Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7504

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
01/183
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij belanghebbende is voor de jaren 1993 en 1994 nagevorderd ter zake van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting. Tevens is een verhoging van 100% opgelegd, zonder kwijtschelding. Voor de jaren 1995 tot en met 1995 is belanghebbende voor vergelijkbare vergrijpen door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren. Het Hof acht een verhoging van 100%, mede bezien in het licht van de strafrechtelijke veroordeling die hetzelfde feitencomplex betreft, niet in een evenre-dige verhouding staan tot het met die boete te dienen doel. Het Hof verleent een kwijtschelding van de verhoging van 75%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/300
V-N 2002/22.2.1
V-N 2002/49.4 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0804
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 10 januari 2001, dat is aangevuld bij brief van 23 januari 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 5 december 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 met een daarin begrepen verhoging waarvan geen kwijtschelding is verleend.

1.2. Voormelde navorderingsaanslag, gedagtekend 3 maart 1999, is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 47.767 en een verhoging van ƒ 6.921 (100% van de meer verschuldigde belasting). Tegen de verhoging zonder kwijtschelding heeft belanghebbende op 7 april 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij "uitspraak op verzoekschrift", gedagtekend 13 april 2000, heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het verzoek tot vermindering van de verhoging afgewezen. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar tegen de verhoging afgewezen.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot verval van de verhoging dan wel tot algehele kwijtschelding van de verhoging.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.5. Ter zitting van 26 juni 2001 is verschenen XY, echtgenote en gemachtigde van belanghebbende, alsmede A namens de inspecteur.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1940, was tot 1999 in dienstbetrekking werkzaam bij B als verzekeringsadviseur buitendienst. In die hoedanigheid oefende hij zijn functie uit bij Assurantiekantoor X te Q. Belanghebbende is op 4 maart 1999 verhuisd van Q naar Z.

2.2. Bij brief van 17 december 1998 schreef de destijds bevoegde inspecteur te R aan belanghebbende, voor zover hier van belang, het volgende:

"Ik heb het voornemen u een navorderingsaanslag (…) op te leggen over het jaar 1993 en 1994. In deze aanslagen zal tevens een boete zijn begrepen.

(…)

Uit een door de FIOD ingesteld onderzoek naar uw aangiften (…) 1995, 1996 en 1997 is naar voren gekomen dat u over deze jaren onder andere een te hoog bedrag heeft opgevoerd aan autokosten en porti-kosten.

U heeft verklaard dat uw cliëntenbestand in de loop der jaren steeds is gegroeid. In 1993 en 1994 was uw cliëntenbestand dus aanzienlijk minder groot dan in 1997. Hieraan verbind ik de conclusie dat u in de jaren 1993 en 1994 niet meer zakelijke kilometers heeft gereden dan in 1997. Ook met betrekking tot de door u gemaakte porti-kosten is het redelijk te veronderstellen dat deze (…) niet meer hebben bedragen dan in het jaar 1997.

(…)

1994

(…)

Eerder vastgesteld belastbaar inkomen 30.552

bij: minder arbeidskosten:

= zakelijke kilometers: 27.246 x 0,57 15.530

= porti-kosten 1.685

Nader vastgesteld belastbaar inkomen fl 47.767

======

Boete

Beide navorderingsaanslagen zullen (…) worden opgelegd met boete van 100%. Aangezien sprake is van (verhoudingsgewijs) omvangrijke fraude, zal (…) geen kwijtschelding worden verleend van deze boete.

Motivering van de boete

U heeft de bovengenoemde beroepskosten opzettelijk tot een te hoog bedrag in uw aangiftebiljet opgevoerd."

2.3. Het FIOD-onderzoek is voor de jaren 1995 tot en met 1997 uitgemond in een strafzaak tegen belanghebbende. De politierechter van de Arrondissementsrechtbank (...) heeft belanghebbende bij uitspraak van 11 juni 1999 onder meer op grond van de artikelen 68 (oud) en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren als vervanging voor 12 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

2.4. Bij brief van 20 april 1999 is het dossier van belanghebbende door de tot dan bevoegde ambtgenoot te R overgedragen aan de inspecteur. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Belastingplichtige heeft op 7 april 1999 een bezwaarschrift (bijgevoegd) ingediend tegen de boete van 100% op de navorderingsaanslag 1994. Ik verzoek u de behandeling van het bezwaarschrift over te nemen.

(…)

De navorderingsaanslag 1993 staat onherroepelijk vast en is reeds betaald (inclusief 100% boete).

Ik zie geen reden om de boete voor het jaar 1994 te matigen."

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende terecht een verhoging is opgelegd en, zo ja, of deze ten onrechte niet is kwijtgescholden.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4.2. Namens belanghebbende is ter zitting naar voren gebracht dat belanghebbende wegens ziekenhuisverblijf niet in de gelegenheid was te verschijnen en dat gemachtigde over de zaak verder niets kan zeggen.

4.3. Namens de inspecteur is ter zitting nog het volgende naar voren gebracht:

Er is in deze zaak tweemaal uitspraak gedaan. Dat kan niet. De eerste uitspraak telt. De tweede uitspraak is nietig. De eerste uitspraak van 13 april 2000 is onjuist op het punt van de niet-ontvankelijkheid en moet in zoverre worden vernietigd. Het beroep kan met toepassing van artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht als tijdig worden aangemerkt.

