd en bovenop die [slachtoffer 5] is/zijn gaan liggen.

- ten aanzien van het onder 10 onder b tenlastegelegde:

A.A.A. [medeverdachte 1] en Q.D. [medeverdachte 2] in de periode van 28 januari 2000 tot en met 29 januari 2000 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten hebben uitgegeven, bankbiljetten van fl. 100,-, waarvan de valsheid genoemde [medeverdachte 1] en genoemde [medeverdachte 2], toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was;

welk voornoemd feit hij, verdachte, in de periode van 28 januari 2000 tot en met 29 januari 2000 in de gemeente Hoorn opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van middelen, te weten door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die valse bankbiljetten te verschaffen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 primair onder a, 3 primair onder a, 4 primair onder a, 8, 9 en 10 onder b meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

- ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

opzetheling;

- ten aanzien van het onder 2 primair onder a tenlastegelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- ten aanzien van het onder 3 primair onder a tenlastegelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- ten aanzien van het onder 4 primair onder a tenlastegelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- ten aanzien van het onder 10 onder b tenlastegelegde:

het door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van het medeplegen van het opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven van bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders een aantal overvallen gepleegd op bedrijven en personen, waarbij zij geld en/of andere goederen hebben buitgemaakt. Bij het plegen van deze misdrijven hebben de verdachte en zijn mededaders grof geweld toegepast en zijn door hen bedreigingen geuit. De verdachte vervulde hierbij een dominante rol: hij vertelde zijn - veel jongere - mededaders wat of wie overvallen diende te worden, hij verschafte een vuurwapen, hij nam in een aantal gevallen actief deel aan de feitelijke overval en eiste voor zichzelf een groot deel van de opbrengst van deze misdrijven op. Tevens heeft de verdachte opzettelijk meegedeeld in de geldelijke opbrengst van een soortgelijke overval.

Door de genoemde feiten is veel schade en overlast toegebracht aan de benadeelden. Bovendien zullen de slachtoffers van het geweld en de bedreigingen nog gedurende lange tijd psychische gevolgen van het gebeuren ondervinden. Door het handelen van de verdachte is bovendien de rechtsorde ernstig geschokt en zijn in de maatschappij voorkomende gevoelens van onveiligheid versterkt.

Voorts heeft de verdachte valse bankbiljetten van fl. 100,- aan twee personen verstrekt en hen ertoe gebracht om deze, als ware de biljetten echt, uit te geven. Hierdoor is het voor het betalingsverkeer noodzakelijke vertrouwen in de nationale valuta geschonden.

Op deze ernstige feiten dient in beginsel te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 11 juni 2002, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten waarbij geweld of bedreiging met geweld tegen personen is toegepast, welke veroordelingen de verdachte er kennelijk niet van hebben kunnen weerhouden te recidiveren. De onderhavige feiten zijn kort nadat hij een eerder opgelegde gevangenisstraf had ondergaan, gepleegd.

Tevens heeft het hof een Vroeghulpinterventierapport van 31 januari 2000 van de Brijderstichting Bureau Hoorn, een Voorlichtingsrapport van 20 juli 2000 van diezelfde Stichting en een brief en een fax van de geestelijk verzorger van de verdachte in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel", ds. Y. Viersen, van respectievelijk 14 februari 2002 en 13 mei 2002 in aanmerking genomen.

Het bovenstaande overziend acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een mes, dat aan de verdachte toebehoort en dat bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane strafbare feiten is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dat voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 47, 57, 209, 310, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij 1], wonende te Amsterdam, heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van fl. 5.000,- (€ 2.268,90) ingediend op grond van het onder 6 tenlastegelegde feit. In eerste aanleg is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag van de vordering. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van schade geleden ten gevolge van het onder 6 tenlastegelegde feit, nu het hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair onder a en b, 2 primair onder b, 3 primair onder b, 4 primair onder b, 6 en 10 onder a tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair onder a, 3 primair onder a, 4 primair onder a, 8, 9 en 10 onder b tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair onder a, 3 primair onder a, 4 primair onder a, 8, 9 en 10 onder b meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (ZES) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een mes.

Gelast de teruggave van:

- een - gouden - koningsketting aan [benadeelde partij 2], wonende te Hoorn, [adres];

- een geldbedrag van € 166,15 (fl. 366,15) aan [benadeelde partij 3], wonende te Hoorn, [adres].

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van geleden schade.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Houben, Veldhuisen en De Vries, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2002.

Mr. Veldhuisen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.