Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7527

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-002931-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) ongeveer 18.012,5 gram en ongeveer 22.008,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen;

2) Niet is gebleken dat aan de verkrijging, verslaglegging of overdracht van de startinformatie gebreken kleven op grond waarvan achteraf moet worden geoordeeld dat het gebruik van die informatie behoort te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM of anderszins tot compensatie zou moeten leiden.

6 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-07-23
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrestnummer:

Rolnummer: 23-002931-01

Datum uitspraak: 23 juli 2002

Tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 28 augustus 2001 in de strafzaak onder parketnummer 15/030231-01 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [...] 1952,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Demersluis,

1096 AN Amsterdam, H.J.E. Wenckebachweg 48.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 augustus 2001 en in hoger beroep van 9 juli 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte betoogd dat in deze zaak sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde en veronachtzaming van de belangen van de verdediging dat dit primair dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte en subsidiair tot bewijsuitsluiting. Ter onderbouwing van dit verweer is door de raadsman aangevoerd dat opsporingsambtenaren te Curaçao, onder leiding van P.C.M. Akkers, hebben getracht om onrechtmatig optreden op Curaçao, dat geleid heeft tot een onrechtmatige aanhouding van de verdachte door de douane te Schiphol, te verhullen ("wit te wassen", zoals de raadsman dit noemt). Dat hiervan sprake is zou volgens de raadsman blijken uit: het veinzen dat bepaalde informatie via de CIE (het hof begrijpt: CID) was binnengekomen (aldus gebruik makend van een U-bocht constructie), het opzettelijk onjuiste informatie verstrekken over het onderlinge contact tussen [verdachte] en o.a. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], de koeriers van de verdovende middelen, het gebruik maken van informatie afkomstig van een onrechtmatige observatie en het opzettelijk frustreren van de mogelijkheden om de van het KLM-personeel afkomstige informatie te toetsen. Aangezien sprake was van een nauwe samenwerking tussen de opsporingsambtenaren op Curaçao en de Nederlandse opsporingsambtenaren vallen de onrechtmatige handelingen onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, hetgeen de eerdergenoemde gevolgen met zich mee dient te brengen, aldus de raadsman.

Bij de beoordeling van deze verweren dient op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het dossier van het volgende te worden uitgegaan.

Naar aanleiding van bevindingen die zijn gedaan in het bestek van een zeker op Curaçao ingesteld opsporingsonderzoek is van de zijde van het zgn. Recherche Samenwerkingsteam Nederlandse Antillen en Aruba (R.S.T.) op 11 februari 2001 aan de FIOD in Nederland telefonisch en per e-mail de informatie verstrekt dat -zakelijk weergegeven- [verdachte] per vliegtuig van Curaçao naar Nederland is gereisd, tezamen met drie anderen onder wie [medeverdachte 1], en dat het vermoeden bestond dat [verdachte] verdovende middelen in zijn handbagage vervoerde en/of een of meer koeriers van verdovende middelen begeleidde. Vervolgens is deze informatie door de FIOD aan het zgn. Schipholteam doorgegeven en is na aankomst van het bewuste vliegtuig op 12 februari 2001 door leden van dat team de aandacht gevestigd op o.a. [verdachte] en [medeverdachte 1]. Het vervolgens op de luchthaven Schiphol ingestelde onderzoek heeft geleid tot het onderkennen van [verdachte] als ook van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als passagiers van het uit Curaçao aangekomen vliegtuig. Nadat door leden van het Schipholteam onder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] respectievelijk ongeveer 18 kilogram en 22 kilogram cocaïne werd aangetroffen is ook [verdachte] als verdachte op grond van overtreding van de Opiumwet aangehouden.

De door het R.S.T. aan de Nederlandse opsporingsdienst overgedragen informatie behelst geen materiaal dat als bewijsmiddel tegen verdachte is gebruikt doch dient te worden aangemerkt als informatie die de aanleiding heeft gevormd voor het vervolgens, hier te lande ingestelde opsporingsonderzoek, derhalve als startinformatie.

Naar het oordeel van het hof stond in het onderhavige geval niets in de weg aan het rechtmatig gebruik van die informatie door respectievelijk de FIOD en het Schipholteam. Gelet op aard, inhoud en herkomst van die informatie konden en mochten deze diensten handelend optreden.

De verdediging is zowel tijdens het geding in eerste aanleg als ook in hoger beroep in staat gesteld de evenbedoelde startinformatie ter toetsing van de rechtmatigheid van de verkrijging, verslaglegging en overdracht aan de rechter voor te leggen. Relevante bescheiden zijn door het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd en opsporingsambtenaren hebben ten overstaan van de rechter-commissaris verklaringen afgelegd.

Het hof is van oordeel dat de uitkomsten van dit onderzoek in onderling verband en samenhang bezien voor het vormen van een (rechtmatigheids)oordeel toereikend zijn. Niet is gebleken dat aan de verkrijging, verslaglegging of overdracht van de startinformatie gebreken kleven op grond waarvan achteraf moet worden geoordeeld dat het gebruik van die informatie behoort te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte dan wel tot enigerlei compensatie in de strafzaak van de verdachte, als door de raadsman aangevoerd.

Nu aan het hof ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden wordt het verweer van de raadsman op dit punt in alle onderdelen verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij op 12 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 18.012,5 gram en ongeveer 22.008,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid - namelijk meer dan 40 kilogram - cocaïne, welke hoeveelheid geschikt is voor verdere verspreiding en handel. Hard drugs, zoals cocaïne, vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Op dit ernstige feit dient in beginsel te worden gereageerd met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft het hof mee laten wegen dat op grond van de stukken van het dossier en de behandeling van de zaak in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de verdachte, die immers een organiserende rol heeft vervuld en als begeleider van de daadwerkelijke koeriers van de verdovende middelen is opgetreden, een meer leidinggevende positie inneemt. Het hof bepaalt de duur van de gevangenisstraf in dit geval op zes jaar, welke straf eveneens door de rechtbank is opgelegd en ook door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is gevorderd.

Het hof heeft ten nadele van verdachte bij de strafoplegging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 11 juni 2002, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, onder meer voor een Opiumwetdelict.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (ZES) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de onder de nummers 3, 5, 6, 20, 21, 25, 26, 28, 31, 32, 33, 39 en 40 vermelde goederen van de aangehechte beslaglijst (bijlage I).

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het onder nummer 38 vermelde paspoort van de aangehechte beslaglijst (bijlage I).

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Veldhuisen, Houben en De Vries, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2002.