Het is buiten kijf dat opzettelijk onjuist aangifte is gedaan. Er zijn geen omstandigheden tot matiging van de boete aangevoerd. Het niet tijdig doen van uitspraak kan niet gelden als een zodanige omstandigheid. Het is niet bekend waarom de jaren 1993 en 1994 niet zijn meegenomen in de strafzaak. Er is sprake van omvangrijke fraude, omdat de correctie verhoudingsgewijs aanmerkelijk is. Met betrekking tot de absolute hoogte van de fraude zou men zich kunnen afvragen, in welke gevallen je in het strafrecht een boete van ƒ 7.000 beloopt. Het geheel niet verlenen van kwijtschelding zou wellicht kunnen worden gematigd in verband met het niet in acht nemen van een redelijke termijn, nu eerst 2,5 jaar na 17 december 1998 uitspraak is gedaan. Het mag een matiging van 50% zijn.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ontvankelijkheid van het beroep

Naast de door belanghebbende in beroep bestreden uitspraak van 5 december 2000 heeft de inspecteur een "uitspraak op verzoekschrift" van 13 april 2000 in geding gebracht. Deze laatste uitspraak betreft een geschrift van belanghebbende, gedagtekend 1 oktober 1999, en derhalve niet het door hem ingediende bezwaarschrift van 7 april 1999, zodat het Hof aan die uitspraak voorbijgaat. Het beroep tegen de uitspraak van 5 december 2000 betreffende

het bezwaarschrift van 7 april 1999 is op 10 januari 2001 tijdig binnen de termijn van zes weken als vermeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.

5.2. Verhoging (boete) en kwijtschelding

5.2.1. Met betrekking tot de verhoging van 100% begrepen in de navorderingsaanslag heeft het volgende te gelden. Belanghebbende heeft niet bestreden dat de boete is opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 18, eerste lid, Awr, zoals dat voor het onderhavige jaar luidde.

De door belanghebbende opgeworpen grieven betreffen het bepaalde in artikel 18, tweede en derde lid, Awr, terwijl tevens moet worden getoetst of de boete binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (EVRM) tot stand is gekomen.

5.2.2. In dit verband heeft belanghebbende erop gewezen dat hij onkundig is gehouden van de mogelijkheid tot kwijtschelding van de boete. Voorts acht belanghebbende zich benadeeld door de omstandigheid dat de ontvanger te lang het oude in plaats van het nieuwe adres van hem heeft gehanteerd, stelt hij zich op het standpunt dat, nu zonder machtiging van de staatssecretaris van Financiën tot verlenging van de termijn te laat uitspraak op bezwaar is gedaan, volledige kwijtschelding van de boete dient te worden verleend, en houdt hij het ervoor dat na de uitspraak van de politierechter hem niet ook nog een boete kan worden opgelegd.

5.2.3. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en ook overigens vindt het Hof geen aanleiding te oordelen dat de boete niet in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen is opgelegd.

Wat de kwijtschelding van de boete betreft neemt het Hof het volgende in aanmerking. Een boete valt relatief hoog uit ingeval de inkomensbestanddelen, ter zake waarvan navordering plaatsvindt, verhoudingsgewijs omvangrijk zijn zonder dat zulks, zoals in casu, ook in absolute zin het geval is. Hierin kan, als daarvoor ook overigens termen aanwezig zijn en anders dan paragraaf 21, derde lid, van het Voorschrift administratieve boeten 1993 aangeeft, aanleiding worden gevonden tot matiging van de boete. Zonder verklaring is gebleven dat bij eenzelfde feitencomplex in de jaren 1993 tot en met 1997 langs twee wegen bestraffend tegen belanghebbende is opgetreden, te weten voor de jaren 1993 en 1994 langs de bestuursrechtelijke weg en voor de jaren 1995 tot en met 1997 langs de strafrechtelijke weg. Mede bezien in het licht van de strafrechtelijke sancties als vermeld onder 2.3, betrekking hebbend op hetzelfde feitencomplex als waarop de in geschil zijnde bestuurlijke boete betrekking heeft, acht het Hof een boete van 100% zonder daarvan in enige mate kwijtschelding te verlenen niet in evenredige verhouding te staan tot het met die boete te dienen doel. Voorts kan worden vastgesteld dat de strafdreiging voor belanghebbende is begonnen met de brief van de inspecteur van 17 december 1998 en dat deze dreiging is geconcretiseerd op 3 maart 1999 en pas door de inspecteur is bevestigd bij diens uitspraak van 5 december 2000 zonder overlegging van een machtiging van de Minister van Financiën. Aldus heeft de inspecteur met voorbijgaan aan de termijneisen van artikel 25, eerste en tweede lid, Awr uitspraak gedaan, terwijl het gaat om een eenvoudige zaak betreffende een voor het jaar 1994 gepleegd vergrijp. Gelet op een en ander, mede bezien in onderlinge samenhang, acht het Hof een kwijtschelding van 75% van de boete passend en geboden.

Voor zover in het onderhavige geval tevens van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM kan worden gesproken, ziet het Hof hierin geen reden tot verdergaande kwijtschelding, nu met betrekking tot de vorenvastgestelde kwijtschelding rekening is gehouden met de onzorgvuldige inachtneming van de termijnvoorschriften van artikel 25 Awr en voor het overige geen sprake is van onredelijke termijnen waarbinnen belanghebbende zijn zaak onderworpen heeft gekregen aan het oordeel van de onafhankelijk rechter.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht komen daarvoor in aanmerking de door de gemachtigde echtgenote gemaakte reiskosten Z - Amsterdam, door het Hof begroot op € 4,54.

7. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur van 5 december 2000 voor zover daarbij is besloten geen kwijtschelding van de boete te verlenen en bevestigt die uitspraak voor het overige,

- vernietigt het besluit van de inspecteur geen kwijtschelding te verlenen,

- verleent een kwijtschelding van 75% van de verhoging,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 4,54 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van ƒ 60 ofwel € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 26 maart 2002 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.