Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7507

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
01/01321
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is een boete wegens het niet tijdig betalen van omzetbelasting. Niet duidelijk is waarom sprake zou zijn van avas op de grond dat binnen het concern waarvan belanghebbende deel uitmaakte, een reorganisatie heeft plaatsgehad, dat daardoor wijzigingen plaatsvonden in de samenstelling van enkele fiscale eenheden en dat het constateren van de fiscale eenheden en het toekennen van omzetbelastingnummers van de zijde van de Belastingdienst zeer traag en moeizaam verliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Elfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

ter vervanging van de mondelinge uitspraak in het beroep van de fiscale eenheid X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 20

april 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 maart 2001, betreffende een aan belanghebbende opgelegde boete, wegens het gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn betalen van omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999.

1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 26 september 2000 aan

belanghebbende een naheffingaanslag opgelegd tot een bedrag van ¦ 120.344. Tegelijkertijd heeft hij een verzuimboete opgelegd van 5% van de nageheven belasting, ofwel ¦ 6.017. Na bezwaar tegen de boete is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van

de beschikking waarbij de boete is opgelegd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van 13 februari 2002. Voor het

verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het door de griffier opgemaakte proces-verbaal.

1.5. Op 27 februari 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan waarvan

het pro-ces-verbaal op 11 maart 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij faxbericht, ter griffie ontvangen op 25 maart 2002, is door belanghebbende verzocht de mon-delinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 142,50 is tijdig op de bankrekening van het Hof gestort.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In de periode 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999 vormde

belanghebbende voor de omzetbelasting een fiscale eenheid. Het voor belanghebbende geldende aangiftetijdvak is een maand. Namens belanghebbende heeft mr. B (C accountants en belastingadviseurs) bij brief van 27 juni 2000 de inspecteur medegedeeld dat over de maanden juli 1999 tot en met december 1999 ¦ 120.344 te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. Voorts verzocht belanghebbende de inspecteur naheffingsaanslagen zonder verhoging op te leggen.

2.2. De inspecteur heeft met dagtekening 26 september 2000 aan belanghebbende een naheffingaanslag opgelegd tot het vermelde bedrag. Tegelijkertijd heeft hij een boete opgelegd van 5% van de nageheven belasting, ofwel ¦ 6.017 op basis van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en § 24, tweede lid, juncto § 28, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

3. Geschil

In geschil is of aan belanghebbende terecht een boete is opgelegd van ¦ 6.017 wegens het gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn betalen van omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

Belanghebbende stelt dat binnen het D-concern, waarvan belanghebbende deel uitmaakte, een reorganisatie heeft plaatsgehad, dat daardoor wijzigingen plaatsvonden in de samenstelling van enkele fiscale eenheden, dat het constateren van de fiscale eenheden en het toekennen van omzetbelastingnummers van de zijde van de Belastingdienst zeer traag en moeizaam verliep en dat als gevolg daarvan in de aangiften omzetbelasting van belanghebbende fouten zijn geslopen. Naar het Hof begrijpt bedoelt belanghebbende te stellen dat bij haar alle schuld ontbreekt aan het niet, althans niet tijdig voldoen van de onderhavige omzetbelasting. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het het Hof niet duidelijk waarom de gestelde omstandigheden tot die conclusie leiden.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 25 juli 2002 ter vervanging van de mondelinge uitspraak door mr. Vrouwenvelder, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

a) Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

b) Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

c) Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.